Kohlbrugge en de heiliging (1)
Aanleiding
De redactiesecretaris gaf mij het verzoek door van een van de lezers van de Waarheidsvriend, om enige helderheid te verschaffen in Kohlbrugge's opvattingen over de heiliging. De vragen die de lezer heeft, zijn niet maar van theoretische aard. Ze raken hem persoonlijk diep. Ik wil proberen om aan zijn verzoek te voldoen, in de hoop dat niet alleen hij maar ook anderen er wat aan zullen hebben. Drie artikelen wil ik aan het thema wijden en achtereenvolgens belichten Kohlbrugge's visie op de Wet, zijn conflict met Da Costa en zijn vermaningen voor de concrete levenswandel.
De komma
Het zal wel niemand van de lezers onbekend zijn hoe invloedrijk in Kohlbrugge's leven en prediking de ontdekking van de komma in Romeinen 7 : 14 was. Deze vondst dateert van midden 1833. Toen hij na het overlijden van zijn jonge vrouw op doktersadvies in retraite moest om de slag enigszins te verwerken - hij was nog geen dertig jaar oud - , bezocht hij het Wuppertal. Op uitnodiging van de Krummachers preekte hij meermalen in Elberfeld en omgeving, onder meer over de genoemde tekst. Bij de voorbereiding van de preek deed hij een ontdekking, die vanaf dat moment diepe sporen naliet in heel zijn oeuvre. Voor het eerst drong het tot hem door dat Paulus niet schrijft: Ik ben vleselijk verkocht onder de zonde', dus zonder komma. In dat geval zou de apostel hebben gezegd, dat hij verkocht was onder de zonde voor zover hij vleselijk was, en impliciet hebben aangegeven dat hij voor een ander deel toch ook nog geestelijk was. Maar het is nu juist die komma die recht doet aan de betekenis van de grondtekst. Daarin gebruikt Paulus namelijk het woord 'vleselijk' niet in beperkende zin bij 'verkocht', maar in absolute zin bij 'ik ben'. Wat hij zegt is dan ook: Ik ben een vleselijke, (en) verkocht onder de zonde'. En dit schrijft hij na zijn bekering en terwijl hij tegelijk naar de inwendige mens een vermaak heeft in de Wet van de Geest!
Dat ook Paulus, die toch in Christus gerechtvaardigd en geheiligd was, van zichzelf de smartelijke bekentenis moest doen een vleselijke te blijven, werd Kohlbrugge zowel tot diepe troost als verootmoediging. Het verootmoedigende was de overtuiging dat een christenmens ondanks al Gods genadebetoon toch ver onder de maat blijft van de geestelijke Wet en levenslang op goddelijke vergeving en vernieuwing aangewezen blijft. Het vertroostende was de ervaring dat de ontfermende God Zich juist tot zulke 'melaatsen' neerbuigt met de ongedachte boodschap: 'Zoals ge zijt, zo zijt ge Mij heilig. Daar niets af, daar niets toe... Gij melaatse zijt rein. Gij hebt de oude mens afgelegd. Uw oude mens is meegekruisigd, gij hebt de nieuwe mens aangedaan' (brief aan P. Drost). Hoe pijnlijk de gebrokenheid en tweespalt in het christenleven ook wordt ervaren ('Ik ellendig mens'), nochtans houdt Gods genade in Christus de overhand ('Ik dank God'). Sterker dan de neerwaartse kracht die zich in denken en daden, in driften en dromen laat gelden, is de overmacht der genade die verzoent en zuivert.
De Wet
De vrucht van Kohlbrugge's ontdekking was de geruchtmakende preek over Rom. 7 : 14, die hij in juli 1833 te Elberfeld uitsprak. De eerste volzin daarvan geeft te verstaan hoezeer hij Gods heilige Wet hoogacht: Door de gehele Heihge Schrift heen wordt door de Evangelieprediking Gods Wet in haar onwrikbaarheid bevestigd'. Kohlbrugge noemt haar de zichtbare vertegenwoordiger van God op aarde. We hebben deze wet niet alleen in ere te houden, maar vooral ook daadwerkehjk te gehoorzamen. Daar staat God op. Onherroepelijk. Maar nu is het juist op het moment dat Gods eis met de zondige mens in aanraking komt, dat er kortsluiting ontstaat. Hoe komt dat?
Kohlbrugge geeft een tweevoudig antwoord. In de eerste plaats wordt het veroorzaakt door een reactie waarin de mens zich al te vanzelfsprekend verontschuldigt met een beroep op zijn onvermogen. Kohlbrugge maakt er korte metten mee: 'Daar zal God veel naar vragen!' God schiep ons immers zo dat we Zijn Wet konden nakomen. Het is de duivel die ons dat vlotte excuus van onze onkunde toespeelt. Maar wanneer wij werkelijk ervaren dat we het niet kunnen, dan wordt het anders. Dan mogen we met al onze gebrekkigheid en zonden tot het Lam gaan dat der wereld zonden droeg en het aan Hem belijden dat we de Wet niet kunnen houden. En dan zullen we ondervinden wat Hij kan en doet. Zo wil Kohlbrugge de weg vrijmaken naar de enige bron waaraan de Wetsgehoorzaamheid ontspringt: Christus.
Van ten diepste dezelfde strekking is, ten tweede, zijn weerwoord aan het adres van mensen die precies omgekeerd reageren op de eis van Gods Wet, namelijk met de aanmatiging wél tot gehoorzaamheid in staat te zijn. Het is deze pretentie waartegen Kohlbrugge inzonderheid te velde trekt. Dat hier de spits van zijn kritiek ligt, wordt te meer begrijpelijk, als we bedenken dat hij leefde in een cultuur van braafheid en vooruitgangsoptimisme, dat voor de 19e eeuw zo kenmerkend was, en dat ook de vroomheid van het Wuppertal niet onberoerd had gelaten. Kohlbrugge's repliek is dat God inderdaad Zijn Wet gaf opdat wij ernaar zouden handelen. Maar de vraag is: hoe? God wil dat deze gehoorzaamheid geen product van onze eigen (zondige) creativiteit zal zijn, maar 'Hij wil het van de mens, uit de volheid van Christus hebben'. M.a.w., om heilig naar Gods Wet te leven, hebben we ons met al onze leegte - zo vleselijk als we zijn - bij de volheid van Christus te vervoegen. Bij Hem wordt ons verschaft wat God gebiedt. Wij dragen vrucht als een rank, die niets anders 'presteert' dan blijven in de Wijnstok. De rank betrekt zijn levenssappen uit de wingerd, en dan nog niet eens vanwege eigen trekkracht, m.aar vanwege de stuwkracht van de wijnstok. Alleen door genade komt de Wet in ons leven tot vervulling. Door de kracht van Christus, die in onze zwakheid wordt vervuld.
Maar - zo signaleert Kohlbrugge - hierop reageren wij eigendunkelijke mensen averechts, namelijk met dezelfde lichtzinnigheid als de kinderen Israels, toen ze zeiden: Al wat de Heere heeft gesproken, zullen wij doen', zonder te beseffen hoe dodelijk onbekwaam ze waren. Over deze menselijke eigenmachtigheid kan de Wet alleen maar toornen, in die zin dat ze die brandmerkt als zonde! En dit oordeel wil onze bijval krijgen. Romeinen 7 : 14 noemt Kohlbrugge in dit verband dan ook de hoofdsom van onze belijdenis aangaande Gods geboden. Vleselijk ben ik, totaal niet in staat om op eigen vermogen aan het heilig gebod te voldoen. Aan deze werkelijke stand van zaken ontdekt ons Gods geestelijke Wet, en het Kruisevangelie doet dat niet minder.
De omweg
Er vindt dus een opmerkelijke omslag plaats. Terwijl de Wet voluit gedaan wil zijn, velt zij om te beginnen het vonnis over al ons doen en bedrijf. De reden daarvan is dat onze bron vergiftigd is. Er is voor ons geen 'doen' meer aan. Het is ons zelfs verboden. 'Ge zijt uit de dienst van God puur weg, in Adam. En nu, doe wat ge wilt - het mag goed heten of kwaad - het is allemaal misgegrepen'. In Adam hebben we de handen en de voeten afgesneden en de ogen uitgestoken, en zijn we geestelijk zo zeker de dood gestorven als allen die in het graf liggen.
Buiten het geloof in Christus is er volgens Kohlbrugge dus niet alleen sprake van on mogelijkheid om de Wet te vervullen, maar vooral ook van onbevoegdheid. 'Blijf met uw vingers van Mijn orgel af Ge hebt geen spelen geleerd!' Met ons doen, ons willen en moeten, lopen we God slechts voor de voeten. Het enige wat Hij wil, is dat we bekennen door en door goddeloos te zijn. En de kern van deze goddeloosheid bestaat niet zozeer uit morele mankementen, maar veeleer hierin, dat we menen iets te kunnen en te moeten. Het is deze waan van arrogantie die de Wet ons ontneemt. Zij ontdekt ons zelfs met dodelijke afloop, waarbij wij sterven aan eigen aanmatiging. 'Dus nu de rekening gemaakt en gesloten: om zalig te leven en te sterven zij de mens bankroet gegaan'.
Maar uitgerekend daar waar onze overmoed tot ootmoed wordt geslecht, ligt de opheffing van het conflict gereed. In het faillissement gloort de winst. Want wanneer wij 'wegzinken' voor de Wet, gebeurt het 'dat de barmhartigheid Gods in Christus Jezus over ons komt'. En daar is de Wet tevreden, en wel, met Christus in ons. De Wet is immers geestelijk! Dit wil volgens Kohlbrugge twee dingen zeggen. Ten eerste dat de Wet 'overeenkomstig de Heilige Geest' is, dus van goddelijke komaf en kwaliteit. Ten tweede dat zij alleen door de kracht van de Geest kan worden vervuld. Deze Geest nu is de Geest van Christus, welke Geest ons in de gemeenschap met Hem ten deel valt. Daarom komt het voor de heiliging van het leven overeenkomstig Gods Wet volstrekt aan op de geloofsverbondenheid met Christus. Kohlbrugge wil bijgevolg met zijn gestage klem op de geestelijkheid van de Wet allerminst haar concrete gebodskarakter (spiritualistisch) vervluchtigen, maar veeleer haar goddelijk gehalte onderstrepen en meteen aanduiden langs welke weg het tot Wetsgehoorzaamheid komt: door de geloofsgemeenschap met Christus. Hiermee bedoelde hij twee wegen te blokkeren. Ten eerste die van het wettische moralisme, waarbij de mens van mening is via een Wetsonderhouding van eigen makelij zich voor God verdienstelijk te kunnen maken. Ten tweede de weg van het zorgeloze antinomianisme, waarbij men voorgeeft dat de Wet in het christenleven heeft afgedaan. Kohlbrugge gaat het daarentegen voluit om de vervulling van de Wet, maar daarbij draait het even volstrekt om het geloof in het Evangelie. 'In Christus' zal de vervulling van de Wet er zijn. Daar staat Hij Zelf voor in. Voor wie in Christus blijft, zijn alle geboden evenzovele beloften geworden: Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen' (Ez. 36 : 27). Van elk gebod maken we bijgevolg een gebed: eef wat Gij beveelt en belooft! En zolang Hij gebeden hoort, worden Zijn geboden gehoorzaamd. Luidt de aanhef van de Wet niet: Ik ben de Heere, uw God'? Beloofd is beloofd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's