Nabij de toekomst
Het is opvallend hoe vaak in allerlei gesprekken vragen gesteld worden over wat er nu eigenlijk na de dood komt. Vooral als een geliefde uit ons midden is weggenomen komen dergelijke vragen naar boven. Een bekende opmerking die in dit verband dan gemaakt wordt is dat de Bijbel meer zegt hoe het niet is dan hoe het wel is. Toch is dat een niet erg bevredigend antwoord. Veel van wat een christen na het sterven te wachten staat is ons inderdaad nog verborgen. Toch is er meer te zeggen. In allerlei gedeelten van de Bijbel wordt (zij het vaak onder beelden) iets gezegd over de christelijk hoop. Over de toekomst die God voor Zijn gemeente bereid heeft. Wij noemen dat in het theologisch spraakgebruik: de eschatologie, de leer van de laatste dingen.
Nu zijn er niet zo heel veel publicaties verschenen die op dit punt wat heldere bijbelse lijnen trekken. Daarom was ik blij verrast met het boek dat dr. J. Hoek over dit onderwerp schreef. Het verscheen onder de titel Nabij de toekomst en is een vervolg op een jaar eerder gepubliceerd werk Voorbij de dood. Op een zeer heldere en tere wijze geeft de schrijver ons een tekening van de christelijke toekomstverwachting. Onderwerpen als de tekenen der tijden, de opname van de gelovigen, het opstandingslichaam, het laatste oordeel en het eeuwig leven komen daarin aan de orde. Het fijne van dit boek is dat het beknopt is en zich door ieder belangstellend gemeentelid gemakkelijk laat lezen. Voortdurend komen ook andere (afwijkende) gedachten aan de orde, zodat het behalve herkenbaar ook leerzaam is. Graag geef ik de lezer een kleine impressie van dit werk.
Waar gaat het met de wereld naar toe?
Het is alsof we met miljarden mensen in één reusachtige trein zitten die voortsnelt door de tijd. Er zijn allerlei signalen die erg wijzen dat de trein bezig is met het laatste traject voor het eindstation. Een zekere onrust maakt zich meester van de passagiers. Sommigen dommelen voort, anderen lopen heen en weer, druk pratend. Met deze omschrijving signaleert de schrijver een stuk onrust in onze tijd. Hij noemt vanuit Jezus' rede over de laatste dingen acht signalen van de eindtijd. Door ze op een rij te zetten, krijgen we een röntgenfoto van onze eigen tijd te zien. De negatieve ontwikkeling wordt belichaamd in de figuur van de antichrist (2 Thess. 2 : 3), de zoon van het verderf. Er is één positief signaal: Evangelieverkondiging. Wat dat betreft leven we in een adembenemende tijd. Tegelijk spreekt Jezus ook over de 'gruwel der verwoesting': en totaal verwereldlijkte kerk. Een kerk die met de tong uit de mond achter de wereld aanholt om toch vooral voor vol aangezien te worden en die intussen het Woord van God verloochent. De bruidsgemeente heeft slechts één roeping: akker blijven, waakzaam zijn, bereid zijn voor die grote dag.
Een apart hoofdstuk wijdt de schrijver aan het chiliasme onder de titel: De droom van duizend jaar vrede. Verschillende visies op wat in Openbaring 20 beschreven staat, worden helder en kort uiteengezet. Tegenover de opvattingen die Openbaring 20 louter als toekomstmuziek beschouwen, wil hij vasthouden aan de directe betekenis van dit visioen voor hier en nu. Het boek Openbaring geeft geen doorgaand relaas van de wereldgeschiedenis in chronologische volgorde, maar biedt telkenmale dwarsdoorsneden van de gehele periode van het laatste der dagen, dat wil zeggen de tijd tussen Pinksteren en de wederkomst van Christus. Ondanks de werking van demonen en demonie is de geschiedenis het terrein van Gods handelen gebleven. Ondanks de duistere machten mogen wij geloven en vertrouwen in een bloeitijd voor de kerk, in bekering van Israël tot Messias Jezus, en in een massale uitbreiding van het getal van de gelovigen. Hoek schrijft: 'Geloof ik in een "duizendjarig rijk"? Neen, niet in de zin zoals de chiliasten daarin geloven. Niet in een wederkomst van Christus om letterlijk en lichamelijk te gaan regeren in een aardse heilstaat met Jeruzalem als politiek en economisch centrum. Niet in een periode die letterlijk duizend jaar duurt en waarin heel de wereld gekerstent zal zijn en de natuur op ongekende wijze zal bloeien, vóórdat de eigenlijke (en in die voorspelling dus de tweede) wederkomst van Christus op de jongste dag zal plaatsvinden. Maar ik geloof de overwinning van Christus en de nederlaag van de satan en daarom verwacht ik ook midden in onze geschiedenis duizend en meer tekenen van Christus' rijk' (p. 28). Wij hebben in Openbaring 20 (zoals telkens in het laatste bijbelboek) een röntgenfoto van de wereldgeschiedenis voor ons.
Een apart hoofdstuk wordt besteed aan de hoop die er is voor Israël. Wie de discussie die er in onze tijd over de toekomst van Israël gevoerd wordt, volgt vindt hier in kort bestek heel veel. De schrijver wil een massale bekering van Israël niet uitsluiten. 'Gans Israël' (Rom. 11 : 26) betekent volgens hem niet alle Israëlieten zonder uitzondering, maar ziet wel op de grote massa van het volk. Zouden we de Messias-belijdende joden niet mogen zien als "eerstelingen van de grote oogst", als druppels die een grote regenbui aankondigen? ' (p. 38)
Toekomstverwachting
Hoe zit het met de opname van de gemeente, waar de apostel in 1 Thess. 4 : 13-18 over spreekt? Omdat dit voor veel christenen een centraal stuk is waar zij in hun toekomstverwachting intens mee bezig zijn, gaat Hoek hier apart op in. Hij spreekt over de bruiloftsdag van de gemeente. Worden de gestorven gelovigen die dan zijn opgewekt samen met de dan in leven zijnde gelovigen losgemaakt van de aarde om met de Meester mee te gaan in de hemelse heerlijkheid om daar te blijven tot na 'de grote verdrukking', en dan samen met Hem naar de aarde terug te keren om hier het duizendjarige rijk mee te maken? Deze opvatting treffen we vooral aan in evangelische kringen en in het bijzonder bij de "Vergadering van gelovigen' (Medema, Ouweneel). De schrijver waardeert dat vele 'evangelische christenen' de toekomstverwachting zo'n centrale plaats in hun leven geven. In veel reformatorische kringen komen bijbelgedeelten die hierover handelen, vaak zo weinig aan de orde. Toch verschilt hij op dit punt met de hiervoor genoemden van mening. Hij is ervan overtuigd dat de apostel in 1 Thess. 4 spreekt over de opstanding op de jongste dag. Het de Heere tegemoet gaan (vs. 37) is het inhalen van de Koning. Met het altijd bij de Heere zijn' is alles gezegd. Dat is de hemel van de hemel en dat is ook het allermooiste van de nieuwe aarde (p. 46).
Speciale aandacht is er ook voor het nieuwe lichaam. In christelijke kring is eeuwenlang de waardering van het lichaam veelal negatief geweest. Franciscus van Assisi sprak van 'broeder ezel' en Luther kon zijn lichaam als 'madenzak' typeren. Tegelijk zien we vandaag een afgodische overwaardering van het lichaam: de kurende en lijnende en joggende mens probeert de strijd tegen ziekte en veroudering te winnen. De Heilige Schrift geeft helder aan , wat de rechte waardering is. Ons lichaam is aan de dood onderworpen. Waar we van Christus zijn, worden we verlost inclusief ons lichaam. De begrafenis en de ontbinding in de aarde zijn een vernederend gebeuren. Maar de christelijke hoop is gericht op de totale verlossing van de mens naar lichaam en ziel. Pasen is geen droom maar werkelijkheid. Niet te mooi om waar te zijn, maar zo ontzettend mooi omdat het zo volkomen waar is (p. 53).
Op een heel pastorale wijze gaat de auteur in op allerlei vragen die hier leven. Vanuit het bekende hoofdstuk 1 Korinthe 15 worden bijzonder bemoedigende dingen gezegd juist aan het adres van mensen die weten dat zij Adamskinderen zijn en de dood voor ogen hebben. Tegenover de taal van de feiten (in Adam moeten wij allen de dood sterven) staat de taal van het heilsfeit: Jezus, de eeuwige Zoon van God, is mens geworden, sterfelijk mens, opdat Hij het tegenwicht zou zijn van Adam. In Hem is tegenwicht tegen de dood en overwicht over de dood. Zolang we nog vijanden zijn van God en Zijn Christus, is er voor ons geen toekomstverwachting. Er is een voortbestaan na de dood voor ieder mens, maar het maakt wel alles uit of dit zich afspeelt in de hemel of in de hel (p. 59).
Vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven (vs. 50). We moeten het reiskleed van dit aardse bestaan uittrekken en vervolgens het rustkleed van de herschepping aantrekken. Bij het sterven maakt de Heere het begonnen werk van de bekering in één keer af, zodat er niets van de oude mens meegaat de eeuwigheid in (de heerlijkmaking, die de voltooiing is van de heiligmaking).
In een tiental bladzijden gaat de schrijver in op het laatste oordeel. Voor de gelovigen geen angstige dag, maar de grootste dag van hun leven, waarnaar ze op aarde en zelfs ook in de hemel uitkijken. Niet de vreugde van de zaligen en ook niet het rechtvaardige oordeel van de ongelovigen staat dan in het middelpunt, maar de glorie van het herstelde recht Gods geeft aan dit laatste gericht zijn heerlijkheid (p. 64). Christus is meer dan Simson, die de leeuw doodde en later honing uit zijn bek haalde. Christus overwon met Pasen de leeuw van de dood en op de jongste dag haalt hij tenvolle de buit uit de muil van die leeuw.
Ik kom in de verleiding meer uit dit hoofdstuk over het laatste oordeel te citeren. Toch doe ik dat niet. Graag nodig ik de lezer uit zelf dit aangrijpende en troostvolle gedeelte te lezen.
Alles wordt nieuw
De laatste twee hoofdstukken zijn voor mij de mooiste uit dit boek. Vanuit Openbaring 21 en 22 krijgen we een blik op Gods nieuwe wereld. Wat is het troostvol dat niet mensen de agenda van de Toekomst schrijven maar Hij. Het gaat om een totale en radicale vernieuwing. Geen reparatie of restauratie, of renovatie, maar recreatie, herschepping. De wereld wordt niet afgedankt en in de vuilnis gegooid als een paar afgedankte schoenen. Alle dingen worden nieuw.
Wij hebben (in onze diepe val) heel de schepping meegesleurd; de schepping klaagt ons aan vanwege onze zonde. Toch is Paulus in Romeinen 8 geen doemdenker: de schepping is niet in doodsnood, maar in barensnood, in verwachting van nieuw leven. En behalve een zuchtende schepping is er ook een zuchtende kerk. Het is een hoopvol zuchten. God is niet tevreden met de redding van zielen alleen: Hij wil complete mensen redden; ook de dieren = de vogels, de beren en de koeien, ook de oceanen en de tropische regenwouden en de Hollandse weilanden. De zorg voor het milieu mag een christen niet aan Greenpeace overlaten. Zorg voor de natuur (Gods schepping) en bezig zijn in zending en evangelisatie (zielen winnen voor het Lam) moeten wij niet tegenover elkaar zetten. Ze horen bijeen (p. 83).
Het zal niet lang meer duren of de wedergeboorte van hemel en aarde is een feit. Alle smart en alle verdrukking, die de gelovigen hier overkomen, zijn maar een spatje, een vonkje vergeleken bij de oceaan van vreugde die wacht wanneer straks de gereinigde hemel en aarde de entourage zijn voor de Bruiloft van het Lam.
Wat betreft de tekening van het nieuwe Jeruzalem = niet de gouden straten en paarlen poorten zijn het allerbelangrijkste van deze stad, maar de inwoning van God Zelf Hij is daar in het midden. De verwijdering tussen God en mens is weggenomen. De pijnlijke herinneringen aan de zonde die op aarde altijd als littekens bleven schrijnen (zonde, ziekte, dood, rouw), zijn daar weggenomen. Van kerkelijke verdeeldheid is dan geen sprake meer.
Al het schone van aardse culturen zal op gelouterde wijze geborgen worden op Gods nieuwe aarde; niet uitgewist worden als het geschrevene op het schoolbord, of als voetsporen in het zand. God doet er wat mee (p. 92). Rondom Gods troon zijn de paradijsbewoners te vinden. Ze brengen de eeuwigheid niet door in leegheid. In dit verband citeert de auteur H. Berkhof = eeuwigheidsleven is niet 'een nimmer eindigend pas op de plaats maken of een eeuwige vakantie'. Het is een priesterlijke dienst. We zullen de schoonheid van God zien en daar raken we in eeuwigheid niet op uitgekeken. Het Lam (afwezig in het paradijs) zal daar wel aanwezig zijn. Het zal de inwoners van het nieuwe Jeruzalem eeuwig voor ogen staan dat ze daar gekomen zijn door het bloed van het Lam (p. 100). We zijn nog niet in dat herstelde paradijs. Als we dan bijbelgedeelten lezen als Openbaring 21 en 22 roept dat heimwee in ons op naar die grote toekomst. Het is als bij een liefhebbend vader die zijn kinderen die allang in het buitenland verblijven een ansichtkaart stuurt van het ouderlijk huis en daarop schrijft: 'Kinderen, kom gauw naar huis, want ik verlang zo naar jullie!' Zo zien wij hier de ansichtkaart van het eeu wig ouderlijk huis, die stad van heerlijkheid, veiligheid en heiligheid.
Bovenstaand wil een impressie zijn van een boek dat ik met vreugde en ook met stichting heb gelezen. Tegelijk ook een aansporing het zelf ter hand te nemen. Het geeft voor allen die de Heere Jezus Christus liefkregen een geweldig uitzicht op een toekomst die God bereid heeft. Elk hoofdstuk is voorzien van vragen zodat het ook geschikt is voor kringen.
N.a.v.: J. Hoek, Nabij de Toekomst, uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 111 blz., ƒ 21, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's