De tijd van de grote mannen
In het laatste nummer van Koers stond een lezenswaardig interview met Marinus Danker, behorend tot de oud-gereformeerde gemeente in Den Helder en in het interview voorgesteld als 'de laatste der ledeboerianen'. Hij zegt over zijn eigen kring:
'We zijn onder ambtsdragers heel wat charisma kwijt geraakt. Van der Poel, Smits en Du Marchie waren persoonlijkheden. Ook in andere kerkverbanden zie je die ontwikkeling. Naarmate de twintigste eeuw verstrijkt, zie we minder charisma. De christelijke gereformeerden hebben geen Wisse meer, de hervormden geen Tukker en de Gereformeerde Gemeenten geen Kersten en Vergunst'.
Op zich is deze constatering niet nieuw, maar ze kan wel als kapstok dienen voor wat ik hier over 'de tijd van de grote mannen' wil schrijven.
In dit nummer wordt uitgebreid aandacht gegeven aan één van de 'grote mannen' uit de kring van de Gereformeerde Bond in het recente verleden. Het is op 17 januari a.s. vijfentwintig jaar geleden dat ds. G. Boer overleed. Dankers noemt ds. W. L. Tukker. Hij had ook ds. Boer kunnen noemen. Waarbij dan overigens maar direct moet worden gezegd, dat het hier om twee mannen gaat met een heel verschillend charisma: ds. Tukker priesterlijk, ds. Boer profetisch. Deze typeringen zijn uiteraard te zwart wit. Maar wie beiden gekend heeft, in de prediking en in de omgang, zal deze typering herkeimen en beamen.
Volmacht
Wat betekende ds. Boer in het geheel van de hervormd gereformeerde beweging en in het geheel van de kerk? Toen ik nog eens na las het in memoriam, dat ik na zijn overlijden in De Waarheidsvriend schreef, kwam ik tot de conclusie dat ik daaraan geen woord had toe te voegen. Elders in dit nummer is het nog eens afgedrukt. Nu ik echter na vijf en twintig jaar nog eens terugblik, ga ik nog even verder door op wat Dankers zegt in verband met het minder worden van 'charisma':
'Dit kan tot gevolg hebben dat predikanten minder durven en zich onwillekeurig meer naar het gehoor gaan richten. Ook een dominee is geneigd te zeggen wat van hem wordt verwacht. Hij wil geen heibel met de kerkenraad. Je moet heel sterk in je schoenen staan wil je die verleiding kunnen weerstaan.'
Ik zou willen zeggen, dat het weerstaan van genoemde verleiding om het de hoorders of de kerkenraad naar de zin te maken, nu juist met de volmacht van de prediking is gegeven. Wie de prediking van ds. Boer heeft gekend, heeft ervaren dat deze in zijn prediking niets of niemand ontzag of behaagde. Zijn prediking was profetisch, omdat deze opkwam uit het profetische Woord, majesteitelijk, indrukwekkend. Daarin en zó was hij niet de enige, maar wel heel markant. In zijn prediking heeft hij mensen op de Weg gebracht en op de Weg verder geleid. Er is maar één echt dóór-brekende preek nodig in het leven: De Heilige Geest samen met de Vader en de Zoon eeuwig God maar ook mij gegeven (H.C. zondag 20). Klein Pinksteren.
In rapport met de tijd
De prediking van ds. Boer was bovendien tijdprediking, prediking in rapport met de tijd. Zijn oor lag te luisteren bij de Schrift maar ook bij wat er onder de mensen om ging en bij wat er theologisch omging en bij wat er maatschappelijk aan de orde was. Ook zó was zijn prediking profetisch. Eigenlijk was Boer ook een modern mens. Niet in de modieuze zin van het woord maar in de zin van eigentijds. Nooit afgesleten, altijd in verstaanbare en daarom ook niet mis te verstane taal. In dit alles lag met name het geheim, dat hij de aankomende generatie studenten in de Gereformeerde Gezindte zo veel te zeggen had. De emancipatie van de Gereformeerde Gezindte had een aanvang genomen met het gaan studeren van jongeren aan de onderscheiden universiteiten, te beginnen met de T. H. in Delft. Boer stond daar midden in en was voor velen een hoopgevend voorbeeld van een bijbels, gereformeerd, bevindelijk theoloog, die midden in zijn tijd stond en geen vragen schuwde.
Christus en de Heilige Geest
Wanneer we ds. Boer als theoloog weer in onze herinnering halen moet vooral het licht vallen op zijn hartstochtelijke inzet voor de léér van de Verzoening en de bediening van de verzoening in de prediking. Het boekje, dat toen van zijn hand verscheen. De prediking van de Verzoening, is vandaag nóg of liever wéér uiterst actueel. Hij zou in heilige verontwaardiging zijn uitgebroken over het vertreden van de heilige leer aangaande de verzoening in onze tijd.
Hij mag met name echter ook een theoloog van de Heilige Geest heten. Dat bleek toen de Pinksterbeweging in de zestiger jaren van zich deed spreken en de Hervormde Kerk een (uitstekend) geschrift uitgaf 'De kerk en de pinksterbeweging'. Ds. Boer schreef daarover indrukwekkende artikelen in De Waarheidsvriend. Hij nam het appèl, dat inzake het werk van de Heilige Geest op de Gereformeerde Gezindte uitging, op. Omdat hij geestelijke verschraling en verdorring duchtte. Direct in het begin schrijft hij het volgende:
'Is er niet de eeuwen door in de kerk" een vurig verlangen geweest, dat de Heilige Geest het geheel van de kerk doortrilt en doortrekt? Zijn eigenlijk niet alle kinderen Gods, voorzover zij direct gemeenschap met Christus hebben, altijd verlangend geweest naar nieuwe uitstortingen, doorwerkingen en doorstromingen van de Geest? Ook nu zijn er, die leed dragen over de toestand van de kerk en vurig begeren, dat de Heere een opwekking mag geven.
In de loop van de eeuwen zijn er allerlei groepen en kerken ontstaan, die de kerk in haar aardse onheiligheid en wereldgelijkvormigheid niet langer konden verdragen. De volle nadruk viel en valt dan op de heiligheid van de kerk. Wij zien dat doorwerken in onze tijd tot en met de scheuring van de gemeente Ede, waar ds. G. M. van Dieren vanwege de onheiligheid van de gemeente buiten die gemeente komt te staan. Dat is de grote tragiek in de kerkgeschiedenis, dat mensen en groepen, die ijveren voor de heiligheid van de gemeente, de spanning en de tocht niet aankunnen en zich afzonderen van het geheel. Op deze wijze werken zij onbedoeld mee aan de verdere onüuistering van de gemeente Gods op aarde, omdat binnen één of twee generaties dezelfde vragen ook in die groepen weer aan de orde zijn.
Hun bedoeling was en is grotendeels zuiver. Zij begeren een warme levende gemeente, 't Gaat hen om de aanwezigheid van God in Christus door de Heilige Geest. Zij lijden onder de grote logge lichamen die de kerken en de gemeenten vaak zijn en begeren het tintelend Pinkstervuur in harten en hoofden, in gemeentesamenkomsten en prediking. Deze bedoeling is uit God, want zij is naar de Schrift, hoezeer men in de verwerkelijking van deze bedoeling soms dwaalt.'
Ten aanzien van Pinksteren als heilsfeit schrijft hij, dat 'Pinksteren in veel opzichten enig en onherhaalbaar is'. Maar: 'het hart van Pinksteren is altijd opnieuw: het gedoopt worden of vervuld worden met de Heilige Geest'. Het is 'beslist niet waar', dat die doop met de Heilige Geest vandaag niet meer 'nodig of werkelijk' is. Hoe vaak klonk trouwens niet in zijn prediking de vraag: gemeente, is er groei? 'U kunt het met het manna van gisteren niet doen'. En zo gaf hij ook de geestesgaven een plaats in 'de groei in het geloof. Letterlijk zegt hij: 'De heilsfeiten zijn onherhaalbaar, maar de daarmee corresponderende heilsorde blijft. Christus blijft één, het geloof is één, maar de groei in het geloof gaat niet alleen geleidelijk, maar ook door crises en snijpunten'. En over de Geestesgaven zegt hij concreet:
'Intussen leert 1 Cor. 12 : 1, dat Paulus geen onkunde wil ten aanzien van de Geestesgaven. Deze onkunde bij de Corinthiërs stamde niet uit gebrek aan ervaring met deze Geestesgaven, maar uit een verkeerd gebruik. Zij lieten zich niet leiden door de liefde en hadden daarom geen recht inzicht in de éénheid van al deze Geestesgaven.
Hun onkunde is van geheel andere aard dan onze onkunde. Onze onkunde komt vaak voort uit het ontbreken van deze Geestesgaven in de gemeente. Wij zijn zoveel van het apperatuur van de Heilige Geest kwijk geraakt. Daarop komen wij nog wel terug. Maar onze onkunde inzake deze Geestesgaven is verbijsterend. Daarin hebben de mensen van de Pinkstergroepen grotendeels gelijk. Wij lezen en herlezen 1 Cor. 12 en 14 aan tafel, maar wie komt tot de smartelijke ontdekking: Waar is dit alles gebleven? Wanneer wordt er uit deze hoofdstukken gepreekt? Wij belijden de bijbel als Gods Woord, en dat is waar. Maar functioneren deze en andere hoofdstukken mee in ons geestelijk leven? Met welk een smaldeel van de Heilige Schrift stellen wij ons vaak tevreden? Gehele stukken van de Schrift blijven soms gesloten. Dat klaagt ons aan. Dat drijve ons ook tot het gebed om deze hoofdstukken te mogen verstaan!'
Tijd
Als we terug denken aan 'de tijd van de grote mannen', kunnen we de nadruk ook leggen op hun tijd. Hoe was het tijdsbeeld toen. Dankers zei: 'Ik ben geen cultuurfilosoof, maar volgens mij is die verschraling er ook in de politiek. Waar zijn de grote mannen als Colijn, Romme en Oud? Soms mis je dat charisma. Nu is het anderzijds natuurlijk ook de vraag of grote mannen altijd een zegen zijn'.
Inderdaad, ook in de politiek zijn de grote mannen van weleer verdwenen. Wat is er echter de laatste vijfentwintig jaar niet enorm veel veranderd als het gaat om de tijdgeest. De kaalslag van de ontkerstening en de ontkerkelijking heeft zich aangrijpend doorgezet. We passeerden de grens van meerderheid naar minderheid als het om (nominaal) christendom gaat in dit land. 'Paars' diende zich aan. Er waren aangrijpende verschuivingen in de ethiek, in 'normen en waarden'. En nog is het einde niet.
De invloed van de ontbindende verschijnselen in de samenleving liet zich ook in de kerken gelden. Met alle reactieverschijnselen vandien, met name ook in de rechterflank van de kerken. Behalve verschuivingen vanwege de secularisatie, was er ook sprake van evangelicalisering, noem het EO-isering, en refoisering. Met dit alles nam de verscheurdheid van het kerkelijk leven nog verder toe en diende zich nieuwe polarisatie aan. Hoe zouden, zo kan men dan ook vragen, de mannen van toen in deze tijd hebben gestaan?
Daar komt bij, dat zich ook in kerkelijke kring een bepaalde vorm van democratisering heeft doorgezet vanwege de mondigheid, waarin en waartoe de moderne mens als het ware wordt opgevoed. In de tijd van de zogeheten grote mannen konden deze soms zonder breed overleg beslissingen nemen of zelfs in bepaalde gevallen hun opvolger nog aanwijzen. Die tijd is voorbij. Ieder komt om zijn (inspraak) recht.
Heeft echter de mondigheid en de daarmee gepaard gaande democratisering de uitoefening van het predikambt ook niet wezenlijk beïnvloed? In de jaren, dat ds. Boer deel uitmaakte van het bestuur van de Gereformeerde Bond, was de discussie aangaande het ambt volop gaande in de kerk. Ds. Boer verzette zich ook met hand en tand tegen de devaluatie van het ambt tot een functie. Maar meer dan wordt toegegeven heeft de devaluatie van het ambt ook in gereformeerde kring toegeslagen. Daartegen helpt niet de extra accentuering van het gezag van het ambt, zonder dat daarmee innerlijk gezag gepaard gaat. De vraag is vooral of deze devaluatie ook niet gevolgen heeft gehad voor de volmacht van de prediking. Ook in de prediking kan, bewust of onbewust, het oor worden geleend aan de hoorders, zodat rekening wordt gehouden met wat de gemeente (nog) verdraagt of aanvaardt, ter linker of ter rechter zijde. Het verflauwen van de volmacht zou wel eens mede de crisis der prediking kunnen bepalen. Wat 'mag' en 'kan' de dominee nog zeggen? Heeft er in dat opzicht de laatste vijfentwintig jaar niet een geruisloze verandering plaatsgevonden?
Vandaag
Het is een volstrekt irrelevante vraag hoe 'de grote mannen' uit het verleden, waaronder ds. G. Boer, het vandaag zouden hebben gedaan. Laten we hen ook niet overschatten. Ze waren met hun gewaardeerde gaven ook weer mensen van hun tijd met hun gebreken.
Zij leefden in hun tijd. Ze waren ook mensen in hün tijd. Ook zij werden overigens in hun tijd tegengesproken. Ds. Boer heeft me vaak gezegd, dat hij leed aan mensen bij wie hij het dichtst stond en die hem in zijn bedoelingen het meest miskenden. Wij leven in déze tijd. We mogen hun geloof en wandel navolgen. Intussen zijn we geroepen vandaag eigentijds gereformeerd te zijn. Dan behoeven we — leerden we van ds. Boer — geen plek te schuwen om met het getuigenis van de Schriften, in de weg van de gereformeerde belijdenis, in te gaan op nieuwe vragen, die in hun tijd niet speelden. Zij gingen er ons ook in voor ons te verzetten tegen dwalingen vandaag, die weliswaar nooit nieuw zijn maar in eigentijdse vorm terugkeerden.
We vatten, als het om ds. G. Boer gaat, samen wat de kern van zijn arbeid onder ons is geweest. Hij was een profetisch getuige, met name in de prediking. Zijn hartstocht lag in de bediening der verzoening. Als zodanig was hij voluit theoloog van de Verzoening. Maar in alles was hij ook de theoloog van de Heilige Geest. Samenvattend: theoloog en dienaar van Christus en Zijn Geest. In zijn prediking bleef hij nooit in het voorwerk steken, laat staan in een toeleidende weg. Het ging hem om bekering maar ook om voortleiding, groei op de weg van de bekering. En zo was hij ook steeds daar, waar het om het vernieuwende werk van de Heilige Geest ging.
Ds. Boer heeft aan de kerk geleden, omdat hij midden in de kerk stond: 'De bond mag sterven, maar de kerk zal leven'. Daarin vinde hij navolging. Geve God ons nieuw charisma, als gave van de Geest, om in de volmacht van de Geest, in het spoor van het voorgeslacht in deze tijd te staan.
En tenslotte: grote mannen? Ds. Boer placht te zeggen: Adamskinderen, alles wat er meer is is genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's