Het teken van het Kind
Grünewald
Als u ooit de omgeving van Straatsburg verkent, moet u beslist het stadje Colmar aandoen, al was het alleen maar om het Isenheimer Altaar van Matthias Grünewald te bewonderen. Het is een veelluik waarvan de panelen een aantal hoogte-en dieptepunten uit Jezus' leven uitbeelden. Op één ervan zie je het kindeke Jezus op de schoot van Maria, op een ander de Man van Smarten aan het kruis. Op het eerste gezicht een contrast van dag en nacht: enerzijds de verstilde ontroering van een moeder die haar kind in de armen koestert, anderzijds de schreeuwende pijn van de kruisdood. Maar bij nader toezien ontdek je ineens een treffende overeenkomst. Het pasgeboren Kind is namelijk gehuld in grove, grauwe doeken, zó gesleten dat er gaten in gevallen zijn. En nu komt het: deze gerafelde doeken lijken sprekend op de doeken die een deel van Christus' gekruiste lichaam bedekken, wanneer Hij aan het hout hangt. Ze zijn van dezelfde vale kleur, hetzelfde versleten materiaal, dezelfde schamelheid.
Grünewald trekt een ongebroken lijn van kribbe naar kruis. Diepzinniger en sprekender commentaar op Lukas' tekst over het teken (2 : 12) is nauwelijks mogelijk. De begenadigde schilder heeft hiermee een oer-apostolische belijdenis afgelegd. Het is deze: de Boreling van Bethlehem is Dezelfde als de Kruiseling van Golgotha. Het Kind is bestemd om Man van Smarten te zijn. Van meet aan draagt dit Kind de tekenen van lijden, nood en dood. Er verrijst om zo te zeggen een kruis in de geboortestal.
Messiaanse droom
'Dit zal u het teken zijn...' Zo wijst de engel de weg aan de engel. Toch is het meer dan een plaatsbepaling. Doeken en krib bepalen de aard van het Kind. En die aard is paradoxaal. Proberen we ons maar eens te verplaatsen in de situatie van dat herdersvolk. Midden in hun nachtwake worden ze opgeschrikt door die zinderende lichtglans van Gods heerlijkheid. Wie zou niet vrezen? Maar daar horen ze tot hun ongekende verbazing dat ze niets te duchten hebben, omdat vannacht de Zaligmaker, Die Heere is en Messias, voor hen ter wereld kwam. Voor Israëlitische oren geen aangrijpender nieuws dan dit. Maar u moet wél beseffen wat dit wakker riep. De doorsnee Messiasverwachting was politiek-nationalistisch en vooral in de kringen van de Zeloten gewelddadig ingekleurd. Men droomde van een Messias die politieke orde op zaken kwam stellen en men dweepte met de idee van een messiaanse vrijheidsstrijd. De Messias? Die komt in vol ornaat van machtsvertoon, om die Romeinse bezetters te overweldigen. Zijn symbool is geen kruis, maar een zwaard. Dit zal ons het teken zijn: we zullen Hem vinden in wapens gehuld en op een strijdros gezeten!
Messiaanse werkelijklieid
Mochten de herders aan deze Messiasidee hebben gedacht, dan worden ze toch ogenblikkelijk uit de droom geholpen. Dit zal u het teken zijn: geen krijgshaftige held zult ge vinden, maar een machteloos Kind. Niet zwaarbewapend treft ge Hem aan, maar ongewapend, in doodgewone doeken, zoals dat ook bij jullie eigen baby's het geval is in je herdershut. Niet hoog te paard, maar liggend in een beestentrog. Ontwapenend! Wat is toch het geheim van deze Messias Die niet staat in majesteit, niet gaat in machtsvertoon, maar Die ligt in vernede ring en lijdt in ontluistering? Wat betekent deze hemelse tekentaal? Wat is dit voor een ongehoord signalement? Om te beginnen bevat het een geduchte ontgoocheling voor ieder die in Jezus het verlengstuk van zijn eigen vleselijk-aardse idealen ziet. En al zijn wij geen Zeloten uit het begin van onze jaartelling, maar mensen uit de nadagen van de 20-ste eeuw, ook wij zijn er niet te goed voor om het kerstevangelie te verbasteren tot 'messiaanse' ideologie. Of herkent u het niet: Christus moet Zijn macht ontplooien. Hij moet me vrijwaren voor tegenslag en teleurstelling, me verlossen van die doom in mijn vlees, mij bewaren voor ongemak en ongeval. Kortom: Hij moet het me naar de zin maken, zodat ik me kan ontplooien. Laat Hij ingrijpen, zodat ik resultaten zie. Laat Hij mij op mijn wenken bedienen, zodat ik kerkelijk, maatschappelijk en persoonlijk niet als een lastdrager door het leven ga, maar opgeruimd en lichtvoetig. Niet kruisgewijs, maar gestroomlijnd. Ik vraag u: wie lijkt het om een Koning na te volgen Die aller Knecht werd, wie zint het om het kruis te dragen achter de Smartenman om gedoornd en gedeukt alleen aan Zijn genade genoeg te hebben? De kruisweg ligt ons niet. We wringen ons in duizend bochten om het ons zo comfortabel mogelijk te maken in deze wereld. En daarbij moet de Messias als middel dienen om onze droom te realiseren. Maar die realiseert Hij niet. Die ontmaskert Hij als waan. Want Hij is geen middel, maar Middelaar. Nee, niet hierin vergissen we ons dat Hij inderdaad eenmaal orde op zaken stellen zal. Eens zal Hij onderdruldkers verdelgen, ontrechten recht verschaffen en Zijn ontheemden het Vrederijk ontsluiten. Eens zal Hij de honger stillen en allen die het heimwee kennen bevrijden van moeite, zorg en pijn. Aards en lichamelijk zal dat
hemelwonder toegaan. Lijfelijk concreet. Deze hunkering mag er zijn. Die is niet vleselijk, maar vrachtzetting van de Geest, het onderpand van onze totale verlossing. Hij is het Die in ons zucht naar de Volending.
Kern van de kwestie
De vergissing die we echter maken, is dat we op die beloofde heerlijkheid vooruit zouden kunnen grijpen. Dat is de zonde van het ongeduld, waarin we de fase van de wachtenstijd willen overslaan. En dat zal niet gaan. Het teken dat wij volgen leidt ons niet linea recta naar het paradijs, maar naar het Kind in doeken en kribbe. Het is de plek waar het kruis zich aftekent. Om orde op zaken te stellen moest en wilde Hij de kwestie in de kern aanvatten. En wat is die kern? Dat er wat ligt tussen God en ons. Een zondekloof van Gods vervreemding. Daarin daalde Hij neer. Die afdaling begon met Kerst. Op Goede Vrijdag reikte Hij tot de bodem. In de tussentijd verrichtte Hij wonderen. Ook dat waren tekenen! Signalen van die totale verlossing die in het verschiet ligt: het Vrederijk. Maar op de kruisheuvel geschiedde geen wonder. Aan het wonder van Pasen gaat de dood vooraf. Om uit de doden op te staan, moest Hij er eerst in ondergaan. Om in Zijn sterven onze dood en doodschuld plaatsbekedend weg te dragen. Op Golgotha geschiedde geen wonder, zei ik. Of moeten we zeggen: daar voltrok zich Het wonder bij uitstek? Ik geloof het vast. Dit zal ons het teken zijn, dat Hij daar hing als het teken van Gods ongemeten zondaarsliefde, gehuld in onze schande, hangend in ons oordeel. De Zoon des Vaders, Die aan onze Godsverlating part noch deel had, was van Hem verlaten. Om de zondekloof te dempen en de Godsgemeenschap te herstellen.
Vinden
Hoe vind ik deze God, waar ondervind ik Zijn gemeenschap? Door het teken te volgen. Is het een lange zoektocht? Dat hoeft niet. In ieder geval mag ze nauwelijks een naam hebben. Want de engel zegt niet: Ga op zoek en doe maar naarstig navraag. Maar: Gij zult vinden! Wie dit veelbelovend bevel gelooft, die vindt. Het wordt (en blijft!) de vondst van ons leven. En wat voor een vondst! Doeken en kribbe. Met daarin een Kind. Heel gewoon voor die herders. Met een voerplaats voor de dieren waren ze vertrouwd. Voor hun vieze plunje hoefden ze zich niet te generen. Heel gewoon, ook het Kind. Onzer Eén. Net zoals wij. En toch. Godlof, geheel anders. Want over de krib gebogen lezen we Gods zoekende zondaarsliefde, in doeken, hout en Kind. Juist vanwege deze combinatie. Dit Kind is het en Hij is het helemaal: mijn Zaligmaker Die mij zocht en vond en mij Gods hart verklaart. Deze is het. In povere doeken, tussen een paar planken. Deze is het, Die Zijn leven voor mij gaf aan het hout. Elke andere messias is een vervalsing. Maar deze is het Die precies bij me past, de Getekende. Geen rijke Christus voor een arme zondaar, maar een doodarme Christus voor een vermeende rijkaard, die zó straatarm is dat slechts Eén het peilde. Alles gaf Hij prijs, werkelijk alles, om ons te kleden in een feestelijk bruidsgewaad en op te nemen in Zijn Koninkrijk. Daartoe lag Hij in doeken en hing Hij aan het kruis. 'O, vrolijke ruil! Dat nu toch zo'n rijke Bruidegom - roept Luther uit - zo'n verpauperde deerne tot Zijn bruid verkiest en haar tooit met al het Zijne!' Bij Hem wil ik blijven. Zoals Hij zich in de windselen van het Evangeliewoord laat vinden. Het is maar een woord, pover, kwetsbaar en betwist. Maar het bergt de Schat van mijn hart: Jezus. Van Hem wil ik zijn. Al gaat Hij mij voor op de kruisweg waarop mijn vleselijke verwachting keer op keer wordt afgesneden en mijn kracht gebroken en ik telkens weer onder het tegenstrijdige dreig te bezwijken. Maar ik blijf bij Hem. En Hij bij mij. Soms al laat Hij iets van Zijn paasglorie zien, als teken van Zijn overmacht. Maar doorgaans gaat de glorie schuil achter het kruis en blijft die doom ons kwellen. En dan schreeuw ik het uit. Maar ook dan is Zijn genade genoeg. Niet omdat ik het voel, maar omdat Hij het Zelf heeft gezegd. Genoeg om de kruisweg te gaan en onderweg nog die en gene tot zegen te zijn, al weet ik zelf niet hoe. Genoeg om te geloven dat we weldra het Kind, de Kruiseling, zullen zien als onze Koning. U kent toch Zijn signalement? De gelittekende. Die is het.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1997
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1997
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's