Globaal bekeken
In dit nummer wordt teruggeblikt op het leven en de arbeid van ds. G. Boer (1913-1973), die van 1966 tot 1969 voorzitter was van de Gereformeerde Bond. Hier volgen enkele fragmenten uit geschriften van ds. Boer.
• Bediening der verzoening
'Wij zijn dienaren van deze verzoening. Dat betekent: geen apostolisclie successie, maar een successie in het Woord, gebonden aan God, aan zijn Woord en aan zijn Heilige Geest. Daarmee is gezegd, dat de prediking aan God hangt. Het woord der verzoening is het woord, dat de verzoening tot inhoud heeft. De taak van de dienaars is dus dat woord te bewaren. Dit bewaren is geen conserveren, maar er een worstelend mee bezig zijn.
Dit houdt in naar het woord van Luther: studeren, stof inademen en bloed zweten. Het betekent ook: erin staan. Er helemaal op betrokken zijn, er zelf uit leven, erdoor overweldigd worden. Want dit woord - hoezeer gegeven in Mozes en de profeten, Christus en de apostelen - overkomt ons telkens opnieuw. Het neemt ons mee naar een plaats, waar wij het soms uitschreeuwen van pijn.
Jesaja wist ervan. Hij verstond, dat alles niet vanzelf ging. Dat woord der verzoening kan ons geducht bezeren, wanneer wij daarmee in de tegenwoordigheid Gods komen, waar niet alleen de zonde van het volk, dat aan onze zorgen is toevertrouwd, bloot komt, maar ook onze eigen ongerechtigheden. Hier wordt de verzoening, wat het in wezen is: aangeraakt worden met een kool van zijn altaar Juist in de schroeihitte van de tegenwoordigheid Gods komt de verzoening openbaar als de wegneming van onze ongerechtigheden. Dit is een wegnemen met een en al verbazing over de heiligheid en de grootheid Gods. Wonderlijk, de aanvankelijk aarzelende Jesaja gaat dan gaarne met het Woord Gods tot het volk. De tegenwoordigheid Gods maakt ons dus gewillig om deze verzoening uit te dragen. Wie bij de mensen over de verzoende en verzoenende God wil preken, moet eerst op Gods spreekuur geweest zijn. Dat is een doorgaande les voor alle dienaren der verzoening. En de ervaring is, dat hoe feller de nood is, des te rijker de ontvouwing is van de verzoening. Wie in deze dienst der verzoening God liever heeft dan zichzelf, zal daarvan zelf de rijkste vruchten wegdragen.
Daarmee is tegelijk gezegd, dat wij het hebben af te leren grote cirkels te maken rondom de verzoening. Dat is dus de erkenning, dat er wel een mysterie der verzoening is, maar wij komen er niet in, draaien er omheen. Zoals verwacht mag worden, doen wij dat op een rechtzinnige wijze, maar wij komen er niet in. Wee ons, wanneer de nood daarvan niet telkens schrijnend gevoeld wordt. Wie in de prediking der verzoening niet in die dienst kan inkomen, voor hem blijft er maar één weg over: naar Hem, die die dienst der verzoening toevertrouwde en wel met de zielsdoorborende aanklacht en de smeking, dat God erbij zij.
Daarbij valt het op, dat de Heere Jezus en de apostelen nimmer cirkels maken in de prediking, maar recht op de man af spreken. Deze cirkels kunnen gemaakt worden in de wensende zin of in de beschrijvende zin. Wanneer wij in de wensende zin blijven steken, komen wij niet toe aan het appèl op de harten en de conscienties van de hoorders. Wanneer wij in het beschrijvende blijven steken zonder de mensen in de tegenwoordigheid Gods te trekken, stompen wij de conscienties van de mensen af.
Zo vaak blijven wij steken in wat ik het voorwerk zou willen noemen, het bereiden van de bodem, de toeleidende weg en de kenmerken daarvan. Dat is een zeer ernstige bedreiging van de prediking van de verzoening. Immers dan wordt vaak, zonder dat men dit bedoelt, positie gekozen in de mens en de enige plaats: nl. vanuit God in Christus de verzoening te preken, verlaten.'('De prediking der verzoening')
• Geschiedenis
'Weet u waar je zo vreselijk moe van wordt? Van al die commentatoren, van al die mensen, die commentaren geven. Het is altijd hetzelfde lied: het koninkrijk hier en nu: altijd dezelfde illusie: dat wij een Paradijs op aarde gaan stichten: altijd dezelfde gedachtegangen waarvan ge tenslotte gaat gruwen. Want er zit geen perspectief in. Het is opgesloten in die enge cirkel van ons bestaan, waar de mens z'n doodsdrift uitleeft op allerlei wijze. Gemeente, wie opent uw en mijn geschiedenis, wie opent de rol van de geschiedenis? Johannes wist het niet. Toen het hem gevraagd werd, in Openbaring 5, stond daar in ééns een Lam, als geslacht, aan Wie de boekrol van de geschiedenis, ook van de afzonderlijke levensgeschiedenissen werden overgereikt. Johannes weende, omdat er nooit een eind scheen te komen aan de kwelling van het komende en het volgende en het voorbijgegane geslacht; als de vragen als in een vicieuze cirkel altijd maar weer op dezelfde wijze terugkeren. Maar, gemeente, wij mogen wel rondplonzen, maar Hij ontrolt het boek van de geschiedenis, als een lééuw zo sterk: en als een lam zo zwak. Dat is de combinatie Gods: als een leeuw zo sterk, als een lam zo zwak. Wie ontraadselt uw en mijn levensgeschiedenis? Wie geeft er kop en staart aan? Begin en einddoelstelling en vulling? U kunt uw hele leven werken als een paard, u kunt uw hele leven studeren met al de krachten en inzet die ge hebt, u kunt alles op aarde binnenhalen aan vermaak en genot, er is niemand die ons levensraadsel ontwart. Alleen het Lam, dat een leeuw is, een leeuw die het Lam is. Kent gij dat Lam? Ooit gestaan voor die volstrekte geslotenheid? Zo dat ge er zelf buiten viel, dat ge er geen begin en geen eind aan kon krijgen? Want de openbaring van dit Godslam is een zo groot wonder in de Schrift, dat ge zegt: hoe bestaat het. Dat Hij het raadsel van de geschiedenis oplost!
Ook van de wereldgeschiedenis, van de moeiten der kerkgeschiedenis, ook van de geschiedenis van de gemeente waar wij wonen. Ook van de geschiedenis van ons kleine mensenleven.
En als Johannes dat ziet dan hoort hij een nieuw lied. Ze zongen een nieuw lied. Hallelujah, Hem die op de troon zit en het Lam! Wij zingen zo vaak dat oude lied: wat was die man nog jong, wat was die vrouw nog jong, wat had hij of zij nog veel kunnen betekenen. En wij zingen het lied van ons verdriet. Wij zingen het lied van onze nood en van onze ellende.
Gemeente, ook dat hoort erbij. Maar wie Jezus Christus bezig ziet in het geheel van de wereld en kerkgeschiedenis, wie Jezus Christus bezig ziet om het wonder van alle wonderen, namelijk om de laatste schreden naar ons te doen - we zijn immers vijanden? -die valt de last van de schouders, die zingt een nieuw lied.
Want die is in de Exodus-gestalte, in de uitgangsgestalte van het leven gekomen. Niet wat de leeftijd betreft; ook dat! Maar in het hele leven: de Exodus. Het joodse volk is de wereldgeschiedenis doorgeschreden in de gestalte van de Exodus. Uittocht! Altijd opnieuw. En de gemeente van de Heere Jezus Christus heeft geen andere gestalte en zij pleegt verraad aan haar Hoofd en Heere, wanneer ze zich vestigt. Dan beschimmelt ze, dan bederft ze, dan gaat ze kwalijk ruiken. Maar anders is het met de Exodus, de uitgangsgestalte: dat is sterven om te leven, ondergaan om met Hem op te staan, het kruis te dragen en verblijd te zijn in God, het in jezelf tot niets worden en óndergaan, en tegelijkertijd in Christus tot een nieuw leven opstaan...' (Door het geloof, n.a.v. Hebr. 11 : 22)
• Is verscheurdheid een oordeel Gods?
'Wanneer dan de verscheurdheid der Kerk op rekening van onze kerkelijke en persoonlijke zonden staan, dan is zij ook een oordeel Gods. Dat leert de Schrift. Waar scheuren vallen, komt een oordeel Gods bloot. Denk aan de scheuring van de twaalf stammen na de dood van Salomo. Alles werkt er aan mee. Noch de raad der ouden, noch ook de grote legers, die op de been worden gebracht, keren dit oordeel. Rehabeam wordt aan zijn eigen dwaasheid overgegeven. Wat is het gevolg van deze scheuring? Dat de twee rijken elkaar benauwen en elkaar verleiden. Het ene oordeel brengt het andere mee. Maar Gods oordelen op de aarde hebben niet het laatste woord. Zij worden soms achterhaald door het genadewoord. Dat ziet Elia, de profeet. Hoewel hij dichter bij God leefde dan één onzer en dus ook beter bekend was met de richtende en oordelende God dan wij allen, handhaaft hij ondanks alle verbreking in het geloof de eenheid van Israël in het verbond. Hij brengt Israël op de Karmel terug onder God in de band van het verbond. Hij heelt het altaar, dat gebroken was en neemt twaalf stenen, niet tien of twee. Daarmee geeft hij blijk, dat voor het geloof deze twaalf stammen bijeen behoren.
Hoewel ik gaarne toegeef, dat er een aanzienlijk verschil is tussen Israël van toen en de Kerk in ons vaderland van nu, acht ik toch een parallel aanwezig inzake de terugbrenging van het volk des verbonds onder God en het herstel van de eenheid. Er is herstel in de God van het verbond, dat is de God der waarheid en der eenheid.
Dit schriftgedeelte is hier in deze zelfde zaal in Woudschoten gelezen door de toenmalige preses van de Generale Synode van de Hervormde Kerk, toen de nieuwe Kerkorde met de vereiste meerderheid was aanvaard. Het is nu niet mijn bedoeling op het voor en tegen van deze Kerkorde in te gaan, maar wel om u naar dit schriftgedeelte te verwijzen.
Wat is er van de reformatie van Elia terechtgekomen? Ogenschijnlijk niet veel. Hij ging op de vlucht voor Izebel. Maar God verkwikt Zijn knecht, zet hem weer in zijn werk. Hij geeft hem een opvolger Elisa, die profetenscholen sticht en goeddoende het land doorgaat Dat wil zeggen, dat het werk Gods doorgaat. In dit werk Gods gaat ook het oordeel door over Achab en zijn huis en bij gebleken onbekeerlijkheid over het tienstammenrijk, dat van de kaart verdwijnt.
Met deze zegenende en oordelende God hebben ook wij te doen. Laten wij ons over ons volk en over de vele kerken geen illusies maken. Ook nu is waar, dat wij bij voortgaande onbekeerlijkheid van de kaart gaan! Leven wij in een tijd, waarin alleen brokstukken van de Kerk overblijven? Moeten wij rekening houden met een zodanige verwording van de instituten, dat zij uitgroeien tot een vervalst eenheidsinstituut of weggevaagd worden door de oordelen Gods? Of mogen wij in de spits der tijden nog een eschatologische bloei verwachten? Hoe nodig zijn ons de profeten van het Nieuwe Testament, die ons tot ogen zijn in de concrete situatie van nu en door vasten en bidden de Wil Gods weten in de toepassing op het nu!
Met al wat in ons is hebben wij te waken tegen de vervalsing van het Evangelie en de uitholling in de prediking, die tot gevolg hebben de onttakeling van de kerk op aarde. Wij hebben de vlammende waarschuwing ter harte te nemen, dat Christus - zo wij ons niet bekeren - de kandelaar van zijn plaats neemt.'
(De Gereformeerde Gezindte nu en in de toekomst)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's