Kohlbrugge en de heiliging (2)
Nogmaals Kohlbrugge's preek
Spoedig nadat Kohlbrugge's preek over Romeinen 7 : 14 in druk was verschenen, wekte die hier en daar - behalve dankbaarheid - bevreemding en zelfs verontwaardiging. Er kwamen passages in voor die op het eerste gehoor langs de rand van het antinomianisme scheerden. Wat Kohlbrugge echter in zijn preek bestrijdt, is niet de waarachtige heiliging die het geloofsleven onopgeefbaar eigen is, maar een zelf-georganiseerde heiligmaking aan de hand van een wetskarikatuur, waarbij de Wet van haar radicaal geestelijke lading is beroofd en is verbasterd tot een moralistisch commando. Die Wet is ons een lijk geworden, stelt Kohlbrugge scherp. Wie het eigendom van Christus werd, die is gestorven aan de waan dat men langs de ladder van de Wet zou kunnen opklimmen tot God, om met Hem in het reine te komen. Bits zegt hij: Er zijn van die mensen, die dag aan dag in de waan verkeren, dat zij toch hun zandkorrels bij elkaar moeten rapen om de berg van hun heiligheid hoog op te tassen. Maar dag in dag uit blaast de stormvlaag van de zonden deze zandkorrels weer weg en dan zitten ze in een hoek..., om vervolgens maar weer opnieuw te beginnen. En zo zijn de meesten van ons! Want de eigengerechtigheid zit diep, zeer diep, en de oude monnik weet van geen sterven, zolang wij leven'. Kohlbrugge sluit zichzelf dus in en is zich bewust van de onuitroeibare neiging om met de Wet op een moralistisch-wettische manier om te gaan.
Hier legt hij zich echter niet gelaten bij neer. Integendeel, hij gaat er frontaal tegenaan. God gaf ons de Wet niet als springplank ten leven. Zij is veeleer dodelijk voor het vlees. En dat vlees ben 'ik'. Al onze heiligmakingsstelsels moeten daarom overboord, 'opdat het schip alleen op vrije genade zal drijven'. Maar moet een mens dan niet streven naar Wetsgehoorzaamheid? Moet hij dan helemaal niets doen? 'Werp uw heiligingskrukken weg, verre van u weg! Ge komt er de berg Sion niet mee op. Ruk die lompen af waarmee ge uw wonden bedekt houdt, en toon u aan Hem Die heilig en rechtvaardig is, zoals ge zijt. Laat al het uwe los. Hier aan uzelf te wanhopen is zaligheid.'
Alle volmaaktheid is louter hierin gelegen, dat we dagelijks meer in Hem gevonden worden. Die niet alleen onze gerechtigheid, maar ook onze heiligheid is. 'Hebt ge Hem, de Hogepriester, dan hebt ge alles. Van Hem, Die het Hoofd is, daalt dan op u, als Zijn leden, genade voor genade neer, zodat het u aan geen deugd zal ontbreken. We zijn immers in Hem geschapen tot goede werken...' Zo, en zo alleen, komt Gods Wet als heilig, heilzaam richtsnoer in de levenswandel tot vervulling.
Da Costa
Kohlbrugge's Reveilvriend Isaac Da Costa kon dit radicale standpunt niet volgen. De vriendschap kreeg een knak en de breuk liep uit op een levenslange vervreemding. Tragisch genoeg, want aanvankelijk bestond er een hartelijke verstandhouding. Hoewel Da Costa maar vijf jaar ouder was, zal Kohlbrugge hem aanvankelijk als zijn meerdere hebben beschouwd. Da Costa was niet alleen gepromoveerd jurist en een gevierd literator, maar bekleedde ook de maatschappelijke positie van advocaat. Toen Kohlbrugge in 1823 bij hem aanklopte om zijn gedichten aan deze kenner ter inzage en toetsing voor te leggen, was Da Costa al een dichter van naam. Er ontstond een hecht contact. Dat werd nog verdiept door de sedert 1826 belegde zondagavondsamenkomsten bij Da Costa thuis, waar de gastheer zijn befaamde bijbellezingen hield. Kohlbrugge was er regelmatig aan te treffen. In de herfst van 1828 ging hij ook zelf-in die bijeenkomsten voor.
Hoe kon het toch tot zo'n onherstelbare verwijdering komen? De aanleiding was gelegen in Kohlbrugge's genoemde preek. Vlak nadat Da Costa in november 1833 er een exemplaar van had ontvangen, schreef hij een brief naar Elberfeld, die op zich uitvoerig kan heten (ca. 7 pagina's druk), maar in vergelijk met Kohlbrugge's reactie beknopt uitviel. Deze diende hem van repliek in een schrijven dat 33 (gedrukte) pagina's beslaat. Hoewel het opschrift van Da Costa's brief hartelijk klinkt ('Waarde Vriend en veel geliefde Broeder in de gemeenschap van het even dierbaar geloof!'), verklaart hij na enige vriendelijkheden toch onomwonden dat de ontvangst van de leerrede over Rom. 7 : 14 'voor mijn gemoed minder aangenaam werd, toen ik derzelver inhoud had gelezen en herlezen'.
Laat ik de voornaamste factoren van de controverse noemen. Wie de moeite wil doen om er nauwkeurig van kennis te nemen, kan terecht in de 'Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen Dr. H. F. Kohlbrugge en een van de meest beroemde zijner tijdgenoten'.
Dogmatisch verschil
Da Costa meende uit Kohlbrugge's preek te moeten opmaken dat deze het antinomianisme in het gevlij kwam, door een borgtochtelijke (plaatsvervangende) heiliging te leren. Het stuk der dankbaarheid had hij pijnlijk gemist. 'Van het Koninklijk ambt van Christus, waardoor' Hij ons (in de geboden) leidt ne jota quidem (geen syllabe)'. Kohlbrugge repliceert dat wij door het geloof in Christus de vervulling der Wet hebben. De heiliging is volgens hem geen aparte fase die op de rechtvaardiging volgt, maar daarmee onlosmakelijk verbonden en gelijktijdig gegeven. Niet primair als opdracht, maar als geschenk van de ene Christus, in Zijn drievoudige, ondeelbare ambt van profeet, priester en koning. Wat dat betekent zegt Kohlbrugge in een latere preek (over Ps. 13) heel duidelijk: 'Slechts bij degene die uit het geloof gerechtvaardigd is, zijn de goede werken en is de vrucht van de Geest. Want de Geest Die het geloof werkt, schept een wandel naar de Geest, zodat het geloof maar geen blote gedachte is, ook geen instrument dat de mens in eigen hand heeft, maar een leven, een beoefenen van gerechtigheid en liefde tot God en de naaste'. Wat Kohlbrugge hieromtrent in alle uitvoerigheid aan Da Costa schrijft, komt op hetzelfde neer. Als kern kan gelden: 'Omdat we uit God geboren zijn, hebben we God lief en de broeders. Het is onmogelijk anders te doen. Wij houden Gods geboden, met lust en liefde'.
Exegetisch verschil
Een ander van het tiental bezwaren dat Da Costa heeft, betreft de betekenis van de uitdrukking 'nieuwe mens'. Volgens hem is deze nieuwe, wedergeboren mens de Christus in ons, 'dat nieuw beginsel'. Kohlbrugge wijst deze zienswijze faliekant af Hij wijst op 2 Kor. 5, waar staat: 'Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel'. Er woont dus niet een nieuwe mens in ons, maar wij zijn de nieuwe mens. We zijn dat in Christus, d.w.z. door de geloofsgemeenschap met Hem. Hiermee ontkent Kohlbrugge natuurlijk niet dat Christus tevens in ons woont (Joh. 14 : 23, Ef. 3 : 17), maar wel dat deze inwonende Christus de 'nieuwe mens' zou zijn. Die nieuwe mens ligt niet ergens in het innerlijk gelokaliseerd, maar is de gelovige zelf, die door de Geest van de inwonende Christus geheel gericht is op de Christus-buiten-zichzelf
Dit lijkt wellicht een theologisch woordenspel. Maar dat is het niet. Want als Da Costa gelijk zou hebben, dan was de nieuwe mens een beginsel in ons, en de oude mens het zondige deel in ons. Dan bestond een christen bijgevolg uit een geestelijk deel en een vleselijk deel, waarbij de geestelijke helft de taak had om de andere, vleselijke helft te temmen. Kohlbrugge stelt daar tegenover: ik ben (geheel) vleselijk, en dat blijf ik tot mijn laatste snik. Ik heb geen 'beter ik' ergens in mijn bestaan voorradig, om met behulp daarvan de zonde te overwinnen en de heiliging na te jagen. Ik ben vleselijk en onder de zonde verkocht. Maar, door de genade van het geloof ben ik compleet en radicaal op Christus geworpen en in Hem rechtvaardig en heilig, dus ook blijvend op Hem aangewezen als de Bron van de levenshei-liging. Deze heiliging is geen krachttoer van mijn betere ik, maar louter een blijven in Christus, om van Hem te ontvangen wat van node is tot een wandel naar Gods geboden.
Spirituele factor
Da Costa bleef ook na zijn bekering tot het christelijk geloof ten diepste een bevlogen Israëliet. 'Tot ridder Gods geslagen', noemde hij zichzelf. Kohlbrugge wist zich geestelijk veeleer tot de bedelstaf gebracht. Merkwaardigerwijze waren ze beiden romantici van herkomst, uit de school van Bilderdijk, en ze zijn dat tot op zekere hoogte gebleven: gevoelig, tijdkritisch. Maar ze maakten een tegengestelde ontwikkeling door. Terwijl Da Costa de Bilderdijkiaanse lijdelijkheid - in de zin van geloofspassiviteit die op God weet te wachten en de dingen in Zijn handen laat — meer en meer achter zich liet en koos voor een actief en dadengericht christendom, werd Kohlbrugge's houding t.o.v. (vroom) activisme alleen maar kritischer. Persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk heil verwachtte hij niet van menselijke actie en organisatie, maar exclusief van God Die Zijn beloften door het tegenstrijdige en onmogelijke heen gestand doet.
Eerlijk gezegd speelde helaas ook een al te menselijke, karakterologische factor een rol. Beide opponenten hadden de neiging om te domineren. Was er binnen de vriendenkring in het Amsterdamse Reveil wellicht sprake van rivaliteit? Er zijn voldoende historische aanwijzingen die een bevestigend antwoord doen vermoeden. Hier komt nog bij dat Kohlbrugge zwaar teleurgesteld was over de slappe houding van de Reveilkring m.b.t. zijn vergeefse pogingen om het Hervormde Lidmaatschap te verkrijgen. Men kon in zijn ogen blijkbaar ook al te lijdelijk zijn! Deze frustratie zal de toon van Kohlbrugge's reactie niet weinig hebben aangescherpt.
Wie had gelijk?
Hoewel ik geloof dat Kohlbrugge het bijbels-theologisch gelijk aan zijn kant had, zou zijn reactie m.i. veel minder scherppolemisch hebben kunnen zijn en had hij Da Costa's intentie moeten zoeken. Zonder dat dit zijn positie zou hebben veranderd of afgezwakt, was dan misschien de breuk voorkomen. Er zit een kern van waarheid in het oordeel van bepaalde tijdgenoten: 'Kohlbrugge is ruig als een rob - bevel'. Maar op Da Costa's typering is bepaald af te dingen: 'Kohlbrugge's boodschap kan medicijn zijn, maar is geen voedsel'. Er waren en zijn althans zielen voor wie zijn boodschap juist als medicijn het voedsel is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's