Gods werk óf ons werk (5)
Over Remonstrantisme
Voldoende heb ik een vorig keer aangetoond dat er van een vrije wil geen sprake meer is. Er is in ons geen wil meer waarmee wij voor God en Zijn dienst kiezen. Luther sprak over een knechtelijke wil. Dat wil zeggen dat onze wil een gebonden wil is. Wanneer dit werkelijk het geval is, kan er dan wel gezegd worden dat wij verantwoordelijke mensen zijn? Staan wij wel schuldig als wij in ongeloof blijven volharden?
Het zal ons al wel eens zijn opgevallen dat niet alleen de Heilige Schrift, maar ook de Dordtse Leerregels grote nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van ons mensen. Niet geloven is voor de volle honderd procent een zaak van ons.
In de Dordtse Leerregels wordt ons onder andere het volgende voorgehouden: 'Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld'.
Inzake de genoegzaamheid van het offer van Christus behoeft er nooit getwijfeld of gewanhoopt te worden. Iemand heeft eens de uitdrukking gedaan dat het offer van Christus voor vijf werelden voldoende zou zijn, gesteld dat er zoveel werelden waren. Aan de Heere ligt het niet! Bij Hem is er overvloeiende genade! Bovendien heeft de Zaligmaker tijdens Zijn omwandeling op aarde gezegd dat Hij niet in de wereld is gekomen om der mensenzielen te verderven, doch om die te behouden. Wat de Heiland tóen heeft gezegd is nog altijd van kracht. Want wat uit Zijn mond uitgaat, blijft vast en ongebroken.
Verkeerd
In een vorig artikel heb ik erop gewezen dat men niet 'zomaar' kan zeggen dat men Jezus moet aannemen. Het gaat erom dat wij door een oprecht geloof de Christus der Schriften deelachtig worden.
Dat er in het geloof sprake is van een aannemen, zal duidelijk zijn. Ik hoop hierop in een later artikel nog in te gaan.
Wat daarentegen zeker is: Een mens van nature zal nooit Jezus aannemen. Aan een gekruiste en opgestane Christus heeft men volstrekt geen behoefte. Jezus wordt alleen aangenomen als de Heere een onuitsprekelijke honger naar Hem, het levende Brood heeft geschonken.
Jezus aannemen, kan daarom - ik zeg niet altijd - een slag in de lucht zijn. Zo'n zinnetje landt niet, omdat er voor Jezus geen plaats is.
Wil dat dan zeggen dat men Jezus aanneemt, hoewel er geen plaats voor Hem is? Ik vrees dat dit wel eens gebeurt. Maar let wel: dit is dan een ingebeelde Jezus van Wie niet met heel het hart wordt gezegd: 'Dat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding'.
Met 'neem Jezus maar aan' kan er dus een geheel verkeerde weg opgegaan worden. Een weg die als God het niet verhoedt eindigt in Belials nare streken.
Echter... zoals ds. W. L. Tukker eens heeft uitgedrukt, kan men zowel links als rechts van de weg ontsporen. In wat nu gaat komen, denk ik aan onze gezindte.
Meer dan eens kan een ambtsdrager op huisbezoek het volgende horen: 'Al zou ik nog zo willen óf nog zo zoeken en bidden... als ik niet uitverkoren ben, krijg ik het toch niet'.
Soms kan iemand zich achter deze woorden verschuilen om zijn schandelijk leven voort te zetten. Een voorbeeld hiervan heb ik al eens eerder gegeven.
Ook kan het zijn omdat men een totaal verkeerde visie heeft op de uitverkiezing. Soms zijn er dienaangaande 'Indianenverhalen' waarvan men zich afvraagt, hoe men eraan komt. In de prediking kan men nooit zulke verhalen hebben gehoord. Er staat ook nergens in de Schrift dat men geen genade ontvangt als men niet uitverkoren is. Wat lezen wij wel in de Bijbel? Wij lezen daarin onder andere dat de Heere zegt: 'Wie bidt ontvangt en ieder die zoekt, vindt'.
Er staat ook zo welmenend in het Woord geschreven dat de Heere God er lust in heeft dat iemand graag genade wil ontvangen.
Om de boodschap van Zijn heil uit te dragen, zendt de Heere voorgangers, predikers wanneer en tot wie Hij wil. Deze voorgangers roepen het luid uit dat ieder mens van huis uit op een verkeerde weg is. Een ieder wandelt op de brede weg die naar het verderf leidt. Maar... dat is niet het enige dat gepredikt wordt. Tot allen die onder de prediking komen komt de aanbieding van Christus. Niet minimaal, doch maximaal. Niet ingewikkeld, doch eenvoudig. Als het goed is wordt Christus zo in de prediking aangeboden dat een kind van 12 jaar begrijpt dat de Heere Zijn aanbod ook naar hem laat uitgaan.
En nogmaals schrijf ik: Het aanbod van Christus kan in de prediking niet ruim genoeg uitgaan. Met welk doel? Om er gebruik van te maken en zo alle verontschuldiging weg te nemen.
Maar wat is nu zo erg? Wat is nu zo verschrikkelijk? Dat wij van nature aan Christus voorbijgaan. Jaar in jaar uit kan in de prediking ons Christus ruim en weimenend zijn aangeboden, terwijl wij toch geen levende kennis aan Christus hebben gekregen.
Dat is een zeer aangrijpende zaak. Een doodslaat om bij te wenen! Maar wie is daarvoor verantwoordelijk? Is dan toch God de oorzaak van dit alles? Dat God de oorzaak hiervan is lezen wij noch in de Schrift noch in de belijdenisgeschriften. Wel worden wij op onze verantwoordelijkheid aangesproken. Wie verloren gaat, gaat door eigen schuld verloren. Zelfs voor de volle honderd procent. Nooit zal iemand kunnen zeggen: De Heere heeft mij de kracht tot bekering en geloof ontnomen, daarom kon ik niet komen'. Waarom kan dit niet gezegd worden? Omdat de kracht tot bekering en geloof van Godswege zeer welmenend is aangeboden. Ik denk nu alleen maar aan wat er in de berijming van Psalm 81 staat: Opent uw mond, eis van Mij vrijmoedig'. Wie wil kan alles van de Heere krijgen. Daarover behoeft nooit iemand in te zitten. Want in Jesaja 45 : 19 horen wij de Heere zeggen dat Hij tot het huis van Jacob niet heeft gezegd: Zoekt Mij tevergeefs'. Met nadruk hebben om deze reden de gebroeders Erskine dit altijd voorgehouden dat de zaligheid aan de voeten van eenieder wordt neergelegd die het Evangelie hoort. Waarover horen wij de Heere evenwel klagen? Wij horen Hem zeggen: Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen'. En als men mij vraagt wat het toch is geweest dat de rijke jongeling zijn eigen weg is gegaan en dat een Demas de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen, is er geen ander antwoord dan dat zowel de een als de ander zich niet heeft willen overgeven aan Jezus. De onwil was tóen de oorzaak en is nog altijd de oorzaak. Jezus horen wij tot onwilligen zeggen: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zou hebben'.
De juiste zienswijze
In het bovenstaande heb ik iets laten zien, hoe de verkiezing verkeerd kan worden verstaan. Het voert mij te ver om dit verder uit te werken, maar hetzelfde geldt van de verwerping die terecht door Calvijn een decretum horribile (een afschuwelijk besluit) is genoemd.
Maar wat is nu de juiste zienswijze op de verkiezing? Dat is het gegeven dat de bedding van de verkiezing uitloopt in het Verbond. Onder het Verbond versta ik het genadeverbond dat God met eenieder van ons in de doop heeft opgericht. Bij de oprichting daarvan door de waterdoop heeft de Heere Zijn Naam aan onze naam willen verbinden. Tóen is Hij reeds begonnen met ons te roepen. Al de beloften van heil zijn ons tóen al toegezegd. Jezus Christus als Middelaar is ons tóen reeds walmenend beloofd.
Wat wil ik met dit alles zeggen? Wij moeten niet beginnen met de verkiezing doch met het Verbond en alles wat ons daarin is toegezegd. En de verkiezing dan? Wel, die is ons gegeven als troost, wanneer wij met God verzoend zijn door Christus. Eerder niet? Neen, niet eerder!
Het ingaan in het heil kan men vergelijken met een poort. Wanneer men voor de poort staat leest men het opschrift: 'Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen'. Wanneer men de poort is doorgegaan (door het geloof het eigendom van Jezus Christus is geworden) leest men een ander opschrift: 'Het is niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods'.
Wij beginnen niet met de verkiezing, doch wij eindigen erin. Zo krijgt God alle lof en eer.
Genade alleen
Op het bovenstaande wil ik nog even voortborduren. Er staat in de Schrift:
'Zoekt de Heere en leeft'. Ons wordt dus aangeraden om de Heere te zoeken. Het is zelfs niet verkeerd om te stellen dat dit een bevel van Godswege is.
In het zoeken naar de Heere komen wij onszelf tegen. Beter kan ik schrijven dat de Heere ons het een en ander laat zien wie wij van nature zijn.
Nu komt het wel voor dat men de schuld die men heeft gaat afmeten aan die van een ander. Zowel predikanten als ouderlingen zullen het op bezoek wel zijn tegengekomen dat er tegen hen wordt gezegd: 'Als ik nu maar de kennis van schuld (bedoeld is de omvang) van die man of die vrouw bezit, komt het wel voor elkaar'. Met andere woorden: De Heere zal mij dan wel Zijn genade schenken.
Het kan ook nog anders! Het kan ook zo zijn dat iemand zegt: 'Als ik nu maar dit en dat beleefd heb, komt God in Christus wel over. Dan ben ik een geschikt voorwerp voor Zijn genade'. Men past op zichzelf als het ware de classificatiemethode toe. Eerst dit en dan nog dat, en dan kan het wel. Fout, verkeerd en zondig! Wij behoeven geen meetlat te hanteren. De grootte en omvang van de kennis van de schuld bepaalt de Heere. Nooit wordt één van ons behouden, omdat de kennis van zijn schuld voldoende of groot genoeg is. Hoewel het niet zonder die kennis gaat, is het toch genade, genade alleen waardoor wij behouden worden. Laten wij daarom het 'sola gratia' niet krachteloos maken door er allerlei voorwaarden aan te verbinden. Dat er genade wordt geschonken is te danken aan Gods vrije gunst alleen. Daarin roemen wij, daarin alleen (wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's