Discipelschap
Openingswoord predikantenconcio te Driebergen
Er wordt onder ons nog regelmatig gestudeerd en geproduceerd. Wij' denken in dit opzicht aan een aantal dissertaties, die in het afgelopen tijdperk verschenen. Een paar vakgebieden werden daarin belicht. Enkelen schreven boeken, die detailonderwerpen aan de orde stelden. Voor sommigen was er gelegenheid op meer stichtelijk gebied wat naar voren te brengen. Zij schreven meditatieve lectuur. Maar voor de overgrote meerderheid onder ons was er geen gelegenheid publicitair bezig te zijn. Zij hebben de handen vol aan preekarbeid en pastoraat. Zij dienen doorgaans in grote gemeenten en zij zijn blij wanneer zij het noodzakelijke werk af kuimen krijgen.
Tot hun troost zij opgemerkt, dat het ook echt niet noodzakelijk is, dat een ieder van ons persarbeid voortbrengt. Integendeel — het komt per slot van rekening op een ander punt aan. Hoe zeer ook studie haar plaats mag hebben, er is wezenlijk iets anders nodig. Wij behoeven in de kerk voor alles het discipelschap van Christus. Dat geldt voor predikanten en gemeenteleden beiden. Wij tasten daarmee naar de diepte. Functioneert het leerling van Christus zijn meer en meer, dan zal menige breuklijn worden opgeheven onder ons, menige dwaling tot einde komen en het geloofsleven niet weinig worden verdiept. Over dit discipelschap willen wij nu een paar opmerkingen maken.
I. Onze eerste opmerking betreft de aard van de discipel. Het Griekse woord mathètès betekent een leerling, die voortdurend nieuwe stoffen in zich opneemt. Discipelen noemde men jonge mensen, die bij een Schriftgeleerde in de leer waren. In het Palestijnse Jodendom verzamelden de rabbijnen leerlingen om zich heen, die zij in de wet, vooral in de uitlegging en casuïstische toepassing van de diverse wetsbepalingen onderrichtten. De leerlingen in de wet moesten hun leraren voortdurend vergezellen en dienen. Hier speelt heel sterk een persoonlijk element een rol. Een levende omgang en betrekking. Als zodanig is er een groot onderscheid tussen de student van heden en de discipel van toen. De student gaat het om wetenschappelijke vakkennis, de discipel opent zich voor de invloed van een persoon. De student is op een academie of heeft er althans verbindingen mee. De discipel heeft een leermeester. De student heeft van huis uit een zekere sceptische, kritische houding tot zijn leraren. Het geldt bijna als het ergste wat men van hem zeggen kan: hij dweept met zijn leraren. Voor de discipel is zijn leraar van huis uit een absolute autoriteit. Hij ziet in hem niet alleen de leermeester, maar ook de opvoeder. Het is de hoogste lof voor de discipel als men van hem zegt: hij houdt zich onvoorwaardelijk aan de woorden van zijn leraar. Jezus heeft toch gezegd: één is onze Meester, namelijk Christus, de ene Vader in de hemelen, de ene Leidsman!
Zien wij wel, dan laat zich uit deze kenschets van de discipel al opmaken, hoezeer hier sprake is van een warme levensrelatie. Alle rationalisme is daar vreemd. Integendeel — hier speelt geen intellectualisme een rol, maar levende persoonlijke omgang, die continue wordt verdiept.
II. Onze tweede opmerking wijst ons op de gemeenschap van het discipelschap. Studenten staan altijd wat op een afstand van de professoren. Er heerst daar een zekere reserve. Discipelen daarentegen leven in onverbrekelijke gemeenschap met hun leermeester. Er is navolging. De student leeft meest van boeken, waarin de wetenschap ligt opgetast, de discipel teert op gesprekken, hij ervaart de wijsheid van de leermeester in een nauwe omgang. De leermeester vat het onderwijs samen in een paar woorden. De discipel leert dat zodanig uit het hoofd. De rechte discipel is een regenbak, waaruit geen druppel water wegvloeit. De discipel reciteert. De discipel memoriseert. Zo ontstaat de traditie, die meegedragen wordt, van geslacht op geslacht. Bij de discipel is het pand, dat ons toebetrouwd wordt levend aanwezig. Zo kun jij je erin verdiepen en het overal mee naar toe nemen. Ja, je kunt dat pand de eeuwen door overleveren.
Het komt ons voor, dat de student niet zozeer memoriseert van het ongeschonden over te leveren. Neen, hij discussieert en confereert, met de onderliggende gedacht het te kritiseren. Niet zozeer het aangereikte geldt hier, als wel het zelf voortgebrachte, dat vaak haaks op de traditie staat. Het humanum is meer in tel dan het divinum.
III. Dat brengt ons tot de derde opmerking: de discipel staat midden in de levenspraktijk. Ook hier hebben wij een merkwaardig contrast met de student. De discipel is daar waar de zon schijnt en de wind waait en de zee stormt. De student daarentegen heeft iets merkwaardigs aan zich, iets afgetrokkens. De student gaat het leven in met een geweldige hoeveelheid onverwerkte wetenschap. Hij heeft soms veel bla-bla. De discipel heeft slechts kennis van een beperkte omvang, maar deze kennis is geïncorporeerd in vlees en bloed. De student sjouwt immer met pro blemen rond, de discipel heeft levensregels. De student beweegt zich in bleke theorieën, de discipel staat als christen midden in het bonte leven. Hij heeft een levensopdracht. Hij is steeds daar waar de meester is. Hij volbrengt de wil des Vaders. Hij buigt voor Zijn waarheid. Bij de student overheerst het papier, het boek, de computer en de scriptie. Hij leeft in' de moderne cultuur. Hij ziet veelszins door zijn bril omhoog. De discipel weet van transpiratie, inspiratie, desperatie en depressie. Hij is veelszins neergebogen.
Er gaapt dus een grote kloof tussen student en discipel. Op zijn best wordt een student een discipel en blijft dat levenslang. In de Handelingen der Apostelen heten allen die aan Christus geloven discipelen. En in Antiochië worden de discipelen voor het eerst christenen genoemd. Deze tweespalt tussen student en discipel gaat de gehele kerkhistorie door. Het sijpelt nog door onze gemeenten heen en het zit diep in ons theologisch hart. Het bepaalt de antieke oudheid en het moderne denken. Wij zijn van mening dat het ook leeft op de achtergrond van het Samen op Weg-proces.
Wij willen een voorbeeld geven uit de moderne wijsbegeerte. Van 1629-1649 woonde in ons' land de beroemde grondlegger der moderne wijsbegeerte, de Fransman Cartesius. Hoewel hij zich onderwerpt aan de rooms-katholieke kerkleer, erkende hij slechts één gezaghebbende werkelijkheid: het zelfbewustzijn. Het wezen van het Ik is volgens hem het denken, waarmee hij dit denken als breder begrip hanteert. Daaronder vallen ook voelen en willen en andere bewustzijnsvermogens. De mens is de maat van alle dingen. In deze Cartesius ontmoeten wij nu de student pur sang. Je zou hem de vader van het dualisme kunnen noemen, het nationalisme en het individualisme.
Haaks daartegenover zetten wij Blaise Pascal. Bij hem komt de discipelgedachte imponerend naar voren. Cartesius denkt en denkt. Pascal buigt en buigt diep voor de God der openbaring in Jezus Christus. Terwijl Cartesius in de nevelen van het cogito ergo sum ergens verdwijnt, blijft Pascal dichtbij Jezus. Eén van de laatste zinnen uit zijn memorial is immers zijn gebed: Dat ik nooit meer van Hem verwijderd raak! Ziedaar, beste broeders, wij wilden deze twee denklijnen eens aan-en voorleggen. Uiteraard spreken wij geen kwaad woord van zinvolle studie. Maar wij houden alleen vol, dat een eenvoudig geloof wel kan omvatten, wat geen verstand bemachtigen kan. De student peinst en peinst en peinst. De discipel zegt aldoor: amen, amen, amen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's