Gods werk óf ons werk (4)
Over remonstrantisme
Een vorig keer zal het ons wel duidelijk zijn geworden dat wij ons niet meer kunnen beroemen op een vrije wil. Want wat hebben wij gedaan met die vrije wil? Wij hebben ons daarmee in het verderf gestort. Vrijwillig en moedwillig zijn wij de Heere ongehoorzaam geweest. Wij zijn van Hem afgevallen. Willens en wetens!
Dit houdt intussen niet in dat wij niets meer zouden willen. Wij willen van alles en nog wat, maar niet het goede waarmee wij voor God kunnen bestaan. Wij zijn verslaafd aan het kwaad. Onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Vrijwillig zondigen wij. Ook schuilt er in ons een zekere noodzaak om kwaad te doen. Calvijn schrijft in de Institutie n, hoofdstuk 3, 5: 'dewijl dan de wil in dienstbaarheid der zonde gevangen wordt gehouden, zo kan hij zich niet bewegen ten goede, veel minder daartoe zich voegen. Want al zulke beweging is het beginsel van de bekering tot God, die in de Schrift geheel en al aan de genade Gods wordt toegeschreven. Gelijkerwijs Jeremia van de Heere begeert, dat Hij hem bekere als Hij hem bekeerd wil hebben... Dat is dan de somma van het onderscheid dat hier opgemerkt moet worden dat de mens vrijwillig zondigt en niet gedwongen óf onwillig. Hij zondigt door een zeer toegenegen gezindheid des gemoeds en niet door geweldige dwang, door de roering van zijn eigen lust en niet door dwang van buiten. Desniettegenstaande kan hij, vanwege de boosheid van zijn natuur, niet anders bewogen en geroerd worden dan tot het kwade'.
Deze woorden van Calvijn laten aan duidelijkheid niets over. Uitvoerig ben ik in een vorig artikel ingegaan op wat de Schrift en de belijdenis over dit alles heeft gezegd. Het aangehaalde citaat uit de Institutie onderstreept dit alleen nog maar.
Onwil
Wij zijn gewillig om het kwade te doen, maar onwillig om tot Jezus Christus te gaan. Sterker uitgedrukt: Wij willen niet dat Hij Koning over ons is.
Deze onwil is een verschrikkelijke zaak! Wel zeg ik dat wij die als verschrikkelijk ondervinden, wanneer de Heere ons het een en ander door Zijn Woord en Geest daarvan laat zien. Dan vergaat alle praten ons daarover! Want waarom is die onwil zo verschrikkelijk, ja zelfs afschuwelijk? Omdat de Heere als de hemelse Ontfermer in de prediking zo welmenend tot ons komt. Steeds opnieuw houdt Hij ons ernstig en welmenend voor dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze, doch daarin dat de goddeloze zich bekere en leve.
Zonder enige voorwaarde wordt ons het heil aangeboden; de genade in Hem die van Zichzelf zegt dat Hij niet in de wereld is gekomen om de zielen van mensen te verderven, doch om die te behouden.
Maar wat doen wij? Wij slaan het aanbod van Gods genade van de hand. Hoe dringend wij in de prediking worden geroepen om ons met God te laten verzoenen, wij luisteren niet. Wij laten ons niet zaligen. De verzoening met God willen wij niet. Wij zullen het niet altijd hardop zeggen, maar het leeft wel in ons wat er geschreven staat dat wij niet willen dat de Heere Koning over ons zal zijn. Eigen meester, niemands knecht!
Het zit op onze onwil ten goede vast. Om die oorzaak horen wij de Heiland zeggen in Lukas 13 : 34: Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet Gewild'.
De Heere Jezus wijst hier de onwil van Jeruzalem aan. Ofschoon Hij er alles aan gedaan heeft om Jeruzalem aan Zijn zijde te krijgen, de stad begeerde niet dat Hij het voor het zeggen zou hebben in aller leven. Liefdevol, warm, teder en indringend heeft Hij jongeren en ouderen naar Zich toe willen halen, maar zij wilden Hem niet als Koning én voor de tijd én voor de eeuwigheid.
Ik schreef: Het zit vast op de onwil! Om die reden zei de Allerhoogste Koning: 'Gij hebt niet gewild'. Zo zal het ook in de dag der dagen zijn dat Jezus zal zeggen tot eenieder die voor Hem niet heeft willen buigen: 'Gij hebt niet gewild'.
Bij dit alles moet niet worden vergeten dat geen enkele verontschuldiging zal baten of gewicht in de weegschaal zal leggen. Immers, de Heere heeft zo welmenend gesproken tot eenieder die onder de Evangelieprediking is geweest. Zonder enige voorwaarde zegt Hij in de bediening van het Woord: 'Zie, hier is Uw God'. Ten diepste heeft Hij dit al gezegd, toen wij nog geen woord konden uitbrengen. En dan denk ik aan het moment dat wij gedoopt werden. In het teken en zegel van het Verbond werd de Naam des Heeren verbonden aan onze Naam. In die doop heeft de Heere welmenend tot ons gezegd dat Hij ons alles wil schenken wat ons ontbreekt, zelfs mild en overvloedig. Zonder enige voorwaarde heeft Hij het genadeverbond met ons opgericht en ons daarin de volle Christus beloofd. Wat erg als er dan eens gezegd zal moeten worden: 'Gij hebt Hem niet gewild'. Die verschrikkelijke onwil! Wat krijgt men ermee te strijden als de Heere ons laat zien dat het op ons vastzit en niet op Hem. Wij hebben ons met onze vrije wil in het verderf gestort.
Wie hieraan ontdekt wordt, hiervan overtuigd raakt, gaat met Augustinus bidden: 'Geeft wat U beveelt en beveelt dan maar wat Gij wilt'. Dit laatste moet ik vanzelfsprekend verder uitwerken, nu schrijf ik er slechts dit van dat God op de dag van Zijn heirkracht een gewillig volk heeft. Hij maakt hen gewillig om in het geloof alles aan te nemen! Jezus Christus en al Zijn schatten en weldaden.
Nooit zal de onwil kunnen dienen als enige verontschuldiging. Wel moet ik met twee woorden spreken en daarom stel ik dat alleen de Heilige Geest door het Woord onze onwil wegneemt. Maar als dat gebeurt gaan wij Jezus aannemen. Wanneer Hij dan in Zijn noodzakelijkheid, begeerlijkheid, heerlijkheid en schoonheid in de prediking ons wordt voorgehouden, ontvangen wij in het geloof armen om Hem te omhelzen. Dat laatste gaat als vanzelf d.w.z. door de Geest. Dan zijn wij zeer gewillig!
Onwil en onmacht
Ja, u leest het goed dat er in dit kopje staat geschreven: onwil en onmacht. De onwil bij ons gaat voorop en dan volgt de onmacht.
In het pastoraat komen predikanten en ouderlingen het nog wel eens tegen dat er wordt gezegd: 'Wij kunnen niet!'
Vriendelijk is er op het huisbezoek door de ambtsdrager gevraagd óf men de Heere kent en óf men tot Hem gekomen is om zich door het bloed des kruises met Hem te laten verzoenen. Soms is het antwoord dan: 'Wij kunnen niet tot de Heere gaan'. In zekere zin verschuilt men zich achter de onmacht. Vaak gebeurt dit om het 'oude leventje' d.i. het zondige leven voort te kunnen zetten.
Wij kunnen niet! Het is reeds vele jaren geleden dat een aantal jongeren zich op Oudejaarsavond met drank hadden 'volgegoten'. Liederlijk en laveloos waren zij die nacht door de straten van het dorp gegaan. Let wel: als zij geen drank op hadden, waren zij aardige en gezellige jongeren. Ook waren het trouwe catechisanten. Zo voor het oog beste jongens.
Toen ik ze na die Oudejaarsavond vroeg, waarom zij zich zo hadden bedronken en of dit niet verkeerd was, gaven zij ongeveer dit antwoord: 'Het zal wel verkeerd zijn dominee, maar wij kunnen er niets aan doen. Wij zijn niet bij machte ons in te houden. Wij zullen de macht hebben om ons in te houden als God ons bekeert. Maar zolang dit niet het geval is, kunnen wij niet anders'.
Vriendelijk maar wel ernstig heb ik toen die jongens voorgehouden dat zij meer konden dan zij wel dachten. In hun geval konden zij de drankfles laten staan.
Met dit alles wil ik maar zeggen dat men soms op allerlei manieren zich verschuilt achter zijn onmacht om een zondig leven te kunnen blijven leiden. De gedachte inzake onmacht of machteloosheid om zonden te laten en tot de Heere te komen komt meer voor dan men wel denkt. Ik schrijf wel: de verkeerde gedachte. Soms is de prediking hiervan de oorzaak. Wanneer er steeds gehamerd wordt op de onmacht van de mens, kan het niet anders of men gaat er misbruik van maken.
Nu zeg ik niet dat er in de prediking nooit of te nimmer over onze machteloosheid gesproken mag worden. Zeker in een tijd waarin een gearriveerd christendom hoogtij viert, mag dit werkelijk op een gedoseerde manier in de prediking aan de orde komen. Onder een gearriveerd christendom versta ik een christendom dat altijd alles bezit en heeft. Van Luther heeft men wel gehoord, maar zijn woorden nooit ter harte genomen als hij zegt: 'Wir sind Bettler' (wij zijn bedelaars). Met andere woorden: Wij blijven met lege handen staan als de God des hemels ze niet vult. Maar ook dit is waar: Bedelaarshanden zijn handen des geloofs die worden gevuld. Dat is de belofte van die God die waar en waarachtig maakt wat Hij zegt. Immers, Hij laat nooit varen het werk van Zijn handen.
Nogmaals: gedoseerd moet in de prediking de onmacht ten goede aan de orde komen. Opzettelijk schrijf ik gedoseerd, want als er een al te sterke nadruk op valt, wordt er misbruik van gemaakt. Misbruik in die zin dat men de schandelijkste dingen doet en dan zegt: 'Wij zijn nu eenmaal zo en wij kunnen er niets aan doen'.
Maar er is nog iets wat ik in dit verband wil opmerken. Nooit of te nimmer gaat de beleving van de onmacht voorop. Juist niet - zou ik bijna schrijven - als de Heere ons zaligmakend bearbeidt. Hij laat ons allereerst zien, hoe groot onze onwil is om ons pas daarna te ontdekken aan onze machteloosheid. Dus eerst de onwil en niet de onmacht. Beginnen wij bij deze laatste dan zijn wij nog meer geneigd om de Heere de schuld te geven dan wij van nature al doen.
Bovendien moeten wij er ook eens op letten dat met name in het Oude Testament Israël door de profeten meer wordt geattendeerd op de onwilligheid dan op de onmacht. Maar als dit laatste gebeurt, dan toch altijd in deze volgorde: onwil en onmacht.
De eis
Wie mocht denken dat de onwil en de onmacht de eis tot bekering en geloof krachteloos maken en zich zo denkt te verontschuldigen vergist zich. De eis blijft rechtop staan, maar daarover een volgende keer. (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's