Vragen van het hart bij het geheimenis van verkiezing en verwerping
Tussen hart en rede
'Toen men ook in de kerk alles wilde gaan verklaren is het mis gegaan.' Deze zin ving ik op uit een radiointerview. Ze bevat ongetwijfeld een kern van waarheid. Zodra de rede het in de kerk voor het zeggen krijgt, worden zeker op den duur vraagtekens geplaatst bij wat niet verklaarbaar is. Luther sprak in zijn tijd al over Hure Vernunft, de hoer verstand als het om geestelijke zaken gaat. In de loop der eeuwen zijn zo de wonderen, tot en met de heilsfeiten van Christus, voor de rechtbank van de menselijke rede gedaagd. Dat geldt niet alleen voor onze tijd. Maar het is in onze eeuw, waarin de wetenschap zich sterk heeft ontwikkeld, in hoge mate het geval. Als zodanig vertoont vrijzinnigheid, in de vorige eeuw modernisme geheten, zich telkens in nieuw gewaad.
Intussen kunnen we nergens in het leven, ook in de kerk niet, buiten de rede. Al vroeg in de kerk ontwikkelde zich zo het dogma, als resultaat van doordenking van de bijbelse leer in onderscheiden aspecten. Het dogma en het credo kwamen al vroeg in de kerk tot ontwikkeling, omdat en wanneer daartoe vanwege concrete dwalingen aanleiding was. Hoewel gelovig en onder de verlichting van de Heilige Geest uit de Schrift geput, bleef het toch menselijk spreken inzake heilgeheimen. Die zijn nooit echt verklaarbaar maar moesten wel in woorden worden gevat.
De Schrift is Gods Openbaring. Daarin worden de dingen niet verklaard maar van God uit geopenbaard. Het dogma is een echo van de Schrift, belijdende verwoording van het geheimenis. Van het handelen van God als zodanig zegt de Schrift op allerlei plaatsen, dat wij Hem niet begrijpen zullen.
Het ligt niet in de aard van het dogma opgesloten om alles te verklaren. In dogmatieken van onderscheiden aard gebeurt dit soms wel. Het christelijk geloof kan dan een soort denksysteem worden, waarin alles moet passen en kloppen. Zo kan de wil om alles dogmatisch kloppend te maken ook vallen onder de beheersing van de rede.
Geen antwoord
'Zijn er ook weinigen, die zalig worden? ', vroeg iemand aan Jezus (Lukas 13 vers 23). Als er nu één was, die deze vraag exact kon beantwoorden, dan toch Jezus? ! Maar Hij deed het niet. Zijn reactie was: 'Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.' Geen rationele beantwoording van deze vraag dus, wel een aansporing om zelf het heil te zoeken, en het uitspreken van de ernstige mogelijkheid, dat mensen zoeken maar niet kunnen ingaan, omdat ze niet op de goede Weg zijn. Direct hierna trekt Christus de kring wereldwijd: 'En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.' Tegelijk blijven mensen uit de intieme kring, die in Christus' tegenwoordigheid hebben gegeten en gedronken, kinderen van het Koninkrijk dus, buiten staan (vs. 25 e.v.).
Behouden worden en verloren gaan, verkiezing en verwerping, krijgen hier in het antwoord van Christus geen rationele benadering maar worden wel helder onderscheiden. Er is dan ook maar één antwoord op de vraag of het er velen of weinigen zijn, die behouden worden: Christus prediken, dichtbij en ver weg. Want Hij alleen is de Weg door de enge poort.
Noodzaak
In mijn artikel van 4 december 'Predik het Evangelie' ('Geen verdoemenis...') ging ik al eerder in op de bijbelse notie van 'de twee wegen' in. Ik heb reden er nu nog een keer op terug te komen. Dat heeft te maken met een interview, dat mij werd afgenomen door het dagblad Trouw over 'het kwaad' in de wereld. In dat interview werd door mij aangegeven, dat Christus dè Weg is en dat 'verzoening door voldoening' door Christus in de wereld moet worden verkondigd, 'present gesteld'. Op de uitdrukkelijke vraag hoe het dan zit met mensen, die Christus niet kennen. heb ik geantwoord, dat wie in Hem gelooft behouden is en wie Hem verwerpt verloren is.
Maar hoe zit het dan met al diegenen, die nooit van Christus hebben gehoord? Wie kent hier in eigen hart niet de vragen, als men de miljarden mensen in de wereld op zich laat afkomen, voor wie dit geldt? Die vragen komen zelfs op ons af inzake mensen, die in onze straat wonen en met wie we 'goed' zijn. Een dichter verwoordde het pregnant: Mijn rechter buurman is vannacht gestorven en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd. Ik heb toen in het vraaggesprek opgemerkt, dat, wanneer ik eenmaal per jaar in het moslimland Tunesië verblijf, ik altijd die vraag existentieel naar mij toe krijg: 'Dan zie ik al die moslims en duizelt het me. Voor eeuwig verdoemd? Dat kan ik me nauwelijks voorstellen'. Hoe zóu een mens zich dat kunnen vóórstellen? ! Zo'n vraag is niet met een simpel ja of nee te beantwoorden. Ze doet het hart ineenkrimpen. Maar ik antwoordde wel ondubbelzinnig in de context van de noodzaak van de prediking van Christus in de wereld. Dan alleen is er Hoop!
Met enige verbazing nam ik dan ook kennis van een ingezonden stuk van prof dr. C. Graafland enkele dagen later in Trouw. Wat als existentiële vraag werd verwoord, vertaalde hij, naar mijn gevoel in oneigenlijke zin door, door deze beantwoording namelijk te houden tegen het licht van de Konkordie van Leuenberg, waartegen door ondergetekende steeds scherp bezwaar is aangetekend. Mijn antwoord zou met die kritiek strijdig zijn. Welnu, daarmee heeft mijn beantwoording in het vraaggesprek niets te maken. In Leuenberg wordt namelijk het credo van Dordt aangaande verkiezing en verwerping weersproken. De kerk mag zichzelf in haar credo niet tegenspreken.
Graafland deed, kennelijk vanwege dit punt, via dit ingezonden stuk, de suggestie het vraaggesprek ook in deze kolommen af te drukken. Nu hij, naar ik in krantenverslagen las, op een Impuls-bijeenkomst van de IZB hier ook expliciet op is doorgegaan en ik daarover ook brieven ontving, voel ik mij geroepen tot enige nadere toelichting.
De Leerregels zelf
De opstellers van de Dordtse Leerregels zelf laten, voorafgaand aan en ook na hun leerstellige verwoording van verkiezing en verwerping, merken, dat ze niet met een rationele beschouwing willen volstaan.
Direct in het begin wordt aan 1 Joh. 4:9 en Joh 3:16 herinnerd: Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe'. En dat Hij daarom 'goedertierenlijk boodschappers van deze zeer blijde boodschap' zendt 'tot Wie Hij wil, en wanneer Hij wil.' (I, 1-2 en 3) De wekroep tot Evangelie-prediking gaat vooraf aan de belijdenis aangaande verkiezing en verwerping.
En de belofte van het Evangelie is, dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe: 'welke belofte alle volken, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof (II, 1-5).
Van tijd tot tijd houden de opstellers van de Leerregels, vanwege vragen, die opgeworpen (kunnen) worden, dan verder zelf even de adem in.
Als alles behandeld is wijzen ze er bijvoorbeeld in het Besluit op, dat verwerping niet 'op dezelfde wijze' oorzaak is van ongeloof als verkiezing dat is van geloof. Ook wordt gezegd, dat God niet, 'door het blote en loutere goeddunken van Zijn wil, zonder enig opzicht of aanmerking van enige zonde, het grootste deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt en geschapen heeft.' Gewaarschuwd wordt tegen deze voorstelling van zaken. Wat moeten we denken als we op dit 'grootste deel der mensheid' dóór vragen? Is de verkiezingsleer in vele dogmatieken in overeenstemming met wat de Leerregels hier zeggen?
De Leerregels willen 'tot vertroosting der verslagen gemoederen zijn', zo wordt ten besluite gezegd, en willen niet aan Sophisten 'rechtvaardige oorzaak geven' om deze leer te lasteren.
Ander voorbeeld
Toen ik door het Nederlands Dagblad werd bevraagd op het ingezonden stuk in Trouw van prof Graafland, heb ik een ander voorbeeld gegeven. Wie durft zo maar een rationeel antwoord te geven wanneer het gaat om de miljoenen kinderen (bijv. in Afrika), die kort na de geboorte stierven van honger? Hier besterft ons toch ook het antwoord op de lippen? De Dordtse Leerregels spreken expliciet over kinderen van godzalige ouders, die jong sterven. (I, 1, 17) en zeggen dan, dat zulke ouders niet moeten twijfelen aan de verkiezing van hun kinderen, en wel 'uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn.' Wie hier logisch verder redeneert loopt vast. Op welke leeftijd eindigt dan deze belofte? Maar het hart kent hier z'n redenen, die de rede niet kent (Pascal).
Ik werd getroffen bij het lezen van een verhandeling van deze passage in een dezer dagen verschenen prekenserie over de Dordtse Leerregels van de hand van ds. D. Heemskerk (Garderen), getiteld 'En om Uw gunst en waarheid saam' (Uitgave F. Hardeman, Ede). Godzalige ouders mogen van het behoud van hun jong gestorven kinderen zeker zijn, zegt de (huidige) pastor van Garderen. En kinderen van niet-godzalige ouders dan? Men hoort de prediker vragen. Heemskerk zegt: 'Er zijn ook kinderen van niet-godzalige ouders, die gestorven zijn in hun jonkheid. De vaderen belijden daar niet van dat ze allemaal verloren zijn, maar godzalige ouders moeten niet twijfelen; die hebben zekerheid dienaangaande.' Hier worden vragen open gelaten. Zekerheid over de verkiezing? Tenvolle! En als het om de concretisering van de verwerping gaat: laat het dan aan God over.
Rechterstoel
Wij belijden, met de Dordtse Leerregels, verkiezing en verwerping. Gepredikt zal worden de verkiezende God, God die in Christus verkiest (Ef. 1 : 4). En waar sprake is van verkiezing zal er ook verwerping zijn. Tijdens een recente bijeenkomst van studenten in de theologie zei echter dr. C. A. van der Sluijs, handelend over het kenmerkende van de gereformeerde prediking, niet de verwerping te preken, maar Christus. Het preken van de verwerping noemde hij zelfs 'vloeken'. Nog een stap verder en we weten precies wie verworpen zijn. Zullen wij in Gods rechterstoel plaats nemen?
Na een recente promotie kwam een hoogleraar in de theologie, kennelijk geprikkeld door Gaaflands ingezonden stuk, op mij af, en zei: wanneer zullen we deze dingen eens aan God overlaten?
Wat ons betreft blijft het stamelen over deze geheimenissen.
De opstellers van de Leerregels waarschuwen de gelovige ertegen 'de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk te doorzoeken' om zo tot zekerheid aangaande hun verkiezing te geraken (I, 1, 12). Hoe zullen we dit dan doen ais het gaat om de verwerping? Hier gronden onze netten niet, zie een Katwijkse visser. De gronden zijn te diep. Zo heb ik mijn opmerking in Trouw bedoeld.
Ik belijd met Dordt verkiezing en verwerping. Én als het hart vragen heeft, die tegen de rede ingaan, zeg ik te krachtiger: Maar nu is de gerechtigheid Gods geopenbaard buiten de wet, door het geloof in Jezus Christus (Rom. 3). Deze ernst van het Evangelie schreeuwt om een missionair hart.
Het heil alleen in Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's