De Heilige Schrift heeft uitleg nodig
Geestdrijverij een gevaar voor elke tijd
'Het gaat van kwaad tot erger. Het zijn de ellendige volgelingen van de ellendige Zwingli door wie de priesters van onze Kerk terzijde geschoven zijn. Zij hebben hun eigen "herders" gekozen, dwazen en verblinden die zonder wijding het Evangelie denken te verklaren. Zij zijn in huisgroepen samengekomen om het lutherse gedrocht, de bijbel in platte volkstaal, te onderzoeken. Vrij van onderzoek van het woord Gods! Alsof dat toekomt aan lieden die niet meer dan een "weesgegroet" kunnen spellen en geen weet hebben van het alpha en omega van de tekstexegese. Dat zij branden in het verschrikkelijke vuur dat nooit verteert moar eeuwigdurende pijn, afgrijselijke pijn veroorzaakt. Laat hun kinderen braden voor hun ogen, hun vrouwen stinken van het vuur dat hun onkuise haren wegschroeit.'
Aldus schrijft Jacob de Minderbroeder in een 'Kroniek van de opstanden en dwalingen in het gewest Holland en de stad Amsterdam' in de dertiger jaren van de zestiende eeuw. Het is het meest bizarre citaat, dat ik ondeen aan een lezenswaardig boek van Flip G. Droste, emeritus hoogleraar Algemene Taalwetenschap te Leuven, getiteld 'De aanslag op Amsterdam'. Dit boek is een op historische documenten gebaseerde kroniek in romanvorm, dat zich met name in de jaren 1534 en 1535 afspeelt in Amsterdam, dat roerig en oproerig was in die dagen vanwege de wederdoperij.
In 1531 werd een jonge monnik, Cornelis van Naarden, als spion van de bisschop van Utrecht naar het roerige Amsterdam gestuurd om verslag te doen van de woelingen, 'die vurige nieuwe geloofsvormen — zoals de wederdoperij — teweegbrengen'. Op 10 mei 1535 bestormt een kleine Gideonsbende van godsdiensthervormers het Amsterdamse stadhuis om het Nieuwe Jeruzalem te stichten. De wederdopers, die in Munster, daartoe geïnspireerd door Thomas Münzer en Melchior Hoffman, het Nieuwe Jeruzalem wilden stichten, zorgden in Amsterdam in die jaren ook voor felle botsingen, waarbij felle vervolgingen door de overheid in Den Haag en Brussel ontstonden. De aanslag, die ten doel had om ook in Amsterdam het Nieuwe Jeruzalem te vestigen, mislukte, mede omdat een dronken doper met zijn zwaard het touw doorsneed van de stadsklok, waarmee de strijders te hoop moesten worden geroepen.
De zogeheten Hanzesteden stonden via de handel met elkaar in nauw contact en beïnvloedden elkaar, ook met betrekking tot de wederdoperij. Amsterdam en Munster, zo heette het, waren 'als een kermistweeling met elkaar vergroeid'. De wederdoperij werd als een 'Hanzeziekte' getypeerd.
Conflict
In zijn boek vermeldt Droste de ervaringen en gevoelens van Cornelis van Naarden in diens schriftelijke verslagen aan de bisschop, waarbij deze telkens melding maakt van zijn gesprekken met zijn kloosterbroeder Justus, een zeer getrouw zoon van Rome, met wie hij, naar hij zegt, gemeen heeft dezelfde afkeer van Luther, 'de bikkelharde eigenzinnige boer'. Justus echter staat vierkant achter 'de geloofsijver van het Hof in Den Haag' en achter 'de huiveringwekkende plakkaten van de Majesteit in Brussel'. De Utrechtse spion raakt daarentegen in een innerlijk conflict, zodat hij uiteindelijk ook niet objectief meer is in zijn verslaggeving.
Let wel, het gaat in dit boek dus om de wederdopers, met als één van de leiders Melchior Hoffman, van wie wordt opgetekend, dat hij niet tevreden was 'met de schade die zijn lutherse nieuwlichterij heeft aangericht in Sleeswijk en Holstein en het verre Zweden' en zich daarom bekeerd heeft tot de wederdoop.
De wederdopers verwierpen, in tegenstelling tot de Reformatie zelve, de kinderdoop 'omdat de doop met het heilige water een bewuste keuze zou moeten zijn en omdat onze Heer ook pas gedoopt werd toen hij daar zelf voor kiezen kon'.
De wederdopers verwierpen, in de lijn van de Reformatie maar in hun eigen bewoordingen, de mis, 'omdat het Sacrament alleen maar oudbakken brood zou zijn'. 'Adriaan genaamd Éénoog' zou door het stuk brood zijn zwaard durven steken en er zou geen bloed uit vloeien.
Al in 1530 zijn er, zo meldt het boek, avondmaalsbijeenkomsten in Amsterdam geweest 'als herinnering, en niet meer dan dat, aan het lijden van onze Heer'. De onverzettelijke Justus zegt van de dopersen:
'Dat ze het geloof in het Sacrament verloren hebben is een onvergeeflijke ramp. Maar nog erger is het, dat ze geen ongelovige honden geworden zijn als de volgelingen van Mohammed. Ze bidden langer en vuriger dan de nonnen van het Sint-Agnietenklooster, ze preken met het vuur van Christus aan het Meer van Tiberias.'
Reden waarom 'de Utrechtse spion' niet durft te zeggen dat het 'ongelovigen' zijn. Hij houdt het op dwalende gelovigen. Hij heeft zijn twijfels aangaande de kerk, zoals Erasmus, zeker ook wanneer hij ziet dat de brandstapels voor de wederdopers roken. De dopers zijn minder gewelddadig, verzucht hij op een bepaald moment, dan 'de dienaars van mijn eigen kerk'.
Bijbel
Ik laat nu de historische wetenswaardigheden uit dit boek voor wat ze zijn, om verder aandacht te kunnen geven aan één aspect, dat in de documenten uit die tijd kennelijk telkens terugkomt, namelijk de in het begin al aangeduide plaats van de Schrift onder het volk. 'Als in de hoogste kringen van de stad geredetwist kan worden over de meest intieme aspecten van het Geloof - schrijft de Utrechtse spion aan zijn novicemeester — en als men daarbij toch de regels van hoffelijkheid in acht neemt, dan leeft de Leer, dan leeft het religieus besef' En zo heeft hij begrip voor 'de twijfelaar, de zoeker'. Hij krijgt rondzendbrieven in handen, waaruit blijkt 'hoe geschoold in de Schrift de schrijvers ervan zijn'. Maar bij dit alles is er één zaak die hem zeer verontrust:
'Meer en meer kom ik tot de overtuiging dat het gevaar van de Amsterdamse dwaalleer niet in de wederdoop gelegen is: er zal vaker tweemaal water gestroomd hebben over Hollandse koppen. Maar als we een opstelling maken van die hele reeks "kleine vernieuwingen", dan rijst daaruit een leer op, die onze kerk in haar fundamenten aantast. Die nieuwe leer schakelt de christelijke Kerk uit, vernietigt haar bemiddelende rol tussen Hemel een aarde, en maakt de bovenmenselijke taak van de priester overbodig. Bij de anabaptisten praat de gelovige rechtstreeks met God.'
Over de wederdoop windt hij zich nauwelijks op. Een modegril noemt hij deze. 'Nee er dreigen andere, dieper gelegen gevaren. Die vormen nu de kernpunten in de doperse dwaalleer, maar je vindt ze al terug in het sacramentalisme. Ik doel dan niet op die vertaling van het Nieuwe Testament op basis van de zogenaamde lutherbijbel: die is in 1523 gedrukt bij Doen Pieters in de Kerkstraat, en op zichzelf kun je aanvaarden dat de barrière van het Latijn voor de gewone mensen (en helaas ook voor nogal wat geestelijken!) afgebroken wordt. Maar als daaruit de consequentie getrokken wordt dat niet de priester krachtens zijn wijding het Evangelie mag prediken, maar dat alleen de Geest Gods iemand daartoe gerechtigd maakt, ja dan... dan valt het fundament onder onze samenleving weg: dan is iedereen aan iedereen evenwaardig, dan zijn er geen standen meer en zakt de bemiddelende rol van de priester weg in een moeras van gelijkheid. Dan wordt zo'n vertaling een levensbedreiging voor de kerk (curs. van mij, v.d.G.).'
De Utrechtse spion vraagt zich af waar 'de bemiddelende rol van de priester zou blijven als eenvoudige mensen het woord Gods gaan verklaren en de prediking van de Heer Jezus Christus gaan overnemen'. En zo is hij toch een trouw zoon van Rome. De bijbelvertaling noemt hij zelfs kerk-bedreigend.
Uit dit alles blijkt intussen - dat moet toch wel allereerst worden gezegd — hoe, zo kort reeds na de Reformatie, de Bijbel niet alleen bekend was bij het volk, maar ook in vertaling dicht bij het volk was gebracht. De Reformatie heeft het aangedurfd de Bijbel aan het volk in handen te geven. De mondigheid van de mensen, om het modern te zeggen, om zelf met de Schrift te mogen omgaan, leidde ertoe dat de Schrift leefde onder het volk en bedreigend was voor het pauselijk instituut. In 'huisgroepen' — vandaag zouden we zeggen bijbelkringen — werd, blijkens het citaat aan het begin van dit artikel, de Bijbel onderzocht. Hierin betekende de Reformatie niet minder dan een revolutie in de kerk: Sola Scriptura, alléén de Schrift. Het volk mocht de Schrift lezen en deed dat ook. En inderdaad: de gelovige mocht direct met God spreken in gebed. Bij al het negatieve dat over de dopers valt te zeggen — en dat is heel wat — moet toch worden gezegd, dat er ongetwijfeld ook 'stillen in den lande' onder hen waren, bij wie het Woord was gaan leven.
Schaduw
Nochtans kwam de wederdoperij als een slagschaduw over de Reformatie. Het volk nam de Schrift ter hand, maar ongeletterde voorgangers van allerlei snit gingen, met een beroep op de Geest, hun eigen inzichten aan het volk opleggen. De radicale wederdoperij was er een uiterste consequentie van. Thomas Münzer trok als 'een apocalyptische ruiter' door het land om het Duizendjarig Rijk uit het boek Openbaring te prediken en er concreet gestalte aan te geven in Munster, waar dit rijk zich op aarde zou vestigen. Maar 'boekbinders, wapensmeden, leerbewerkers, broodbakkers, kuipers en lantarenmakers', die minder naam maakten en aanvankelijk 'liefdevol' over de leer spraken, wierpen zich op als voorgangers, die ook in Nederland een volksbeweging wakker riepen om de vestiging van het Nieuwe Jeruzalem - in Munster en in Amsterdam — kracht bij te zetten. Daarin ging het uiteindelijk om een revolutie, waarin de overheid zelve, als overheid, moest sneuvelen. De wederdoperij bracht geen (gerechtvaardigde) strijd om godsdienstvrijheid, zoals in de latere tachtigjarige oorlog, maar een revolutie waarbij geestelijk en wereldlijk gezag omver werden geworpen.
Doperse voorgangers hebben hierin ongetwijfeld vele eenvoudige zielen misleid. Daarin zijn ze een waarschuwend voorbeeld. Het gold voor toen en nu: 'Onze verre hemel kan niet concurreren met een eeuwige zaligheid die morgen begint'. Dat is het misleidende van alle profeten, die heil voor morgen verkondigen en intussen on-heil aanrichten.
Bovendien kwam in het doperdom openbaar, dat er altijd het gevaar is van 'doorvloeien', wanneer eigen inzichten worden gewettigd met een beroep op de Geest. Mensen als bijvoorbeeld Jan Matthijsen, de bakker van Haarlem, werden eerst bekeerd tot de Reformatie, maar werden vervolgens 'doorgeleid' tot de doperse beweging.
Uitleg
Daarom was het ook best een waagstuk, dat de Reformatie het volk de Schrift in handen gaf. De Schrift vraagt namelijk ook om gedegen uitleg. Er zijn uitleggers nodig, met kennis van zaken aangaande de grondtalen en de geschiedenis en de context, waarin de Schriftwoorden tot stand kwamen; kennis ook van de héle Schrift, omdat nu eenmaal elke ketter zijn letter blijkt te hebben.
Juist de grote reformator Calvijn is de man geweest, die vrijwel alle bijbelboeken van uitgebreide commentaar heeft voorzien. Hij heeft op het punt van de Schrift gestreden tegen twee fronten. Allereerst tegen Rome, die de Schrift alleen veilig achtte onder de stolp van de kerkelijke traditie. Maar ook tegen dopersen, die uiteindelijk de Geest losmaakten van het Woord en dwepers werden, waarbij alle aandacht zich geïsoleerd op bepaalde Schriftplaatsen richtte.
Het is overigens betreurenswaardig, dat Calvijn geen commentaar op het boek Openbaring, en dus ook niet op het in die tijd actuele Schriftgegeven aangaande het Duizendjarig Rijk, heeft nagelaten. Ook het tweede deel van zijn uitleg van de profetieën van Ezechiël ontbreekt. Toen hij met dit bijbelboek bezig was, werd hij op het ziekbed geworpen, dat zijn sterfbed zou worden. Maar intussen heeft Calvijn wel overal in zijn commentaar de nauwe samenhang van Woord en Geest geleerd en in zijn uitleg ook zodanig toegepast, dat het niet onduidelijk was, dat hij elke vorm van geestdrijverij verwierp.
Tegelijk met zijn Schriftuitleg heeft Calvijn ook in woord en geschrift de hoge roeping van de overheid en de onderwerping aan het wettige gezag geleerd. In zijn geschriften dienaangaande wees hij absolute machtsuitoefening in kerk en staat af maar evenzeer het denken van schwarmerische geesten, die geen zicht meer hadden op wettig gezag in kerk en staat. Ook hier gold voor hem het Sola Scriptura.
Onderscheiden
Het doperdom is in de eeuwen na de Reformatie altijd een begeleidend verschijnsel geweest van de gereformeerde kerk, ook al vertoonde het niet meer die specifieke uitwassen van de zestiende-eeuwse beweging der wederdopers, die het Nieuwe Jeruzalem als een heilsstaat op aarde wilden vestigen. Maar de kerkgeschiedenis is nooit vrij geweest van geestdrijvers, die het volk op een dwaalspoor brachten.
De Geest echter wórdt niet gedreven maar neemt het Woord als voertuig en stuwt het Woord door de tijden en door de wereld. En de kerk is de plek waar het Woord wordt uitgelegd en uitgezegd, waar het in de volmacht van de Heilige Geest wordt verkondigd.
Het was voor Rome in de zestiende eeuw een bittere pil, dat de Reformatie de bemiddeling van de priester inzake het heil afwees. Maar tegelijkertijd had de beweging van de Reformatie zelf een kerk en een kerkelijke orde nodig. Aan de Reformatie danken we zo uiteindelijk óók een synodaal-presbyteriale kerkstructuur enerzijds en een grondige uitleg van de Schrift anderzijds. De kerk mag geen gezag oefenen over het Woord maar het Woord vraagt wel om een kerk.
De gebeurtenissen in de dertiger jaren van de zestiende eeuw zijn er het bewijs van, dat de nieuwe beweging van de Reformatie ook tegen dwaalwegen van geestdrijverij moest worden afgeschermd. Het boek van dr. Flip G. Droste, hoezeer ook geschreven aan de hand van wat een trouwe zoon van Rome (de monnik Justus) en een twijfelaar inzake de praktijk van de roomse geestelijkheid (Cornells van Naarden) hebben nagelaten, dwingt zonen en dochteren der Reformatie van elke tijd ertoe om hun omgang met de Schrift scherp af te bakenen tussen Rome en de doperse radicalen. Men leze hiertoe ook het boek van prof. dr. W. van 't Spijker 'Calvijn en de doperse radicalen' (Reformatiereeks, Kok, Kampen). En tenslotte, niet alle dopers waren radicaal. En geestelijk gezien waren er vloeiende overgangen tussen echte aanhangers van de Reformatie en de doperse radicalen.
N.a.v. dr. Flip G. Droste, De aanslag op Amsterdam, uitgave De Bezige Bij, Amsterdam, 307 pag., ƒ 39, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's