De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Welsprekendheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Welsprekendheid

10 minuten leestijd

Oprechtheid (5)

De welsprekendheid is het soepele voertuig om de inhoud van het Woord Gods aan mensen over te dragen. Dat brengt met zich mee, dat de hoogste eisen mogen worden gesteld aan de formele zijde van de Evangelieprediking. Wat behoort daartoe zoal? Wij noemen een aantal punten. Een goed spreker dient te beschikken over een behoorlijke vorming van verstand en oordeel door een veelheid van nuttige kennis. Wij vragen daarvoor geen alzijdige ontwikkeling. Dat kan geen mens presteren. Neen, er mag enig accent liggen op de culturele wetenschappen als wijsbegeerte, geschiedenis en talen, maar dat is geen onmisbare voorwaarde. Desalniettemin is het zeker een voordeel wanneer de spreker geschiedkundig is georiënteerd; wanneer hij een oordeel weet te formuleren, een visie kan aanreiken. Hoe prachtig is het, als hij gevoel en smaak heeft voor letterkunde en stijl.

Bovenal wordt vorming van karakter geeist. Als hoofdregel geldt al sinds vele eeuwen dat de voorstelling van een zaak én met haar aard én met de gesteldheid van de hoorders én met de persoonlijkheid van de spreker zelf zoveel mogelijk in overeenstemming moet zijn. De kern der zaak is, dat de prediker zijn persoonlijkheid door nauwkeurige studie moet ontwikkelen, maar dat hij zich nooit in een dwangbuis mag laten wringen. Hij moet oprecht en echt zijn. Je kunt hierbij spreken van het recht der geheiligde individualiteit. Wij moeten als sprekers geheel en al onszelf zijn. Geen pop of robot. Ja, zal iemand zeggen - maar hoe wordt een mens nu een persoonlijkheid? Door een eigen oordeel te vormen over bepaalde zaken en situaties. Er is een blikverbreding mogelijk door lectuur, door een zekere mate van reizen en waarneming vooral.

Wij noemen nog het een en ander. Leer ook uw eigenaardigheid kennen. Bedoeld is hier de heersende grondtoon van uw karakter. Om zelfkennis te verwerven is gedurige stille vergelijking met anderen nodig. Niet om die anderen te imiteren, maar om door de tegenstelling des te beter onze eigen geestelijke aard te ontdekken. Een oeroud hulpmiddel daarbij is een geheim dagboek te onderhouden en daarin, te noteren wat men zoal beleeft aan bepaalde ontmoetingen en gesprekken. Als men later zulke aantekeningen nog eens overleest vordert men in wijsheid en kennis.

Eindelijk — laten wij nooit menen dat ons einddoel snel bereikt is. Onze individuele ontwikkeling is nooit volmaakt. De verzoeking tot inslapen staat altijd voor de deur, vooral de verzoeking tot luiheid. Hiertegen helpt alleen een voortdurende strijd. Innerlijke frisheid treedt ook levenwekkend naar buiten. Tot op hoge leeftijd kunnen mensen dan naar voren treden. Het gaat er immers niet om hoe oud men is, maar hóe men oud is! Het valt ons in de dagelijkse wandel menigmaal op hoe wonderlijk attent en levendig eenvoudige mensen kunnen zijn door van alles kennis te nemen, het te verwerken en op originele manier onder woorden te brengen.

Dat alles mag nu tevoorschijn komen op de kansel. Echtheid en oprechtheid behoeven wij daar. Hierbij bestaat een bijbelse leidraad. De apostel Paulus bidt in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Filippensen, dat hun liefde nog meer en meer overvloedig wordt in erkentenis en alle gevoelen. Hij wenst dat zij 'oprecht' zijn en zonder aanstoot te geven tot de dag van Christus. Lang geleden trof het ons al, dat het woord oprecht eigenlijk daar betekent: in het zonlicht gekeurd, zondoorschenen. Welnu, de wezenlijke toetssteen voor iedere spreker is, dat hij in Gods zonlicht heeft gestaan. Door Hem is gekeurd en waar is bevonden.

Wij leven dagelijks om zo-te zeggen in het zonlicht van Gods genade. Wij belijden gedurig onze sprekerszonden. Wij hebben nodig onder Gods barmhartigheid in Christus te verkeren. En — daar komt een beginsel van een christelijk leven in stille gehoorzaamheid. Het gehoor bemerkt het, of een prediker zelf in het hoge zonlicht van Gods gemeenschap verkeert. Over zijn woorden, zijn verschijning en zijn gehele verkeer komt een merkwaardig fluïdum te liggen. Een soort geestelijke uitstraling, die zijn persoonlijkheid wijdt. Wij hebben trouwens dikwijls opgemerkt, dat ook eenvoudige gemeenteleden, die dichtbij hun God verkeren, een geestelijk gezag vertonen. Dat is niet opgelegd, niet gemaakt. Het komt van binnen uit het hart en het verleent een meerwaarde. Hoe eenvoudig ook het pak is, dat zij dragen, dit geestelijk overwicht dringt door alles heen.

Wat is nu het geheim van dit zon-doorschenen zijn? Dat wij de Heere onze God gelijk gegeven heblaen in Zijn oordeel over ons leven. Dat geeft een waarheidszin en een openheid, die geen wereldlijke maatstaf ons kan verlenen. De kern daarvan bestaat in ootmoed. Weet u, er is een knak gekomen in onze natuurlijke eigendunk. Wij zagen aanvankelijk zo onszelf in onze bedrijvigheid. Ons werk, onze arbeid nam ons geheel in beslag. Het werd al meer óns werk, ónze arbeid. Wij begonnen bij onze arbeid aan anderen de Heere uit het oog te verliezen. Het weerkaatste alles ónze ijver, ónze trouw, ónze volharding, óns inzicht. Het zelfbehagen drong al dieper in ons in. Ons werk begon in ons oog de volmaaktheid vrijwel nabij te komen. Het ging ons als de kunstenaar, die met een hoog ideaal zijn loopbaan begon. Die fris vooruit streefde, zolang dat ideaal nog hoog boven hem stond, maar die, zodra hij meent, het nu niet verder te kunnen brengen en de hoogte van zijn talent bereikt te hebben, begint af te takelen. Hij heeft nog wel de geroemde technische vaardigheid, de stukken, die hij bewerkt getuigen van zijn vaste hand, van zijn breed penseel, maar de ziel is er uit. Het is een kopiëren geworden van eigen werk. Het zijn altijd dezelfde effecten, dezelfde verdeling van licht en schaduw - monotoon om razend van de worden.

Welnu, zo kan het ook ons gaan. Zolang de liefde van Christus ons dringt is er bij ons geen tevredenheid over wat we bereikten, is er een open oog voor wat er telkens nog aan onze arbeid ontbreekt, staat het ideaal hoog, waarnaar wij met hart en ziel ons uitstrekken. Maar wanneer de eigenliefde de plaats van die liefde begint in te nemen, drogen de levenssappen op en wordt de arbeid al meer sleurwerk. Wij hebben dan ónze roem op te houden, wij mogen ons niet laten overvleugelen, en zo arbeiden wij zonder moe te worden. Maar inmiddels is de drijfkracht een andere geworden, voor de liefde tot de Heere is de eigenliefde ingeslopen, en zo zal onze arbeid ook allengs een andere stempel krijgen. In de veelheid trachten wij te vergoeden, wat er aan diepte ontbreekt.

Een beroemd denker heeft eens gezegd dat het abnormale ons misschien wel het diepste inzicht geeft in de norm. Wie het bovenstaande heeft gelezen zal begrijpen wat wij bedoelen.

Het is daarom niet nodig, dat wij verder gaan. Eenieder begrijpt het: de wezenlijke oprechtheid bestaat in een gedurig bukken voor de hoge God. Het is de beoefening van het catechismusgeloof. De levenservaring van de drie stukken. Ook de prediker moet dat doen en dat geeft aan zijn prediking een merkwaardige overwaarde.

Wij toefden zo-even in de binnenkamer. Nu gaan wij weer naar buiten. Die innerlijke oprechtheid, verdiept in het verkeer met de heilige God, verleent ons geloofwaardigheid en onkreukbaarheid. Deze eigenschappen komen ook tot uitdrukking in de gebaren en de houding van de spreker. Een domme redenaar gaat zwaaien en schreeuwen, gedraagt zich niet waardig. Een oprecht spreker straalt als vanzelf gezag uit in rust en evenwicht. Wij naderen hier tal van gedachten die wel in ons opkomen, maar die wij hier niet nader kunnen ontwikkelen. Onder meer deze: een prediker kan in zijn spreken volkomen echt overkomen, terwijl toch zijn diepere bedoeling alleen uit was op eigen eer. Het komt er vooral in de dienst des Heeren op aan dat Woordbediening en levensopenbaring in hetzelfde licht staan. Een spreker kan in zijn spreken volkomen authentiek zijn, terwijl toch zijn leven grote scheuren vertoont. Op den duur loopt dat natuurlijk fout. De slordige levensopenbaring legt een wolk over zijn prediking en maakt deze verdacht. Hier liggen nog vele voetangels en klemmen. Maar daarover nu genoeg.

Tot die authenticiteit behoort ook de wens een doel te bereiken. Een prediker wil overtuigen, iets aan de man brengen, verkondigen, aanhang verwerven voor zijn ideeën. Dat betekent allerminst, dat nu ook het gehoor immer blindelings meegaat. Op dit punt gekomen moet iedere hoorder zelf een keuze doen. Er zijn er die alle sprekers aldoor bejubelen. Wij geloven niet dat dit bijbels is. Het Woord zegt ons, dat de gemeente van Berea het Woord ontving met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. Hun bereidwilligheid om het Woord te ontvangen was niet van die aard, dat zij alles maar op horen zeggen aannamen, aan alles wat zij hoorden een onbepaald geloof hechtten. Zij vergeleken kritisch wat in de Schrift stond en wat Paulus zei: zo wordt een mondige gemeente gevormd.

Vervolgens behoort bij de oprechtheid ook de wens de Schrift zuiver te vertolken. De wereldlijke welsprekendheid heeft hier lang niet die betrouwbaarheid, die de kerk bezit. Tussen de prediker en de gemeente ligt de opengeslagen bijbel. Alzo spreekt de Heere. Wij kunnen wel concessies doen aan de gemeente, om den wille van de populariteit wat weglaten of toevoegen. Dat houdt het op den duur niet. Wie getrouw preekt naar de Schrift heeft wel gezag, maar ook hier komt telkens de aanvechting om de hoek kijken. De prediker staat in een strijdperk. Vele waarheden in de Schrift komen ons te dikwijls gevaarlijk dichtbij en hoezeer begeren wij dan niet uit te wijken? Dat is de verzoeking van de kansel — maar ook een verzoeking van de gemeente, wanneer zij steeds maar wenst te horen wat zij gewend is. De Heere Zelf moet ons dan getrouw maken. Intussen geldt ook hier de ondeugende waarheid van Tijl Uilenspiegel, die zei: de mensen hebben een hekel aan mij, maar ik maak het er naar. Wijsheid beslisse hier onze houding.

Tenslotte — oprechtheid heeft ook alles te maken met vrijheid. Er staat in het vierde hoofdstuk van Handelingen een gebed. Geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw Woord te spreken. De gemeente van Jeruzalem bidt dit gebed ter gelegenheid van de loslating van Petrus en Johannes uit de gevangenis. Het gaat hier om vrijmoedigheid. Een prediker kan niet vrij zijn en oprecht wanneer hij temidden van allerlei beperkingen wordt ingeklemd. Hij moet Gode meer gehoorzamen dan de mensen. Waar deze vrijmoedigheid verdwijnt gaat ook het Evangelie op de vlucht. Deze vrijheid moeten wij niet verwarren met brutaliteit. Neen, deze vrijheid heeft alles te maken met de zekerheid zonder vrees voor het effect het Woord te bedienen. Zo alleen komt onder ons de Heere God aan het Woord.

Aan het einde van deze artikelen over de welsprekendheid zal het de lezer wel duidelijk zijn geworden, dat deze eigenschap zeker te maken heeft met een element van vaardigheid, van bekwaamheid om het Woord te voeren. Daar mogen wij zeker wat aan doen. Maar het eigenlijke van de zaak is toch geestelijk. Ja, zelfs zo geestelijk, dat een Aoirig hart het zonder middelen zou kunnen. De antieken hebben gezegd: het hart maakt ons welsprekend!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Welsprekendheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's