Uit de pers
Bezinning op verzoening
Het boek van prof. dr. C. J. den Heyer (Verzoening, bijbelse notities bij een omstreden thema) heeft al voor de nodige opschudding gezorgd. De klassieke verzoeningsleer waarin er slechts verzoening kan zijn door de voldoening van Christus aan het kruis, roept vandaag volgens Den Heyer meer vragen op dan dat er vragen worden beantwoord voor mensen die leven in deze tijd. Daarom wil hij laten zien dat de Bijbel geen afgeronde en systematisch opgebouwde leer over de verzoening bevat. Hij gunt ieder die dat wil voluit de mogelijkheid om vast te houden aan en te leven bij het klassieke belijden aangaande de verzoening. Maar zelf kan hij dat niet meer. In de klassieke verzoeningsleer lijkt God een gevangene van zichzelf te zijn geworden. Hij moet beantwoorden aan normen en waarden die Hij zelf zou hebben gesteld. Gods barmhartigheid wordt dan wel niet ontkend, maar daarnaast krijgt zijn gerechtigheid zware nadruk. In een 'boekbespreking in de diepte' gaat drs. H. de Jong in het blad Opbouw drie keer in op Den Heyers geschrift. Hij kiest één hoofdlijn uit diens betoog namelijk 'Het beroep op Psalm 103 in Den Heyers boek over de verzoening'. Den Heyer citeert uit deze Psalm 103 o.a. de bekende woorden: '... niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig blijft Hij toornen' (vs. 9).
Den Heyer motiveert zijn beroep op Psalm 103 omdat het van centrale betekenis zou zijn voor het beeld dat de Bijbel van God geeft. Gods toorn is verschrikkelijk maar duurt niet eeuwig. Hij blijft niet eeuwig aan Zichzelf gelijk, maar Hij verandert wanneer Hij dat wil en noodzakelijk acht. Blijkt niet uit Psalm 103 : 9, zo bedoelt Den Heyer, dat God voor de verzoening met ons het voldoenend offer van Christus niet nodig had? En dat Hij spontaan Zijn genade als een grotere kracht dan Zijn toorn naar ons toe kan keren? Klopt het klassieke dogma dan wel als God daarin Zijn barmhartigheid zo sterk afhankelijk heeft gemaakt van Zijn gerechtigheid? (zie bv. vr. en antw. 11 H.C.). Drs. De Jong vindt dat je Den Heyer wel haastig kunt indelen bij allen die al in de vorige eeuw protest aantekenden tegen de bloedtheologie, maar daarmee heb je zijn gedachtegang nog niet weerlegd. Ik ben het met drs. De Jong eens als hij dan schrijft: Ik vind het een goede zaak dat we telkens weer worden gedwongen om over de weg die God voor de verzoening gekozen heeft na te denken. Dat voorkomt klakkeloosheid die zeker op dit stuk vermeden moet worden'. De drie artikelen van De Jong bieden een voorbeeld van goede en grondige bezinning op deze kwestie.
Dreigende oppervlakkigheid
De stelling die drs. De Jong tegen prof. Den Heyer lanceert komt in het kort gezegd hierop neer: ls je het betalend offer van Christus weghaalt (hij spreekt zelfs van 'wegsloopt'), dan zal het zeker van zelf tot een grote oppervlakkigheid in het geloofsleven van de gemeente komen. De Jong plaatst de woorden uit Psalm 103 : 9 naast twee woorden uit de profeten en wel Jeremia 3 : 4, 5 en Jesaja 57 : 16 en trekt daar dan vervolgens enkele conclusies uit. In Jeremia wordt het volk gehekeld in haar klakkeloos herhalen van de woorden over de duur van Gods toorn. Je kunt je niet zomaar daarop beroepen als ware dat een vanzelfsprekendheid. Er hangt een prijskaartje aan de verzoening. Er is en er was een losprijs voor nodig. De Bijbel gebruikt daar op sommige plaatsen het woord 'vreselijk' voor. Bij U is vergeving opdat Gij gevreesd wordt. De weg die God voor de verzoening van onze zonden gekozen heeft, aldus drs. De Jong, de weg van het offer op Sion eerst en op Golgotha vervolgens, is om van te sidderen. Moet je niet vrezen dat als je de weg van Den Heyer opgaat, dat dan op den duur de verwondering over de vergeving en de verzoening geheel zal verdwijnen. En dat ons christelijk geloof door het glad polijsten van het Godsbeeld zal verburgerlijken. Dan krijgt, acht drs. De Jong, het oppervlakkige vanzelfsprekendheidsgeloof a la Jeremia 3 volop zijn kansen.
Omslag in religie
Ook over de tweede tekst, Jesaja 57 ; 16, schrijft De Jong behartenswaardige dingen. We laten dat hier voor wat het is. Je kunt niet stellen, aldus drs. De Jong, dat het de bedoeling van Den Heyer is om mee te werken aan het verdwijnen van de diepgang in ons spreken over de verzoening. Maar zijn boek werkt er wel aan mee dat het besef van diepe verwondering over de verzoening geheel zal verdwijnen.
'Want dat mag óók wel onze aandacht hebben dat Psalm 103 een lofzang is die geboren is uit de verwondering. Van iemand (David of een ander) die ervan ophoorde dat God genade voor recht liet gaan. Hoe kan God die rechtvaardig is dat doen!? Mensen die bijvoorbeeld op de manier van Jeremia 3 over het stoppen van Gods toorn spreken, gaan er niet van zingen. Die nemen dat, zeker op de duur, voor kennisgeving aan, als ze al niet helemaal over Gods toorn zijn gaan zwijgen. "God is vóór ons", zeggen zij, "natuurlijk is Hij vóór ons. Waarom zouden wij Hem dienen als het anders was? " Heeft men wel in de gaten dat dit een ander geloof voorstelt waar het wezenlijke van het christelijke uit weggevloeid is? Niet immers dat God barmhartig is maakt de kern van ons geloof uit, maar dat Hij dat in Christus en om Christus' wil is. Niet een uit zijn verbanden losgesneden Psalm 103 is het centrale van de bijbel, maar een Psalm 103 waar Jesaja 53 onder ligt (zoals ik dat met behulp van Jesaja 5 7 duidelijk probeerde te maken). Maar van dit kenmerkend bij belschristelijke neemt men vandaag afscheid. Daarbij denk ik niet enkel of speciaal aan Den Heyer, al effent hij daarvoor met zijn boek samen met anderen de weg. De hele christenheid is bezig met Christus als de Middelaar te breken. Ik zie daar een opening naar de religie van Mohammed in. Naar het jodendom evenzeer, maar daarmee zou ik blijven hangen in het kleine wereldje van de intellectuele christenelite. Bovendien, de joodse godsdienst kent nog de ernst van de boete, de tesjoeva. Nee, ik heb nu de gewonere mensen op het oog die, slecht gecatechiseerd als ze zijn, de bekende klanken in de kerk over zich heen laten gaan of reeds van kerk en geloof min of meer weg-geseculariseerd zijn. Zij liggen open voor een religie die meer heeft van de Koran dan van de Bijbel. Zij noemen God nog wel geen Allah, natuurlijk niet, maar hun denken over Hem verschilt niet van dat van de islam. Even vlak, even ondiep. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe dat toch gekund heeft, in de zevende eeuw, dat christelijk Noord-Afrika en Turkije zo voetstoots tot dat andere geloof zijn overgegaan. Is daar niet een omslag in het eigen geloof aan vooraf gegaan, waardoor voor de islam de velden van het Middellandse Zee-bekken wit lagen om te oogsten? En zou zich dat nu voor Europa niet kunnen herhalen? We weten toch dat de leer van de verzoening door de voldoening altijd een struikelblok geweest is, toen zowel als nu, nu zowel als toen? Welnu, de islam biedt zich, afgezien van enkele eigenaardigheden en strengheden die samenhangen met het feit dat ze zes eeuwen jonger is dan het christelijk geloof (en die daarom ook niet blijvend zijn!), als een comfortabel alternatief aan. Wanneer dat aanbod met een meerderheids-of sterke minderheidspressie (!) gepaard zou gaan, dan zie ik een softe, bangelijke en verwaterde christelijke kerk daartegenover geen stand houden. Want wat is eigenlijk het verschil, zal men dan zeggen, tussen God die zonder voldoening vergeeft en Allah de barmhartige Erbarmer die dat óók doet? Evenwel, nu hebben we het niet meer over Den Heyer, maar over de grote strateeg achter hem wiens gedachten ons niet onbekend zijn...'
Dat liegt er niet om en dat zet nog meer aan het denken dan het boek van Den Heyer al deed. Over de laatst geciteerde regel gaat het tenslotte in het derde artikel dat dsr. De Jong schreef over deze materie.
De Jong had al eerder het boek van prof Den Heyer een duivelse aanslag op de kerk genoemd. Hij vond zichzelf in die uitspraak wel erg kort door de bocht gaan. Vandaar dat hij zich nader hierover wil verantwoorden. Hij heeft niet willen zeggen dat de duivel in Den Heyers boek aan het woord is. Wel is het zo dat de duivel van een werkstuk van ons gebruik kan maken voor zijn sinister doel.
'Ik vind dat een boek als dat van Den Heyer past in een duivelse strategie. Hem, de duivel, gaat het erom de gemeente te vervreemden van het evangelie van de verzoening door de voldoening. Daarvoor gebruikt hij boeken die zich presenteren als serieuze schriftstudies, die dan ook nog ondernomen zijn vanuit het nobele motief om iets te doen aan het uiteengroeien van kerkleer en gemeentegeloof Goede bedoelingen te over, ook bij Den Heyer. Het zal echt uit pastorale overweging zijn dat hij helemaal in de huid kruipt van de moderne mens die met de verzoening door het bloed van Christus "niets meer kan". Maar de boze schakelt dat in en gaat ermee aan de haal. Natuurlijk ga ik niet zover dat ik Den Heyer en anderen vanuit dit gezichtspunt helemaal verontschuldig. Dat zou op veronnozeling neerkomen. Ik wil ze blijven aanspreken op hun producten waarvoor ik ze ten volle verantwoordelijk houd. Maar juist door te wijzen op de duivelse toeleg achter hen wil ik de ruimte voor het zakelijke gesprek openhouden. Want waar wij ophouden in de duivel te geloven ontstaat het gevaar dat we elkaar gaan verduivelen. Dan vergiftigen wij onze geest en dopen onze pen in de inkt van de kwaaddenkendheid en strooien met vileine insinuaties. Geloof in de duivel maakt het onnodig elkaar voor duivels te houden. Wel verre van dit geloof voor achterlijk en achterhaald te verslijten kan het onze discussies bij de humaniteit bewaren. God heeft in het begin het hele vrouwenzaad tegenover de slang gesteld. Daar mogen we telkens weer vanuit gaan, totdat het tegendeel hieruit blijkt dat iemand willens en wetens naar het front van de slang overloopt en slangenzaad of adderengebroed wordt.'
In dit verband geeft drs. De Jong ook aandacht aan wat de Heiland tot Petrus zegt in de dagen vlak voor Zijn lijden: Ga weg, achter Mij, satan! Niet Petrus was de boze, maar hij stond wel vlak achter hem. Petrus sprak uit liefde tot de Heere, daar is geen twijfel over mogelijk. Maar het was scheve liefde. Die liefde, aldus drs. De Jong, is er ook in het schrijven van Den Heyer. 'Alleen' en ik citeer nu letterlijk, 'hij zou toch eens na moeten denken over wat de onbedoelde gevolgen van zijn leervoorstelling zijn'.
"t Zit me toch wel hoog, dat van die duivel. Als we werkelijk in zijn bestaan en invloed zouden geloven, niet maar op het briefje van de belijdenis maar daarnaast ook in de praktijk, dan denk ik dat het kerkelijk gesprek daardoor tot meer ontspanning zou kunnen geraken. Wat ik met name onder de orthodoxe chirstenen meen op te merken is dat de bestrijding van meningen en opinies vaak zo ontsierd wordt door achterdocht en het elkaar toedichten van misselijke bedoelingen. Inderdaad of men de duivel zelf tegenover zich heeft. Als we er nu eens meer van uitgingen dat we met z'n allen onder de koepel van Christus' Geest leven en dat in die ruimte in principe alles rustig besproken en elke mogelijkheid die het Woord ons schijnt te laten moedig uitgetest moet kunnen worden; als we dat zouden doen: iet zonder ernst, niet zonder betrokkenheid en zelfs opwinding, niet zonder zakelijke scherpte, niet zonder waarschuwing tegen dwaalleer, maar toch in het vaste vertrouwen dat Gods Geest ons allemaal vast moet houden en ook vasthoudt; en als we dan verder uit alle macht gingen bidden: leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze, — is het dan een idealisme van me wanneer ik geloof dat de gereformeerde belijdenis geen schrikbeeld meer hoeft te zijn voor mensen die zich afvragen of voor onze moeilijke tijd het laatste woord over de uitleg van het Woord al gesproken is? Laten wij ook voorgedragen opinies die ons niet zinnen, gebruiken om in onze eigen bezinning verder te komen. Zo heb ik ook het boek van Den Heyer gelezen en herlezen — al moet ik eerlijk bekennen dat zich daarbij momenten voordeden van grote opwinding en verontwaardiging. Ook van innige vreugde trouwens, waarbij ik denk aan pagina 42, waar uit een lang citaat uit het apocriefe boek Wijsheid (2 : 12-20), zin voor zin raak, het beeld van de Here Jezus als de lijdende Rechtvaardige (dat is Hij namelijk, behalve de gezegende Middelaar óók!) wordt gelezen. Betrokkenheid dus, want tenslotte gaat het in al die besproken teksten om wat het minst vrijblijvend in ons leven is en behoort te zijn: ons algemeen, onbetwijfeld, christelijk geloof'
Oppervlakkigheid en vanzelfsprekendheid kunnen ook ons bedreigen die van harte het klassieke belijden over de verzoening voor hun rekening blijven nemen. Dat we er nauwelijks meer van verwonderd raken als ons het wonderbare Evangelie van de plaatsvervanging wordt verkondigd. Daarom kan een van de klassieke verzoeningsleer afwijkende studie als die van Den Heyer ons dwingen opnieuw ons rekenschap te geven waarom we er tóch voor blijven staan en vooral, waarom we er ook van harte uit leven. En als de studie van Den Heyer onder andere werd bedoeld om uiting te geven aan de zorg voor het uit elkaar groeien van wat de kerk leert en wat de gemeente gelooft, dan kan dat als een pluspunt worden gerekend. Intussen kunnen we het met drs. De Jong eens zijn dat die zorg ons nog niet het recht geeft om dan maar aan het duidelijke schriftgetuigenis te gaan morrelen. Hij noemt het boek van Den Heyer terecht een product van de 'hermeneutiek van de vervreemding'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's