De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (2)

7 minuten leestijd

IV De wedergeboorte is het beginsel van het geestelijk leven.
Deze wedergeboorte is heel wat anders dan het zichzelf verliezen en het in God verzinken en verdrinken, zoals de spiritualisten voorgeven. Dat komt uit de natuur. De wedergeboorte komt van de Heilige Geest d.m.v. het Evangelie, ze doet God zien in het aangezicht van Christus en brengt door de vereniging met Hem het geestelijk leven voort. Het aandeel, nee, het auteurschap van de geest is dus onmiskenbaar.

Maar even onloochenbaar is de plaats van het Woord en de opmerkelijke christocentrische invulling die Brakel aan de wedergeboorte geeft. Het nieuwe leven is geen abstractum, maar geloofsgemeenschap met de Persoon van Christus Die Het Leven is en Die Zich in het Evangeliewoord te kennen geeft.

Het komen tot geloof gaat overigens niet gemakkelijk toe. Het gaat met veel strijd gepaard. En vanwege de blijvende tweespalt tussen het vlees en de geest, zal de wedergeboorte (in ruimere zin) hier altijd onvolmaakt blijven, zo tekent Brakel goed Calvijns aan. Maar hij weet en wijst een uitweg: 'Aanmerkt uw onmacht, houdt het oog op Christus en laat het Woord van God het voorwerp van uw overdenking zijn'.

In de volgende stelling wordt dit uitgewerkt.

V Een christen maakt gedurig gebruik van het geloof.

Het lijkt wel alsof Brakel zijn polemiek met de piëtisten even vergeet. Maar dat is schijn. Met zijn bekende pastorale passie richt hij zich tot diegenen wier geloofskennis nog gebrekkig is en die daardoor extra gevaar lopen, voor de spiritualistische lokkracht te bezwijken. Vandaar dat hij ze bij de hand grijpt om ze toe te rusten. Een mens heeft - zo zet hij uiteen - om tot God te naderen onvoorwaardelijk verzoening nodig, d.w.z. de Middelaar, Die de ontzaglijke afgrond tussen de Heilige en de onheilige overbrugt en Gods rechtvaardige vloek wegdraagt. Hoe verkrijgt men deze Zaligmaker? Louter door de wonderbare goedheid Gods, Die de Zaligmaker aanbiedt om niet. Impliciet neemt Brakel hiermee zijn piëtistische tegenstanders onder schot, die zich heel andere, diepere, hogere wegen indachten om tot de Godsgemeenschap te geraken. Maar Brakel houdt het op de weg van het Wóórd. Daarin wordt ons de Zaligmaker aangeboden. Deze aanbieding is de grond waarop wij in boetvaardig, maar toch vrijmoedig geloof telkens weer ter rechtvaardiging tot God in Christus mogen gaan. Heilzaam wordt dit geloof beproefd door de verberging van Gods aangezicht, opdat Zijn kinderen leren geloven - zonder te zien - dat God nochtans hun God blijft. 'Gelijk een schip dat, van goede ankers en touwen voorzien, een stevige ankergrond heeft, in een storm wel door de baren wordt geslingerd, maar niettemin op zijn plaats blijft, zo is de Heere Jezus hun anker'. En 'al smaakt de ziel de zaligheid van Christus' gemeenschap niet altijd, zij gelooft evenwel dat ze Zijn eigendom is en hangt aan Hem met verzekerd vertrouwen'. Zo gaat de gelovige onopgeefbaar door Jezus tot de Vader. Onmiddellijk verkeer met God is vanwege de noodzaak van verzoening uitgesloten. 'Telkens komt Christus tussenbeide'.

Het is deze continu op de Christusgemeenschap betrokken geloofsaard die Brakel zijn lezers wil inscherpen, om hen te wapenen tegen de zuigkracht van wat hij Piëtisme noemt. Wacht u, zo vermaant hij, voor die lieden die beweren hoger op te kunnen klimmen dan dit Christusgeloof. 'Arme mensen! Alsof men anders kon opwassen dan in Christus, alsof men anders kon leven dan door het geloof (...), alsof men vruchten kon dragen zonder gedurig sap en voedsel uit Christus te trekken (...). Vlied allen die deze weg van het geloof niet inslaan en onder een grote schijn van geestelijkheid Jezus mislopen'!

VI Heel 's mensen zaligheid hier en hierna bestaat in de gemeenschap en de beschouwing van God.

Vooral hier wordt het spannend. Brakel snijdt nu immers een thema aan waarvan de spiritualisten het monopolie schenen te claimen: de contemplatieve gemeenschap met God. Brakel denkt er niet over om deze mystieke component van de omgang met God af te zwakken, laat staan af te schrijven. Hij trekt er zelfs vier tot vijfmaal zoveel ruimte voor uit dan voor zijn eerste vijf stellingen. Ik beperk me tot de kern.

Scherp grenst Brakel tweeërlei Godsbespiegeling van elkaar af: de natuurlijke en de geestelijke. De natuurlijke richt zich, buiten de Middelaar om, op God zoals Hij Zich in de natuur vertoont als de Verhevene en Almachtige - het herinnert aan wat Luther ooit een theologie van de glorie noemde - , terwijl de geestelijke overdenking God beschouwt als verzoend God en Vader in het aangezicht van Jezus Christus. Dit middellijke karakter van het Godsverkeer acht Brakel kennelijk beslissend voor de legitimiteit en authenticiteit ervan. Niettemin voegt hij eraan toe dat God Zichzelf wel eens onmiddellijk openbaart, met zoveel zoetheid, licht en zaligheid, 'dat het niet uit te drukken is'. De onmiddellijkheid van dit sporadische gebeuren betekent evenwel niet dat het buiten Christus en het geloof om gaat, maar dat het in Christus waarachtig God Zelf is Die Zijn Woord rechtstreeks in het hart laat dalen: 'Ik ben uw God'. De zekerheid van deze geloofservaring is ook in die zin onmiddellijk te noemen, dat ze niet tot stand komt op de reflexieve, dus indirecte manier van het syllogisme, maar direct uit het spreken Gods.

Brakels bezwaar tegen de spiritualisten is nu juist dat ze een onmiddellijkheid najagen los van het Woord. Ze wachten quiëtistisch op wat hun invalt en geven dat vervolgens uit voor waarheid, in plaats dat ze op het geopenbaarde Woord afgaan. Maar de Heilige Geest moet men vooral niet verwarren met de invallen van de 'holle hersenen'. De Geest is een Geest des geloofs. Die in ieder opzicht leidt volgens het Woord en zo tot Christus voert. De gedurige geloofstoevlucht tot Christus ter verzoening noemt Brakel dan ook 'pit en wezen' van het ware christendom.

In het vervolg gaat Brakel op deze Godsbeschouwing nog wat dieper in. Overdenking en aanschouwing (meditatie en contemplatie) vallen voor hem samen, althans voorzover dit werkzaamheden van de gelovigen zijn. Hun werk is het om het Woord zo te overdenken, dat ze steeds dieper inblikken in wat ze van God mogen kennen. Maar het is aan God om Zich aan deze overdenkers meer onmiddellijk te openbaren. Deze Godsontmoeting overkomt niet allen, maar slechts sommigen, en dan nog 'in een zeldzaam uur van korte duur' (Bemardus' rara hora, parva mora!). Wat bedoelt Brakel met deze evident mystieke ervaring? Hij omschrijft haar als een in liefde verrukt worden tot God, wat men 'enigszins aanschouwen mag noemen, een voorsmaak van de eeuwigheid, waar men niet meer door geloven maar door aanschouwen leven zal'. Brakel respecteert dus de grens: 't gaat om enigszins aanschouwen en een voorproef yan de heerlijkheid. De sporadische contemplatie tendeert naar het eschaton, maar is het nog niet: geen hogere trap dan het geloof, maar wel de hoogste trap van het geloof; een Godsontmoeting die culmineert in de liefde, maar die zich nog altijd door het geloof 'in Christus houdt'.

Overmoed en dwaling

Met deze interpretatie denk ik recht te doen aan de strekking van Brakels Waarschouwende bestieringe. Wat hij beoogt is de onmiddellijke weg van een mystiek buiten Christus en het Woord om, als overmoed en dwaling te ontmaskeren. Maar hij zou niet de pastor zijn geweest die hij was, als hij niet meteen een gezond alternatief geboden had: een mystiek getinte omgang met God, niet aan het Woord voorbij, maar door het Woord gedragen, waarin God Zelf ons ontmoet van Hart tot hart.

Was Brakel een piëtist? Zonder twijfel. Maar dan in de gezonde zin. Het geheim van het leven wist hij gelegen in de verborgen omgang met God. Qua innigheid doet zijn spiritualiteit voor het door hem gewraakte pseudo-piëtisme stellig niet onder. Qua gehalte echter stijgt zijn bevindelijkheid er beduidend én kritisch bovenuit, omdat ze door het Woord Gods wordt gevoed en behoed. Dat Piëtisme bedoelden de nadere reformatoren! De vraag die Brakel zijn lezers - dus ook ons - aan het hart legt, is deze: 'Het is u toch niet om het even of ge een heldere diamant in uw ring hebt, of een stukje glas van dezelfde grootte en van hetzelfde fatsoen? ' Juist inzake de pietas komt het aan op: schijn of zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Wilhelmus a Brakel en het Piëtisme (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1997

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's