Uit de pers
De bijbel als literatuur
Onlangs verscheen van het 'tijdschrift in boekvorm' Raster aflevering 80 (uitg. De Bezige Bij, Amsterdam 1997) met als thema In den beginne. De redactie van Raster gaat er zonder nadere verantwoording van uit dat je de bijbel ook kunt lezen als literatuur. Gelovigen lezen de bijbel als een 'religieus gebruiksboek'. Maar daar houdt de redactie zich hier in deze aflevering absoluut niet mee bezig. Er zijn vandaag genoeg niet-gelovigen die grote belangstelling hebben voor de bijbel als literatuur. Daar speelt de inhoud van deze aflevering uitvoerig op in.
Deze zó gerichte belangstelling voor de bijbel is vooral opgekomen het laatste kwart van deze eeuw. Dat heeft alles te maken met de sterk toegenomen ontkerstening onder ons volk. Niet-gelovigen die van huis uit nog bij de bijbel zijn opgevoegd, zijn nog redelijk goed op de hoogte van het bijbels en christelijk erfgoed. Maar er is intussen een nieuwe generatie niet-gelovigen ontstaan voor wie, om het met woorden van Nicolaas Matsier in deze aflevering te zeggen, 'de christelijke cultuur allang wijlen is'. Zij weten niets meer van de inhoud van de bijbel, kennen geen verhalen en namen en begrijpen daarom nauwelijks nog enige verwijzing in literatuur en kunst naar bijbelse motieven. Juist onder hen is de belangstelling voor de bijbel als boek van literatuur groeiende. Dit nummer van Raster gaat uitgebreid op deze vraag en behoefte in.
Maar, u begrijpt, daarom vraag ik geen aandacht voor deze uitgave in een blad dat door 'vrienden van de waarheid' wordt gelezen. Waarom dan wel? Omdat er ook aandacht wordt geschonken aan de nieuwe vertaling van de bijbel die in 2002 gereed moet zijn. Er is de laatste weken in ons blad al de nodige aandacht voor gevraagd in instructieve bijdragen van drs. Th. A. W. van der Louw (Bijbelvertaling - principe en praktijk) en van dr. M. J. Paul (Bijbelvertalen: theorie en praktijk). U kunt dus al enigszins op de hoogte zijn. De auteur en redacteur van Raster Nicolaas Matsier heeft een gesprek gehad met de hebraïcus Kees Verdegaal (KV) en de neerlandicus Arend Jan Bolhuis (AB), het vertalersduo dat het boek Prediker voor zijn rekening nam. Uit dat gesprek citeer ik straks enkele fragmenten. Eerst een citaat uit de inleiding die Matsier aan het gesprek laat vooraf gaan. Informatie die niet helemaal nieuw is, maar toch goed om nog eens te lezen.
'Als het goed is, wordt in het jaar 2002 het niet geringe project van de Nieuwe Bijbelvertaling voor het Nederlandse taalgebied, de NBV, afgerond. Dan verschijnt er een spiksplinternieuwe en uiterst ambitieuze vertaling. Ambitieus, omdat deze vertaling - en dat gebeurt voor het eerst - alle mogelijke bijbellezers wil bedienen: de christenen in de ruimste zin van zowel katholieken als protestanten, plus de joden, met wie de christenen het Oude Testament immers delen; maar zelfs met deze grootste gemene deler van religieus op de bijbel georiënteerde lezers is de doelgroep nog niet compleet. Nadrukkelijk richt de vertaling zich ook tot degenen die in de bijbel geïnteresseerd zijn als een vorm van literatuur danwei als al dan niet verzonken cultuurgoed.
Daartoe hebben de twee samenwerkende instanties. Het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting, een indrukwekkende machinerie ontworpen. Er zijn zogenaamde vertaalkoppels gevormd, per afzonderlijk bijbelboek. De ene helft van zo'n koppel is een kenner van de grondtekst, dus van het Hebreeuws respectievelijk Aramees (voor het Oude Testament) , of van het Koine-Grieks (voor het Nieuwe Testament). De andere helft van het koppel staat als neerlandicus of - ca, danwel als vertaalkundige, op de bres voor de zogenoemde doeltaal. Rondom die vertaalkoppels — die meerdere bijbelboeken onder hun hoede kunnen hebben — staat dan een schare van supervisoren, deskundige meelezers uit de kerken in Nederland en Vlaanderen onder wie wederom grondtekstkenners, neerlandici en vertaalkundigen, aan wie commentaar wordt gevraagd. En in een wat losser verband wordt ook anderen daar wel eens om gevraagd. Zo heeft schrijver dezes, als literair lezer, een paar bijbelboeken mee gelezen.'
Ik schreef al dat de nieuwe vertaling van het boek Prediker de inzet is van het gesprek dat Matsier onlangs had met Verdegaal en Bolhuis.
Voorafgaand aan het gesprek staan enkele fragmenten van de nieuwe vertaling afgedrukt van het eerste hoofdstuk. Als u er uw eigen bijbelvertaling naast legt, dan kunt u zien wat het voorlopige resultaat is. Ik citeer Prediker 1 : 1-11.
De bijbel opnieuw vertaald
1 Hier volgen de woorden van Prediker,
1 zoon van David en koning in Jeruzalem.
Lucht en leegte
2 Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is maar leegte.
3 Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven,
al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon?
4 Geslachten gaan, geslachten komen, maar de aarde blijft altijd bestaan.
5 De zon komt op, de zon gaat onder, en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan.
6 De wind waait naar het zuiden, dan draait hij naar het noorden.
Hij draait en waait en draait, en al draaiend waait de wind weer terug.
7 Alle rivieren stromen naar de zee,
en toch raakt de zee niet vol.
De rivieren keren om,
ze gaan weer naar de plaats vanwaar ze komen,
en beginnen weer opnieuw te stromen.
8 Alles is vermoeiend,
zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn.
De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust,
zijn oren horen, en ze blijven horen.
9 Wat er was, zal er altijd weer zijn,
wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan.
Er is niets nieuws onder de zon.
10 Wanneer men van iets zegt: 'Kijk eens, iets nieuws',
dan is het altijd iets dat er sinds langvervlogen tijden is geweest.
11 De vroegere geslachten zijn vergeten,
en ook de komende geslachten zullen weer worden vergeten.
Ik laat het aan u over wat u van deze vertaling vindt. Het meest opvallend is de nieuwe vertaling van 'ijdelheid der ijdelheden' in 'lucht en leegte, alles is maar leegte'. Daarover straks in het gesprek met de vertalers nog meer. Eerst gaat het over de methode waarmee gewerkt wordt.
Dat er vertaalkoppels gevormd zijn, bestaande uit telkens een kenner van de brontaal, in dit geval dus het Hebreeuws, plus een neerlandicus, zou een buitenstaander verbazend kunnen vinden. Kan een hebraïcus dan niet vertalen.'
KV: Dat heeft te maken met de aparte positie van de bijbel. Die is een zo groot aantal malen vertaald, en misschien wel oververtaald in de zin van veel te vaak vertaald, dat er een bepaald soort sensibiliteit is ontstaan. Zodat het per se nogal goed moet gebeuren, wil het weer een goede vertaling zijn. En binnen de context van het bijbelvertalen is er natuurlijk allerlei theorievorming geweest die met name ook een aanzet is geworden tot vertaaltheorieën in het algemeen. Ik denk dat het speciaal die sensibiliteit ten aanzien van de tekst is — of die al dan niet heilig is, is een tweede - die maakt dat men er zo heel precies mee om wil gaan. Als je Pessoa vertaalt ofzo, ja, dan heb je die luxe niet. Het is een luxe, dat dit mogelijk is.
Ik had eigenlijk verwacht dat u het zou hebben over de Statenvertaling die al ruim drie eeuwen in het Nederlands verankerd ligt, en die ons stilistisch toch ook een beetje gehebreaïseerd heeft.
KV: Dat is maar een kwart van de bevolking natuurlijk, hè? Er zijn natuurlijk wel algemene zaken die in het Nederlands zijn doorgedrongen, maar de grote gevoeligheid voor wat dan de tale Kanaans heet, die is toch met name bij het reformatorische deel te bespeuren. Trouwens, de Statenvertalers zijn veel minder hebraïserend te werk gegaan, mijn inziens dan vaak beweerd wordt. Ze hebben vaak heel dynamisch en niet concordant vertaald.
Ik ga nog even terug naar de vraag: waarom die neerlandici erbij?
AB: Ik denk dat dat te maken heeft met het feit dat men zich hier bij deze organisatie er sterk van bewust is dat de oudere vertalingen, op de Groot Nieuws Bijbel na, maar bij voorbeeld die van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 en ook de Willibrordbijbel, zo gekenmerkt worden door interferenties - letterlijke vertalingen vanuit de brontekst die niet weergeven wat er eigenlijk staat, vertalingen die in het Nederlands iets anders gaan betekenen. Er werd nogal letterlijk vertaald, ook uit piëteit ten opzichte van de tekst. Daarom wilde men die neerlandici erbij. Maar in de loop van het proces zijn de rollen niet zo strikt gescheiden. Al in een heel vroeg stadium zijn de neerlandici betrokken bij de vertaalslag naar het Nederlands. We krijgen een vrij letterlijke vertaling, m mee te begiimen. KV: Dat is de zogenaamde VI, een vertaling door de brontekstkenner die zo dicht mogelijk bij de grondtekst blijft, en die in de toelichting zaken aankaart of alternatieven geeft waarmee de neerlandicus aan het werk kan. Ik probeer juist afstand te nemen van mijn eigen interpretatie.
AB: Van die VI, dat is de zo letterlijk mogelijke vertaling voorzien van allerlei commentaar en toelichting, maken wij als neerlandici dan een Nederlandse tekst, met vragen en zo. Daar reageert de brontekstkenner dan weer op, die wil andere dingen. Dan krijgen we de V3, dat is een gezamenlijk product. Die gaat naar een koppel collega's, onder wie weer een brontekstkenner, en ook hun commentaar verwerken we vervolgens. Dat is dus de V4. Die gaat naar de zogenaamde coördinatie, dat is het grote geheel. Daaruit komt de V5 voort en die gaat ten slotte naar de supervisoren.
En dan over, wat ik al aanstipte, de nieuwe weergave van de veelvuldig voorkomende woordgroep in het boek Prediker 'ijdelheid der ijdelheden etc'.
Zoals het nu begint, in uw vertaling, met 'Lucht en leegte', dat vind ik schitterend.
KV: In het Hebreeuws staat er havel havolim, traditioneel vertaald met ijdelheid der ijdelheden. Mijn V2, die allereerste vertaling, had als weergave: '(v) luchtigheid der (v)luchtigheden'. Want 'lucht' is een basisbetekenis van havel, en 'vlugtigheid' ook. Het kan iets van 'adem' of 'wind' betekenen. Dat deed ik juist om die dubbele betekenis, die toch elke keer beoogd wordt bij Prediker, weer te geven. Dus zo kwam Arend-Jan op... AB: Het is nooit mijn bedoeling geweest om zo'n traditionele vertaling als 'ijdelheid der 'ijdelheden' bij voorbaat te vervangen. Daar houd ik niet zo van, dat soort strategieën. Maar vanitas vanitatum is hoe dan ook geen adequate vertaling. Het past namelijk niet bij die hele reeks van natuurbeelden in Prediker - waar het bij hoort. En op een gegeven moment valt het je in: lucht en leegte. Ik vind wel dat er een nadeel aan de vertaling zit. Het krijgt, door 'leegte', iets postmodernistisch, iets existentialistisch, en dat is niet de bedoeling.
KV: Ik ben er heel gelukkig mee. Want die vertaling van de Vulgata, dat vanitas vanitatum, is veel te interpretatief en ook te smal. Fanitas heeft een moraliserend karakter. Dat moet het eigenlijk niet zijn. Het zit meer in de buurt van 'absurd' en 'ongrijpbaar'.
Er wordt ook gevraagd naar de manier waarop over God wordt gesproken, het gebruik van de kleine letter of de hoofdletter in verwijzingen naar Hem.
Wat God aangaat: is er een algemene richtlijn, dat als hij als persoonlijk voornaamwoord voorkomt, dat met een kleine letter moet zijn.' Dat is in de versie van Prediker die ik van u las wel zo in elk geval.
AB: Nou, dat hangt ook af van... politieke kwesties, bijna. Maar daarmee zijn we inderdaad van start gegaan. Al is het niet onwaarschijnlijk dat men uiteindelijk zal kiezen voor een soort tussenweg.
Zo'n hoofdletter kan ook wel handig zijn. Heel vaak is het niet meteen duidelijk over welke van twee hij's het nu gaat.
AB: Maar dat probleem zou je eigenlijk niet mogen oplossen door een hoofdletter te gebruiken.
Ook is het een oude, eerbiedige traditie, neem ik aan.
AB: Maar uiteindelijk zullen wij daar niet over gaan. En ik denk niet dat het zo zal blijven als het nu is, dus dat alle pronomina met een kleine letter worden gespeld.
KV: Het zal wel een tussenweg worden. AB: Het zelfstandige persoonlijk voornaamwoord 'hij' met een hoofdletter, en een kleine letter wanneer het om het bezittelijk persoonlijk voornaamwoord gaat.'
Tot zover enkele fragmenten uit het gesprek met de vertalers van Prediker. Het laatste woord zal er voorlopig nog niet over gezegd en geschreven zijn. Het gaat hier ook om een uiterst gewichtige en gevoelige kwestie. Juist voor hen die de bijbel belijden als Gods onfeilbare Woord, is een vertaling van ongekend belang. Om het wat zwaar geladen misschien te zeggen: onze ziel en zaligheid hangt er middelijkerwijs van af De sterke gehechtheid aan de Statenvertaling heeft hier alles mee te maken. We willen weten: wat staat er precies, wat zegt God in Zijn Woord tot ons? Maar als een vertaling niet langer helder blijkt te zijn omdat een levende taal zich nu eenmaal ontwikkelt en woorden andere betekenissen krijgen en andere gevoelswaarden oproepen, dan komen we voor de vraag te staan hoe we daar mee om moeten gaan. Juist ook in een tijd waarin de bijbel als Woord van God onder de grote druk van de ontkerstening staat. Niet alleen maar bij niet-gelovigen, maar ook onder hen die nog kerkelijk meelevend zijn en voor wie toch de taal van de 1637 meer en meer een belemmering vormt om tot een recht verstaan van de bijbel te komen. Laat het ons een gebedszaak blijven dat we als christenen elkaar nog niet meer kwijtraken. Het zou toch een satanische overwinning zijn als medegelovigen elkaar om een bijbelvertaling gaan loslaten. Ons gebed zij ook voor allen die bezig zijn in de dienst van vertaling en vertolking van de bijbel voor de generatie van nu en van straks.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's