Welsprekendheid
Voordracht (4)
Voordracht (4)
Aan het houden van een redevoering, van welke aard ook, gaat een aantal werkzaamheden vooraf. Deze verrichtingen zijn vijf in getal, namelijk de inventio, de dispositio, de elocutio, de memoria en de actio. Dat zijn uiteraard Latijnse namen. In het Nederlands weergegeven kunnen wij ze noemen de vinding van de stof, de rangschikking van de verschillende gedachten, de uitwerking van de diverse onderdelen, het geheugenwerk en de voordracht. Toen de prediking in de oud christelijke wereld al meer en meer rekening moest en ging houden met de eisen der retorica zijn ze ook in de theorie der prediking opgenomen.
Vooropgesteld nu dat de retorica niet over de preek gaat heersen en de dienst des Woords niet tot een soort bombastisch vertoon van welsprekendheid ontaardt, is daartegen geen bezwaar. ledere predikant moet zich nu eenmiaal houden aan de regels van taal en stijl. Hij moet logisch leren denken en spreken. Wie dat niet doet, wordt niet begrepen. Naar onze overtuiging is het één van de ellenden van onze moderne tijd, die ook hierin zijn armoede en stijlloosheid verraadt, dat menigeen tegenwoordig deze eisen verwaarloost. Wij weten wel, dat er een tijd is geweest, dat men ook op de kansel met onnatuurlijke preciesheid sprak. Er ontstond een kanseltaal, ver van de gewone taal. Uit afkeer van deze taal ging men nu aan de andere zijde weer over de schreef
Het zal nu niet veel bewijs behoeven, dat de voordracht het toppunt en eindpunt is van de vier eerst genoemde handelingen. In de voordracht komen alle werkzaamheden tevoren genoemd tot openbaring. Het spreekt geheel vanzelf, dat een vrije voordracht wel eens bedekken kan de tekortkomingen van een voorafgaande voorbereiding. Goed — dat zal incidenteel heus wel voorkomen. Maar het laat zich op de lange duur niet verbergen, dat het gebouw van de preek al te luchtig is opgebouwd. Maar dat nu daargelaten — wij gaan er van uit, dat de voordracht steunt op de vier tevoren genoemde onderdelen.
Hoe moet dan die voordracht zijn? Dat mag de eerste vraag zijn, die aan de orde is. Het antwoord daarop is, dat de voordracht een uitdrukking is van datgene, wat in de preek wordt te berde gebracht. De persoonlijkheid van de prediker spreekt daarin mee. Nu begrijpt u wel onmiddellijk wat een zegen het is als wij een open, soepele persoonlijkheid hebben. Een man, die zich gemakkelijk beweegt, goed zijn woorden en gebaren weet te kiezen. Hoe ouder wij worden, hoe meer wij beseffen, dat de voordracht van de preek bijna alles te maken heeft met de man zelf, die spreekt. Een vlotte persoonlijkheid kan een magere preek laten stralen. Een houterige man kan een indrukwekkende preek eenvoudigweg verknoeien door zijn schutterige voordracht. Het mag dus ons streven zijn ook aan persoonlijkheidsvorming te doen, als het maar nooit tot toneelspel ontaardt. Wij kunnen dit punt ongeveer samenvatten op de volgende manier en het dan aan uw eigen gedachten overlaten. Een adelaar zal zich niet als een mus behoeven te gedragen. Hij mag zijn adelaarsvleugels uitspreiden en de gemeente meenemen in zijn vlucht naar de Alpentoppen. Maar een mus moet zich niet gedragen als een adelaar. Het gaat er om enige zelfkennis te verkrijgen voor Gods aangezicht en dienovereenkomstig zich te gedragen. Echtheid en natuurlijkheid zijn begerenswaardige eigenschappen.
Om zulk een vrije natuurlijke voordracht te verkrijgen bestaan er verschillende hulpmiddelen. Daar is in de eerste plaats de stem. Laten wij zuinig zijn op onze stem. Deze moet zeker voor iemand die tientallen jaren moet spreken worden gevormd. Alle wanklanken en belemmeringen moeten zeker worden vermeden. Een zweem van dialect kan geen kwaad, maar het dialect mag niet overheersen. De grondtoon van onze stem moet in onze macht zijn, dan kan voorts alle eentonigheid bestreden worden. Natuurlijkheid en beschaving komen op de voorgrond. Een stem kan wonderen doen. Het is niet waar, dat de voordracht er niet toe doet, als de inhoud van de preek maar goed is. Dat laatste is wel waar en goede preken houden het langer uit dan lege preken, maar het valt niet mee om aldoor naar preken te luisteren die door de kerk heen schallen als een trompet.
Met de verzorging van de stem gaat gelijk óp de aandacht voor het gebaar. Er staat geen stalen buis op de preekstoel, noch minder een molenwiek. Daartussen ligt het evenwicht. Natuurlijke zelfbeheersing bewaart ook voor het eentonige gebaar of voor voortdurend hetzelfde woord. Wat dat laatste betreft — de gemeente gaat een gedurig herhaald woord vanzelf tellen. Nu is de een stijf, de ander vormelijk, een derde beweeglijk. Het mag er allemaal zijn, mits wij bewaard worden voor alle theatereffect. Er staat geen olifant op de kansel, maar evenmin een mier. De voordracht moet in overeenstemming zijn met de woordinhoud; de ambtelijke onderwijzing en bediening van het Woord Gods vraagt in de vorm zuiverheid, waardigheid, eerbied; zo moeten vorm en inhoud bij elkaar behoren; het zuivere Woord van God moet in een daarbij passende vorm, die van diepe eerbied getuigt, worden gebracht.
Ook noemen wij nog het taalgebruik. Elke kerkganger voelt zomaar aan, dat de taal van de preek aan hoge eisen moet voldoen. Niet alleen ontwikkelde gemeenteleden, maar ook eenvoudigen keuren het af wanneer de prediker onverzorgde taal bezigt. Het gaat daarin niet om een aristocratisch woordgebruik, noch minder om een platte volkstaal. Neen, gezonde klare taal, die een heldere gedachtengang bevat wordt bovenal aanbevolen. Wij kunnen daarin veel leren van goede schrijvers. Trouwens, het lezen van preken uit oudere perioden en nieuwe tijden is nooit uit den boze. Vanzelf kunnen dan onze gedachten gaan werken. Automatisch voelen wij aan, wat verouderd woordgebruik is en wat te gewaagd is. Wij hebben toch zulk een schat aan goede boeken. Waarom niet eens gedacht aan werken uit de wereldliteratuur?
Wij hebben tegenwoordig in de kerk een geweldige concurrentie te duchten van radio en televisie. Het is wel waar, dat wij tegen deze media weinig vermogen. Wij hebben een geheel eigen boodschap. Maar wij moeten die boodschap dan toch wel zo goed mogelijk brengen. Nu munten de media niet aldoor uit op het punt van taalgebruik. Des te meer moeten wij het doen. Laat eenieder daarin handelen naar beste vermogen. Een gemeentelid, met wie wij wat nauwer verkeren, kan ons soms in alle liefde attent maken op vreemde aanwensels in taal of gebaar. En wat denken wij in dat punt van onze eigen gezinsleden? Onze echtgenote kan ons in dit opzicht behulpzaam zijn.
Het gaat dus in een goede voordracht om een open persoonlijkheid, om de verzorging van de stem, het gebaar en de taal. Uit deze opmerkingen valt al af te leiden, dat de dienaar des Woords zijn preek moet opschrijven, of althans ruime aante keningen moet maken. Enkelingen kunnen zonder notities spreken. Dat zijn de buitengewoon begaafden. Maar voor verreweg de meesten is het beslist nodig te schrijven of te typen. Het schrijven bewaart ons voor lange uitweidingen. Het voorkomt ook, dat wij de draad kwijtraken. Wie een preek schrijft verzorgt de taal beter, bewaart zichzelf voor stokpaardjes rijden. Trouwens, het schrijven geeft acht op de lengte van de preek. Wie zomaar zonder papier of aantekeningen spreekt, ontdekt dat hij gaat freewheelen. De babbelkunde begint daar.
Een gevaar is er, dat u uw preek als een akte van de notaris gaat oplezen. De preek wordt droog en dor als gort. Leg daarom op uw bureau eens foto's van mensen uit de gemeente en doe alsof u tot hen spreekt. Heus, het helpt. Uw schrijftaal wordt spreektaal. Gaat u dan in de loop van de week uw preek in het geheugen zetten, dan wordt de preek uw geestelijk eigendom. Dan hindert het op de preekstoel niet als een bepaalde gedachtegang niet wordt genoemd. Er komt geest en leven in uw ziel. Geleidelijk aan komt er meer vrijheid, meer zelfbeheersing. Door de voorafgaande voorbereiding ontstaat een natuurlijke zekerheid. Het is de ervaring van menige collega geweest dat allengs de kanselvrees plaatsmaakte voor de kanselblijdschap. De schoonste dingen groeien langzaam.
Wel dus papier op de kansel! Mensen met singuliere gaven behoeven geen notities. Ik weet het wel — 't gaat niet om het papier, maar om de gedachten. Maar het papier is wel een leidraad. In de Gelderse hoofdstad Arnhem rijden de trolleybussen. Deze bussen zijn met een bovenkabel verbonden. Zo rijden ze door de straten. De chauffeurs kunnen vrij manoeuvreren. Maar die bovenkabel voedt ze met stroom. Zonder stroom gaan ze niet. Dat nu is de dienst van het papier. Er is enige ruimte om af te wijken van het papier. Je mag ook verdergaan dan wat op het papier stond. Maar toch is het papier dienstig als een waakhond. Denkt er om, de tijd gaat voort, de hoofdlijn moet worden bewaakt. Uw gehoor zal er dankbaar voor zijn.
In één van onze gemeenten woonde een vrouw met een helder verstand, 't Was ons al eens opgevallen, dat ze zo nieuwsgierig naar de predikant keek, wanneer hij naar de preekstoel liep. Toen wij vroegen waarnaar zij dan keek, antwoordde ze: Ik let op of hij een preekboekje bij zich heeft. Dat preekboekje is een werkboekje. Ik heb opgemerkt, zei ze, met een schalkse glimlach, dat een preek met boekje meestal beter is dan een preek zonder boekje...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's