De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Klopt het allemaal wel ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Klopt het allemaal wel ?

Vragen bij het Schriftgezag*

12 minuten leestijd

In ons belijden wordt hooggestemd gesproken over de Bijbel als betrouwbaar getuigenis, een door God Zelf ingegeven Boek dat terecht grote pretenties voert. Maar wij zullen ook aandacht moeten geven aan heel andere geluiden. Telkens weer en van verschillende kanten wordt de betrouwbaarheid van de Schrift aangevochten. Staat de Bijbel niet vol fouten en tegenstrijdigheden? Klopt het allemaal wel wat de Bijbel beweert? Worden we niet voor de gek gehouden door die eerbiedwaardige woorden vanuit een grijs verleden?

Onze tijd is er één van crisis en twijfel. Heel wat meelevende kerkgangers hebben het gevoel dat alles wankelt en dat alles wat vroeger onaantastbaar was nu op losse schroeven wordt gezet. Met een beroep op het moderne bijbelonderzoek en op nieuwe theologische inzichten krijgt de gemeente te horen dat allerlei bijbelse geschiedenissen 'wel waar zijn, maar niet echt gebeurd'. Adam en Eva zouden nooit hebben bestaan, de wonderen moeten we niet als gebeurtenissen, maar als gelijkenissen zien, enz. Wie dat allemaal nog wel als waar gebeurd aanvaardt, wordt 'fundamentalist' genoemd, iemand die nooit verder is gekomen dan een primitief 'zondagsschoolgeloof'. Vooral jonge mensen die het middelbaar en hoger onderwijs volgen, worden soms besprongen door de twijfels. Zou de Bijbel nu echt wel het Woord van God zijn? Zou dat boek nu werkelijk alleen maar de volle waarheid bevatten? Of is het uiteindelijk ook slechts een menselijk boek, zoals de koran van de moslims? De grote vraag is: Wie of wat overtuigt mij ervan dat de Bijbel het Woord van God is?

Het antwoord op die vraag luidt: Dat doet de Heilige Geest door Zijn inwendig getuigenis. In onze harten. Daardoor zeggen we 'ja en amen' op het Woord dat ons verkondigd is. Vanuit die overtuiging kunnen we de vele kritische vragen met open vizier tegemoet treden.

Een venijnig geschrift

Ik vraag in dit artikel uw aandacht voor een fel en venijnig geschrift van een atheïst, een godloochenaar. Het is een man die een gedegen gereformeerde opvoeding heeft genoten en dus heel goed weet waarvan hij met zoveel haat en agressie afscheid neemt. Ik doel op de auteur Maarten 't Hart en zijn boek Wie God verlaat heeft niets te vrezen. Het is bepaald geen genoegen om van dit boek kennis te nemen. Meer dan eens is hetgeen 't Hart schrijft werkelijk beneden alle peil. Toch lijkt het mij goed dat wij op de hoogte zijn van wat hij naar voren brengt. Hij vertolkt gevoelens die in onze tijd door velen worden herkend. In het genoemde boek posteert 't Hart herhaaldelijk als een jongetje dat tijdens zijn jeugd in het calvinistische Maassluis zo ongeveer geterroriseerd is door de Bijbel. Hem werd zondags en door de week als met de paplepel ingegoten dat de Bijbel het letterlijk door de Heilige Geest geïnspireerde en daarom onfeilbare Woord van God was. Vervolgens lag hij nachten wakker vanwege bepaalde innerlijke tegenstrijdigheden tussen bijbelteksten of van dingen die in de Bijbel niet schenen te kloppen. Jarenlang zou hij hiermee geworsteld hebben totdat hij uiteindelijk als volwassene heel het geloof van zich afwierp. Aan het eind van zijn boek doet de auteur een hartstochtelijke oproep om zijn voorbeeld te volgen en even radicaal als hij afstand te nemen van de God van de Bijbel en van het geloof. De geladenheid van met name dat laatste hoofdstuk doet ouderwets aan. In deze post-modeme tijd kom je tenminste niet meer zo vaak iemand tegen die zich zo druk maakt over de geloofsovertuiging waarvan hij vervreemd is geraakt.

Maar het gaat ons nu uiteraard niet om het fenomeen Maarten 't Hart. Ik wil enkele van zijn bezwaren tegen de Bijbel noemen om duidelijk te maken op welke punten de Schrift niet alleen bij hem, maar bij velen in onze tijd bevreemding en ergernis oproept.

In het spervuur van de kritiek

Velen hebben met 't Hart iets gehoord of zelfs gelezen over de historisch-kritische benadering van de Schrift. In deze zogenaamde zuiver wetenschappelijke methode wordt er op voorhand van afgezien de Bijbel als een uniek Boek te benaderen. De Bijbel is een oud religieus document uit de oosterse wereld en moet geanalyseerd worden als elk ander document uit oude tijden. Binnen deze benadering is het gebruikelijk de hoofdstukken over schepping en zondeval. Genesis 1, 2 en 3, als legenden of mythen te lezen. Het blijft niet bij die eerste hoofdstukken uit de Bijbel. De eerste vijf bijbelboeken worden gezien als een gedicht, een fantastisch epos, 'een verheven sprookje dat uitnodigt tot declamatie en recitatie in plaats van geloof' ('t Hart, a.w. 17). Nu zijn velen niet alleen maar opgelucht over hun inzicht dat zij niet meer letterlijk behoeven te geloven in de realiteit van een eerste mensenpaar in het paradijs en een historische zondeval. Zij voelen zich tegelijkertijd ook 'genomen' doordat hen tot op de middelbare school toe altijd is voorgehouden dat het allemaal echt zo gebeurd was. Ik neem uiteraard al die uitweidingen over de geschokte en gekwetste kinderziel van Maarten 't Hart in zijn geschrift met meer dan één korrel zout. Maar het is dunkt mij wel goed te onderkennen dat heel wat mensen met hem zullen zeggen dat ze zich bedrogen hebben gevoeld toen de moderne bijbelwetenschap levensgrote vraagtekens ging zetten achter de rotsvaste zekerheden uit hun opvoeding. Deze mensen zijn niet doorgegroeid naar een kritische waardering van de bijbelkritiek.

Wetenschappers die het geloofsuitgangspunt dat de Bijbel het betrouwbare Woord van God is, hebben verlaten, lezen voortaan de Bijbel door de bril van heel andere vooronderstellingen. Datgene wat in een modern wereldbeeld en levensvisie niet geplaatst kan worden, wordt naar het rijk van de fabelen verwezen. Ik geloof persoonlijk nog steeds in de historiciteit van Adam en Eva, omdat de Schrift dat in Oude en Nieuwe Testament heel duidelijk aangeeft. Welke wetenschapper of cameraman kan mij het tegendeel bewijzen? Is het niet kortzichtig en geeft het geen blijk van een nieuw soort fundamentalisme om de kritische theorieën van ongelovige bijbelwetenschappers voetstoots over te nemen?

Wreed en sadistisch?

Een punt waarop 't Hart in zijn beschouwingen strijk en zet terugkomt en wat eveneens bij vele hedendaagse bijbellezers weerklank vindt, is de 'wreedheid' van vele passages in het Oude Testament, waar vele duizenden mensen vallen in oorlogshandelingen, maar ook onder de straffende hand van God. 't Hart spreekt over 'vreselijke bijbelverhalen over moord en doodslag die tot op de dag van vandaag verschrikkelijke gevolgen hebben' (a.w. 64). Het gaat je door merg en been als je leest hoe hij dan over God durft schrijven en aan de heilige God opwellingen van drift en sadisme toedicht. Zeker, we herkennen bij allerlei bijbelse geschiedenissen iets van de huiver voor de grote God die bepaald niet lievig is en soms ruig te werk gaat. Maar staat hier niet op de achtergrond van dergelijke beschouwingen de weigering om God God te laten zijn? Zijn toorn is een geduchte realiteit. De heiligheid en hoogheid van de levende God dienen wij te erkennen. Hij is niet op menselijke maat te snijden en naar menselijke maatstaven te beoordelen. Hij is de Vreselijke, de Geduchte, de Heilige.

Dat hebben de wrede vijanden van het volk Israël herhaaldelijk moeten ondervinden: wie Gods volk aanrandt, die randt zijn oogappel aan. Des te groter is het wonder dat deze geduchte God Zich openbaart als de God van barmhartigheid en liefde die zichzelf inzet tot behoud van de mensen (Joh. 3:16). De Bijbel verzet zich tegen een humanisering van God, waardoor Deze tot 'de huisknecht van moderne mensen' zou worden, zoals H. M. Kuitert het ergens niet onaardig typeert. Verder moet worden ingezien dat vele geschiedenissen in het Oude Testament de trekken vertonen van de tijd en de cultuur waarin ze zich afspeelden. Niet alles wat gemeld wordt, heeft de instemming van de Heere God gehad. Integendeel, door heel de Bijbel heen is de rode draad te vinden van de boodschap dat alle gruweldaden en wreedheden tegen Gods wil indruisen en dat Hij liefde en barmhartigheid van ons vraagt. Sommige strenge openbaringen van Gods toorn hebben ook te maken met de heilshistorische situatie van het volk van Israël als 'proeftuin' van God in de wereld, die zoveel mogelijk heilig gehouden moest worden.

Kinderachtig niveau

Vragen rond schepping en evolutie, rond wreedheden en gewelddadigheid in het Oude Testament enz., acht ik serieuze en indringende vragen waaraan we niet voorbij kunnen gaan (vergelijk de wijze waarop prof. dr. H. G. L. Peels daarop ingaat in Theologia Reformata, december 1997). Daarnaast zijn er veel schijnproblemen, die mensen alleen maar opwerpen om zogezegd de boot af te houden. Ik geef een aantal illustraties van het kinderachtige niveau waartoe 't Hart afdaalt als hij allerlei zogenaamde ongerijmdheden uit de Schrift opsomt. In 1 Samuel 15 wordt eens gezegd dat het God berouwt Saul tot koning te hebben gezalfd, en vervolgens wordt er zes verzen later beweerd dat God geen berouw kan hebben omdat Hij geen mens is. Moeten nu de teksten over Gods berouw aan een slimme exegese worden onderworpen? Of zou het gewoon zo kunnen zijn dat het Hebreeuwse grondwoord in zijn betekenis niet helemaal samenvalt met ons Nederlandse woord 'berouw', dat altijd schuldbesef impliceert? Berouw na de zonde kent God niet, maar wel keert Hij om bepaalde redenen terug van een weg die Hij eerder heeft ingeslagen. Niet omdat Hij het aanvankelijk fout gedaan zou hebben, maar omdat er goede redenen zijn van die weg af te wijken. Peels zegt in dit verband in het genoemde artikel dat God wel Zijn tactiek wijzigt, maar niet Zijn strategie!

Bij de geschiedenis van de verheerlijking op de berg wordt door 't Hart de vraag opgeworpen hoe Petrus heeft kunnen weten dat de Heere Jezus daar met Mozes en Elia sprak? Er wordt een enorm punt van gemaakt, maar het antwoord is toch heel eenvoudig: Door de verlichting met de Heilige Geest! Het kan ook zijn dat Mozes en Elia kenmerkende symbolen bij zich hebben gedragen, waardoor deze oudtestamentische leidsmannen door bijbelkenners onmiddellijk te identificeren waren. Verder maakt 't Hart zich druk over vragen als: Hoe kan iemand weten wat Jezus precies in Gethsemane heeft gebeden of aan het kruishout heeft uitgeroepen? Dat de Heilige Geest deze zaken aan de bijbelschrijvers heeft duidelijk gemaakt, acht hij een dooddoener.

Nog bonter maakt hij het als hij omstandig betoogt dat Paulus niets geweten moet hebben van het verraad van Judas, daar de apostel immers in 1 Korinthe 15 : 5 schrijft dat Jezus na Zijn opstanding verschenen is aan de 'twaalven'. Het waren er toch volgens de evangeliën nog maar elf? Zie je wel dat er niets van die Bijbel klopt? Je zou natuurlijk ook kunnen bedenken dat 'de twaalven' een technische term geworden is voor de naaste discipelkring. Zoals wanneer er gesproken wordt over de 'kerkenraad'. Ook al ontbreekt er een lid, toch blijft het de kerkenraad!

Onwelwillende lezers

Ik constateer dat het van doorslaggevende betekenis is het zelfgetuigenis van de Schrift van harte te aanvaarden. De Schrift dient zich aan als het geïnspireerde Woord van God.

Het is interessant te zien hoe 't Hart zich hiervan afmaakt in een hoofdstukje over 'Inspiratie'. Volgens 2 Timotheüs 3 : 16 is elk Schriftwoord theopneust, van God ingegeven. Een slimme catechisant wordt opgevoerd die zijn dominee mooi te pakken had. 'Weet u het zeker, dominee, dat elk woord in de Bijbel door de Heilige Geest is ingegeven? ' 'Ja, elk woord.' 'Ook Lucas 4 : 6? ' 'Ook Lucas 4 : 6.' 'Maar daar liegt de duivel tegen Jezus: k zal U al deze macht en hun heerlijkheid geven; want ze is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil. Zijn dan die satanitsche woorden soms ook al ingegeven door de Heilige Geest? '

't Hart weet zelf heel best dat het belijden dat heel de Bijbel het Woord van God is, nog niet betekent dat er alleen maar woorden van God in de Bijbel staan. Er staan ook woorden van de satan in en woorden van de dwaas die in zijn hart zegt: 'Er is geen God!' Hoe waar dat laatste woord is, wordt in het boekje van Maarten 't Hart overvloedig bevestigd.

Onwelwillende lezers zullen altijd weer zogenaamde fouten, gebreken en tegenstrijdigheden in de Bijbel ontdekken om daarmee de eigenlijke boodschap, het appèl van de Schrift zich van het lijf en de ziel te houden.

Toch niet fundamentalistisch

Wanneer we het tegenover mensen als 't Hart opnemen voor de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift betekent dat niet dat wij het zogenaamde fundamentalisme zouden moeten omhelzen als het enige alternatief.

Fundamentalisme, om deze verwarrende term nog maar eens te gebruiken, kent de verlegenheid en de openheid niet die voor de bijbelgetrouwe of reformatorische Schriftvisie juist zo kenmerkend is. In het fundamentalisme blijft geen vraag meer over. De fundamentalist weet de antwoorden al voordat de vragen zijn gesteld. Fundamentalisme komt vaak voort uit angst. Nuancering van eigen gedachtegoed door communicatie met anderen wordt dan als gevaarlijk gezien. Fundamentalistisch geloven kent geen bevindelijke gloed, maar veeleer rationalistische verstarring en verkramping.

Voor wie gelovig en godvrezend in de lijn van de vroege kerk en van de Reformatie mag leven en denken, ligt dit fundamenteel anders. Dan heb je weet van het geheimenis van de Geest. Vanuit de eerbiediging van de wondere werking van de Heilige Geest bij de inspriratie blijven we ons verwonderen over de volledige inschakeling van de mens in het openbaringsproces. We mogen het werk van de Geest niet verschralen door tekort te doen aan Zijn gang in de geschiedenis. Daarbij doen we telkens nieuwe ontdekkingen. We staan er in onbevangenheid voor open. We leven liever vanuit onze grondovertuiging met vele vragen, dan ons in te graven in waterdichte theorieën. Klopt het allemaal wel? We horen Gods hartenklop!

* Bewerking van een lezing voor Theologische Verkenningen (EO-radio, 1 maart 1998).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Klopt het allemaal wel ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's