Globaal bekeken
In Kerktijd (Citaatblad van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis) staat een lezenswaardig artikel van Els Stronks 'Over ijdellneid en verkoopbaarheid van zeventiende-eeuwse gereformeerde predikant-dichters'. Niet alles daarin gaat overigens over 'ijdelheid'. Hier volgen enkele fragmenten:
• 'In 1678 kreeg de gereformeerde kerk in Rotterdam er een predikant bij. Zijn naam was Johannes van Doesburg. Deze Van Doesburg werd verwelkomd door een predikant die al langer in Rotterdam stond, Franciscus Ridderus. Ridderus hield een preek, waarin hij onder meer - de hele preek van ruim twee uur zal ik hier niet herhalen - het volgende advies gaf aan de verzamelde gemeenteleden:
Goede predikanten zijn als geleende boeken. Men weet, dat men ze altijd niet hebben kan, en men tekent daar spoedig wat uit. Zo hebt gij een predikant van de Here toch ook maar te leen.'
• '(...) hoe succesvol ook, het schriftuurlijke lied was aan het einde van de zestiende eeuw - zo rond 1580 - onder gereformeerden in diskrediet geraakt. Marnix van St. Aldegonde, die volgens sommigen de schrijver is van het bekendste geuzenlied, het Wilhelmus, zette toen een offensief in om het zingen van geestelijke liederen in de gereformeerde eredienst te verbieden. Reden hiervoor was dat hij vond dat de geestelijke liedteksten te veel van de bijbel afweken. Marnix pleitte voor hegemonie van de psalmen, en hij kreeg zijn zin. Zelfs iets meer dan dat wellicht, want omdat in het kerkgebouw geen liederen meer gezongen werden, stokte ook de productie van nieuwe geestelijke liederen onder gereformeerde dichters.
Het duurde tot ongeveer 1615 voor in deze situatie verandering kwam. De contraremonstranten en remonstranten stonden toen al enkele jaren tegenover elkaar in hun discussie over de predestinatie. Om gelovigen voor zich te winnen, schreef toen in 1715 de Utrechtse predikant Bernardus Busschoff een nieuw geestelijk lied, dat hij de "Lofsang des Heeren" noemde. Daarin verwoordde hij de onvervalste contraremonstrantse visie op de uitverkiezing. Ik citeer de eerste strofe van Busschoffs lied:
Geloofd zij God die mij heeft uitverkoren.
Ter zaligheid! Eer dat ik was geboren
Ja, eer de grond des werelds was geleid.
Niet uit mijn geloof of werken verheven.
Die ik bedrijven zoude in mijn leven.
Maar alleen uit Zijn goedertierenheid.
Busschoffs remonstrantse collega's waren verbijsterd. Ze hadden onderling enige jaren daarvoor afgesproken dat predikanten er zich van zouden onthouden om de gemoederen op te stoken. Die afspraak nu werd door Busschoff met voeten getreden: het ergste was nog wel dat hij zijn opruiende taal in druk had uitgegeven, voor iedereen te lezen en te zingen dus. De contraremonstranten hadden een andere reactie. Ondanks hun eerdere bezwaren tegen het geestelijke lied, omarmden ze Busschoffs initiatief. Ze zongen zijn lied uit volle borst, en zorgden middels pamfletten voor een grote verspreiding.
De achterstand die de remonstranten in 1615 door toedoen van dit lied van Busschoff opliepen, maakten ze in 1624 meer dan goed. Toen verscheen van de hand van de remonstrantse predikant Dirk Rafaëlsz. Camphuyzen de bundel Stichtelijke rijmen, vol met liederen om te zingen en te lezen. Camphuyzens bundel werd erg populair: herdruk na herdruk werd in de jaren na 1624 uitgebracht, en het vermoeden bestaat dat lang niet alleen remonstranten uit de bundel zongen.'
• 'Met gepaste trots schrijft de predikant (ds. Willem Sluiter, v.d.G.) in het voorwoord van zijn derde liedbundel dat door zijn inspanningen het zingen van verderfelijke wereldlijke liederen bijna verdwenen is uit Eibergen. Iedereen neemt in plaats daarvan nu zijn stichtelijke teksten in de mond. Nooit is hij meer tevreden dan wanneer hij op zijn avondwandeling door zijn gemeente loopt. Sluiter dicht:
Maar hoe vrolijk zijn mijn gangen
Als ik, laat in d'avondstond
Langs de straat, zo menig mond
Tot Gods lof, mijn eigen zangen
Uit veel huizen galmen hoor!
't Raakt mijn herte door en door.
Zo zijn we dan ongemerkt toch weer bij de ijdelheid en het eergevoel van de predikant-dichters aangeland. Het is een subtiel en moeilijk te maken onderscheid: was Sluiter er trots op in de avonduren geestelijke in plaats van wereldlijke zangen te horen, of voelde hij zich vooral gestreeld omdat men zijn liederen zong? Deelde hij zijn eigen werk met gulle hand uit om voor een grote verspreiding ervan te zorgen, of ter meerdere eer en glorie van zichzelf? Predikanten zijn tenslotte ook maar mensen.'
....
Een lezer schreef: 'Gedenk de woorden van Datheen... Kreupel maar krachtig':
'Waarom wilt gij u zo kwellen
En beroerd zijn, o ziel mijn?
Wil gans uw hoop op God stellen
Van u zal Hij gedankt zijn!'
....
Toen we enkele jaren geleden met deze rubriek begonnen was één van de eerste stukken, die we opnamen een aardige compositie van.'inconsequenties' in de Nederlandse taal. Dezer dagen kregen we een stuk van dezelfde strekking maar van andere inhoud onder ogen, getiteld 'Dat onlogische Nederlands'. Hier volgt het:
'Wie gisteren ging vliegen, zegt heden: ik vloog.
Dus zegt u misschien van wiegen: ik woog?
Nee, pardon. Want ik woog is afkomstig van wegen.
Maar... is nu: ik voog een vervoeging van vegen?
En dan het woord "zoeken" vervoegt men: ik zocht.
En dus hoort bij vloeken misschien ook: ik vlocht?
Alweer mis, want dit is afkomstig van vlechten.
Maar "ik hocht" is geen juiste vervoeging van "hechten"!
Bij roepen hoort: ik riep, maar bij snoepen geen sniep.
Bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep.
En evenmin hoort er bij slopen: ik sliep.
Want dat is afkomstig van 't schone woord slapen.
Maar zeg nu weer niet: ik riep bij het woord rapen
Want dat komt van roepen en u ziet terstond
Zo draaien we vrolijk in een cirkeltje rond.
Van raden komt ried, maar van baden geen bied.
Dit komt van bieden (ik hoop dat u 't ziet).
Ook komt hiervan bood, maar van wieden géén wood.
U ziet, de verwarring is akelig groot.
Nog talloos veel voorbeelden kan ik u geven.
Want gaf hoort bij geven, maar laf niet bij leven.
Men spreekt van: wij drinken, wij hebben gedronken
Maar niet van: wij hinken, wij hebben gehonken
't Is: ik eet en ik at, niet: ik weet en ik wat
Maar: ik weet en ik wist, zo vervoegt men dat!
Maar schrijft u niet bij vergeten: gist.
Dat is een vergissing! Ja, moeilijk is 't.
Het volgende geval, dat is bijna te bont,
bij slaan hoort: ik sloeg, niet ik sling of ik slond.
Bij gaan hoort: ik sloeg, niet ik gong of ik gond.
Bij staan niet: ik stoeg of ik sting, maar ik stond.
Zo kan men wel doorgaan tot de volgende week.
Maar lezer, u raakt dan zeker van streek.
Van al deze onzin, die toch gewis
Van onvervalst Hollandse oorsprong is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's