Gods werk óf ons werk? (2)
Over remonstrantisme
Een vorig keer schreef ik dat er nog veel goeds gedaan wordt. De oorzaak daarvan is niet, omdat er in ons zoveel goeds is te vinden.
Wie dit mocht denken, denkt te groot van ons. Het kan zijn dat men een te optimistisch mensbeeld heeft. Dit laatste is niet iets nieuws. Er is in het verleden wel eens gezegd dat er gevangenissen gesloten konden worden als eenieder maar behoorlijk onderwijs ontving. Ik meen te mogen stellen dat eenieder in onze tijd een school kan bezoeken. Er kan echter niet gezegd worden dat er in de laatste decennia gevangenissen zijn gesloten en afgebroken. Het aantal is alleen maar vermeerderd.
Het volgen van onderwijs is een goede zaak, maar de misdaad neemt er niet door af Ook kan er niet gezegd worden dat de mens door onderwijs beter wordt.
Maar waarom is er dan toch nog zoveel goeds? Waarom zijn wij allen geen criminelen? Dat er nog zoveel goeds is en dat er nog zoveel goeds wordt gedaan, is er dankzij het licht van de natuur. Er mag immers nog altijd gesproken worden van de resten van Gods beeld.
Wat de resten van Gods beeld betreft denk ik aan artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In dit artikel wordt gesproken over de schepping en de val van de mens met als gevolg het onvermogen tot het ware goed.
Ik lees dan in het genoemde artikel van de gevallen mens: 'En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij (de mens) verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen'.
Kleine overblijfselen! Calvijn noemt ze in zijn Institutie 'scintillae' d.w.z. vonkjes. Hierover kan men gering denken, maar zij zijn er dan toch maar. Weliswaar niet om die te misbruiken, doch om ze te gebruiken.
Dat wij nog niet allen met gebalde vuisten tegenover elkaar staan, is te danken aan Gods algemene genade. Het is mij niet onbekend dat er in het verleden over de algemene genade Gods veel is gediscussieerd. Trouwens, dit komt ook in onze tijd nog wel voor. Een uitgebreide discussie over deze zaak die zoveel verwijdering kan veroorzaken, laat ik achterwege. Wel wil ik er dit van schrijven dat er nog altijd een algemene goedheid van de Heere is. Dientengevolge wordt het kwaad in algemene zin afgeremd en gebeuren er dingen waardoor het leven nog enigszins leefbaar is.
Toch moeten wij niet uit het oog verliezen dat de algemene genade geen bijzondere genade is. Het valt niet te ontkennen dat het mooi is als men een goed mens is. En het is helemaal niet verkeerd als men ons kent als een man of vrouw die een ander geen kwaad zal doen. Ook kan er geen verkeerd woord gesproken worden als wij goed zijn voor onze medemens, ver weg en dichtbij. Wij moeten daarover niet badinerend (spottend) of kleinerend spreken. Maar dat houdt niet in dat wij door dit alles behouden worden. Behouden worden wij alleen door Hem Die Zijn leven heeft gegeven op Golgotha's kruis. Wanneer Zijn gerechtigheid ons deel is, zijn wij rechtvaardig voor God.
Maar hoe komen wij aan die gerechtigheid? Hoe wordt Jezus onze enige troost in leven en in sterven? Is onze wil zodanig dat wij Hem aannemen?
Augustinus en Luther
In verband met wat ik in het bovenstaande in de laatste zinnen heb geschreven, stel ik de vraag: 'hebben wij een vrije wil? '
De vraag stellen is niet zo vreemd als men bedenkt dat er óók in onze tijd mensen zijn die stellig van mening zijn dat wij een vrije wil hebben. Dat geeft ze dan ook de mogelijkheid om Jezus — zoals zij zeggen — aan te nemen.
Wat de vrije wil betreft hebben meerderen hun gedachten daarover laten gaan. Ik noem Pelagius die door Augustinus in zijn opvattingen is bestreden. Ook kan er gedacht worden aan Erasmus. Deze grote geleerde heeft er zelfs een boek over geschreven. Hierop is Luther ingegaan. Het zal bekend zijn dat Luther aanvankelijk zeer bevriend was met Erasmus. Ook voelde hij zich in zijn denken verwant met deze grote geleerde. Toen Luther er echter voor zichzelf achter was gekomen dat God de goddeloze rechtvaardigt om niet, door het geloof, toen kon hij met het gedachtegoed van Erasmus niet meer instemmen. Luther leerde van Godswege dat onze wil is een knechtelijke wil en dat de vrije wil niet bestond. De vrije wil in de zin om voor God te kiezen.
Onderscheid
Ook al is er geen vrije wil om voor God te kiezen, dan wil dit niet inhouden dat wij niet voor iemand anders of voor andere zaken zouden kunnen kiezen. Een jongen kiest voor een meisje en zegt: 'Met haar wil ik het leven doorgaan'. Dat die jongen achteraf zal zeggen dat Gods hand erin is geweest, zal waar zijn. Maar op het moment dat hij voor een bepaald meisje kiest, weet hij dit nog niet. Het is zijn wil en zijn keuze om met haar een huwelijk aan te gaan.
Hetzelfde geldt voor allerlei dingen waaruit en waarvoor wordt gekozen. Ik denk bijvoorbeeld aan twee soorten groenten die op tafel staan. De één wil sla en de ander wil spinazie.
En wat te denken van wat een jongen óf een meisje later wil worden? De één wil timmerman worden en de ander ambtenaar van de burgerlijke stand.
Zo zouden er nog meer voorbeelden te geven zijn. Mij gaat het om aan te tonen dat er terreinen in het leven zijn, waarin een keuze gedaan moet worden. Nu eens wordt die weg ingeslagen, dan weer een andere weg. Het komt ook wel voor dat men er achterkomt dat men een verkeerde weg heeft ingeslagen, dan keert men op die weg terug en doet een nieuwe keuze. Tientallen keren op een dag doen wij een keuze waarin onder andere onze wil een grote rol speelt.
Van die wil kan men in bepaalde zin zeggen dat zij vrij is. Men is vrij om te doen en te laten wat men wil. Er is een zekere vrijheid van de wil waarin wij elkaar niet moeten beknotten. Wij moeten onze wil met als gevolg onze keuze niet altijd aan een ander opleggen. Dat gebeurt meer dan wij denken. En als de ander ons dan in onze keuze niet volgt worden wij boos en valt de ander buiten de boot. Alzo moet het onder ons in het gezin, in de kerk, in de samenleving niet zijn.
Het zijn niet de minste christenen — en nu denk ik even aan de gemeente, het reilen en zeilen daarvan — die ook eens wat weten toe te geven, mits het maar om een middelmatige zaak gaat. In de Schrift lezen wij over sterken en zwakken in het geloof. Het siert de sterken als zij de zwakken tegemoetkomen en dingen doen óf nalaten waardoor er geen verwijdering of vervreemding van elkaar ontstaat. Het is volstrekt niet verkeerd als de wil van de sterken eens ondergeschikt is aan die van de zwakken. Omgekeerd natuurlijk ook niet! Het gaat erom dat sterken en zwakken de eer van God en Zijn heilige wil op het oog hebben en houden.
Dordrecht
Ik heb iets geschreven over onze wil waarvan men kan zeggen dat zij op diverse terreinen van het leven een zekere vrijheid kent. Nogmaals stel ik de vraag: 'geldt dit nu ook naar God toe'. Anders gezegd: kan men van een vrije wil uitgaan, zodat men voor God kan kiezen? De remonstranten in de zeventiende eeuw geloofden in de vrije wil. Fel protest klonk er uit de mond van de contra-remonstranten, de gereformeerden. Van een vrije wil, wilden zij volstrekt niet weten. Helder en klaar hadden zij uit de Schrift geleerd dat dienaangaande onze wil een zondige wil is óf zoals Luther had geschreven: een knechtelijke wil.
De remonstranten hadden inzake de vrije wil geen been om op te staan. Steeds opnieuw werd er door de gereformeerden een beroep op de Schrift gedaan. Het gevolg was dat niet alleen de leer van de remonstranten werd veroordeeld, maar dat ook de predikanten die deze leer voorstonden werden verwijderd. Wel moet gezegd worden dat zij later via een achterdeur weer de kerk zijn ingekomen.
Wie meent dat de kerk ooit wel eens gevrijwaard is geweest van remonstrantisme, moet de kerkgeschiedenis er nog maar eens op nalezen. Er is géén tijd geweest waarvan men kan zeggen dat er in onze kerk geen remonstrantisme werd gevonden. Zelfs in de tijd van de nadere reformatie die door ons wel eens voor een bloeitijd van het kerkelijk leven wordt gehouden was de remonstrantse leer in de kerk te vinden.
Tegen het verleden wordt er wel eens anders aangekeken dan het in werkelijkheid was.
Schepping
Terecht heeft Luther op grond van de Schrift gezegd dat wij een knechtelijke wil hebben.
Vanuit het begin van de Bijbel weten wij dat dit bepaald niet altijd het geval is geweest. De Heere heeft ons goed geschapen. Er mankeerde niets aan ons. Ook van ons mensen heeft Hij gezegd: 'En ziet, het was zeer goed'. Geschapen zijn wij naar Gods beeld en gelijkenis.
Daarbij moeten wij niet vergeten dat de Heere ons een volkomen vrije wil had geschonken. Hij heeft ons geschapen als een volkomen vrij mens. Dus niet als een robot. Laatstgenoemde heeft geen vrije wil. Een robot doet alles wat door een ander is voorgeprogrammeerd. Geen stap kan er naar links of rechts gezet worden óf dat is tevoren aangebracht.
Maar alzo niet met ons! In het paradijs waren wij in staat om in alle vrijheid welke belissing ook te nemen. Het werkverbond met als inhoud: 'doe dat en gij zult leven', kon door ons volkomen worden gehouden. Daar was geen twijfel aan. Waarom niet? Omdat onze wil goed was en voor de volle honderd procent op de wil van God was afgestemd. In geloof en gehoorzaamheid verkeerden wij in het paradijs met de Heere. Onze wil was in overeenstemming met Gods wil. Maar helaas... er is iets verschrikkelijks tussenbeide gekomen. Een breuk, zo groot en diep, dat er van onze vrije wil niets overbleef! Er moest van een slaafse wil worden gesproken. (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's