De dominee dominant
De Hervormde Kerk rondom 1850
Op dinsdag 11 maart 1.1. vond in het auditorium van de Vrije Universiteit te Amsterdam de officiële presentatie plaats van het zesde 'Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800', getiteld 'Om de toekomst van het protestantse Nederland', onder redactie van prof dr. G. J. Schutte en dr. J. Vree. Het thema van het jaarboek betreft de gevolgen van de grondwetsherziening van 1848 voor kerk, staat en maatschappij en past als zodanig bij de 150-jarige herdenking ervan. ***De Hervormde Kerk kwam in de jaren 1848 tot 1852 tot een herziening van het zogeheten Algemeen Reglement, waarmee de kerk in 1816 door Koning Willem 1 onder voogdij van de staat was gebracht. Dit reglement bepaalde als taakstelling voor de kerk, aldus prof. dr. G. J. Schutte, 'de zorg voor het christendom, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor Koning en Vaderland'. 'Het laat zien dat overheid, maatschappelijke elite, predikanten en vooraanstaande leden haar beschouwden als de vaderlandse kerk, voedster van de nationale zeden en identiteit.'Een algemene synode, bestaande uit 19 leden, voornamelijk predikanten, bestuurde de kerk, onder voogdij van de overheid. De Leidse hoogleraar J. R. Thorbecke, één van de auteurs in het liberale orgaan 'De Gids', maakte publiek dat vernieuwing van Nederland naar zijn mening alleen verwacht kon worden 'van zijn burgers en hun actieve medewerking, ook in het bestuur van het land'. Wat de religie betreft propageerde Thorbecke 'christendom boven geloofsverdeeldheid'.In zijn voorstel tot grondwetsherziening op 10 december 1844 was die vernieuwing, in de zin van liberalisering de belangrijkste boodschap. Er voltrok zich in die dagen zelfs 'een liberale revolutie', doordat Koning Willem II, naar eigen zeggen, 'in 24 uur van zeer conservatief zeer liberaal' was geworden.De grondwetsherziening bracht intussen 'de gelijkstelling van alle gezindten en dus de beëindiging van de protestantse dominantie'. (J. van Zuthem). Tegen deze 'teloorgang van de protestantse natie' heeft met name Groen van Prinsterer zich èn kerkelijk èn politiek verzet. Zijn visie in deze ligt besloten in zijn geschriften 'Het regt der Hervormde Gezindheid' en 'De Anti-revolutionaire en Confessionele partij in de Nederlands(e) Hervormde Kerk'. In de strijd om herziening van het Algemeen Reglement tekenden zich drie groepen af: de conservatieven, of handhavers van de status quo, de liberale vernieuwers, met als linker vleugel de vrijzinnige Groninger richting, en de orthodoxen. ***Aan een drietal sprekers was gevraagd, ter presentatie van het jaarboek, in een toespraak van twintig minuten te reageren op de inhoud ervan, waarbij 'de persoonlijke en actuele invalshoek' niet geschuwd behoefde te worden. Gesproken werd door Mgr. dr. J. A. de Kok ofm, kerkhistoricus en hulpbisschop van Utrecht, prof. H. L. F. Vonhof, liberaal politicus en buitengewoon hoogleraar in de arbeidsverhoudingen in de collectieve sector aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam en ondergetekende als algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Ondergetekende sprak over het thema 'De dominee dominant'. Hieronder is de tekst afgedrukt.
Schaakmat
Ooit heeft prof. dr. A. A. van Ruler de stelling gewaagd, dat Calvijn met de figuur van de ouderling de paus schaakmat heeft gezet. Bestudering van het jaarboek, dat vandaag wordt gepresenteerd, roept echter onvermijdelijk de vraag op of het hem ook gelukt is met de ouderling de dominee schaakmat te zetten. De pauselijke dominee! Ik beperk mij in de korte spanne tijds, die mij is toegemeten, tot de twee bijdragen van dr. J. Vree in dit boek: 'De herziening van het Hervormde Algemeen Reglement (1846-1852)' en 'Publiciteit is bij de tegenwoordige staatsinstellingen een onmisbaar vereischte - De rol van de pers in het debat over de toekomst van de Vaderlandse Kerk in de jaren rond 1848'. Vooral deze twee bijdragen acht ik, zeker ook in verband met de huidige kerkelijke ontwikkelingen, die leiden naar een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, uitermate actueel. Het boek boeide me in hoge mate, zowel vanwege de historische helderheid als vanwege de impliciete actualiteit. Naar mijn oordeel geeft juist de ingrijpende discussie inzake de herziening van het Algemeen Reglement van 1816, in de jaren 1848 tot 1852, een helder zicht op de kerkelijke en geestelijke situatie van die dagen.
Dominant
De dominante dominee! Als het niet zo ernstig was zou men het bijna aandoenlijk kunnen noemen hoe de dominee op zijn strepen stond in de 'besturenkerk' van die dagen. Laat ik maar beginnen met de kostelijke aanduiding, waarmee men in het Friese Beers de positie van de predikant in de bezinning op de beoogde herziening van het Algemeen Reglement aanduidde: 'niet slechts Aarts-ouderling en Aarts-diaken, maar ook Aarts-kerkvoogd, Aarts-Administrateur, Aarts-Armvoogd, Aarts-Aansteller en Bezorger van een nieuwen Predikant'. In het roemruchte art. 5 van het Algemeen Reglement - zei men in het Friese Beers - kon, in stede van 'volmaking van het Godsrijk op aarde', beter gelezen worden 'volmaking van het Predikantenrijk'. O. G. Heldring, 'leerend ouderling' uit de kring van het Reveil, kwam zelfs op te merken, dat er een eind zou moeten komen aan het 'Priesterdom', dat de nieuwtestamentische gemeente beheerste. 'De dominee' trachtte, onder supervisie van de overheid, de ouderling schaakmat te zetten. Uiteindelijk strandden dan ook de pogingen om meer ouderlingen af te vaardigen naar de algemene synode. Het aantal ouderlingen in de synode werd op een bepaald moment - zegt Vree - 'weer drastisch verminderd tot de drie van 1847'. En ook 'meer ouderlingen in de besturen' kreeg geen steun. Ik kan uiteraard de ontwikkelingen in deze en de discussie erover niet in detail uitmeten. Voldoende is te herinneren aan het feit, dat A. Kuyper in 1869 met de cijfers aantoonde, 'dat reeds op klassikaal niveau een nagenoeg ondoordringbare laag van predikanten voorkwam, die pas op langere termijn te doorbreken was'. 'De clerus als de ecclesia', de geestelijkheid als kerk, werd zelfs betoogd. Vóór 1816 gold, dat evenveel ouderlingen als predikanten naar de classicale vergaderingen werden afgevaardigd. Maar predikanten vroegen zich in de discussies aangaande de herziening van het Reglement rondom 1850 in gemoede af wat men aan zou moeten met een vergadering: 'waarvan de helft in den regel de noodige wetenschappelijke opleiding in Kerkelijke en godsdienstige zaken mist?' 'Zal daarenboven de tegenwoordigheid van den eenvoudigen landouderling niet menigmaal... den Predikant belemmeren, om vrijelijk de stem uit te brengen, die hij, op hooger standpunt van kennis en wetenschap staande, meent te moeten uitbrengen?' Zulks valt nauwelijks met droge ogen te lezen. Kritische stemmen, waaronder gelukkig overigens ook die van predikanten, die nog wisten van ambtelijke collegialiteit, gispten de dominante positie der predikanten, waaruit wel 'geestelijke overheersing' moest voortvloeien. Heldring schreef in het orgaan de Vereeniging, dat voortgekomen was uit de kring van de Christelijke Vrienden en het Reveil, dat 'het Predikantendom' zich alle rechten had toegeëigend. Heel scherp: 'De classicale Bisschopjes zijn Provinciale Bisschoppen en Synodale Aartsbisschoppen, met dit verschil dat zij alle deze Ambten in één persoon veréénigen'.
* * *
Zelfs critici op het vigerende reglement, die van overtuiging waren dat er meer ouderlingen in de besturen moesten komen, stelden 'de praktische vraag' of er dan, vooral buiten de grote steden, wel niveau genoeg aanwezig zou zijn. De liberale Ds. J. A. M. Mensinga zei: 'De besturen dienden qua uiterlijk niet beneden dat der Tweede Kamer te staan.' Waarvan acte! De kerk vergeleken met de Tweede Kamer!
Classis
Intussen ondermijnde de dominante dominee zo de classis, vanouds de grondvergadering van de kerk. Zat bij Calvijn de ouderling op de leer (Van Ruler), in die zin dat hij toezicht ook had op leer en leven van de dominee, onder de Reglementen Stonden bepaalde dominees bovenaan op een ladder, vanwaar ze kennelijk op ouderlingen neerzagen als behorend tot de schare, die de wet niet kent. De hervormde classis is in de vorige eeuw, middels de predikanten, die horig waren aan het Algemeen Reglement en dit mede in stand hielden, monddood gemaakt. Op een bepaald moment is zelfs voorgesteld de classis om te dopen tot 'Predikantenvereeniging'. De predikanten waren in de classis niet aanwezig namens hun kerkenraad, maar 'als leden van de classis'. Uiteindelijk werd wel besloten, dat de classis het recht van consideratie zou hebben, maar dan in beperkte zin, waar het namelijk de regelingen, de reglementen betrof.
* * *
Met de positie van de diaken was het helemaal droevig gesteld. Diakenen werden aangeduid als 'publieke aalmoezeniers'. Ze stonden grosso modo buiten de kerkelijke vergaderingen en besturen. Aardig is overigens, dat in die tijd ook van zowel liberale als orthodoxe zijde de integratie van de kerkvoogd in de kerkenraad werd bepleit, met als aanduiding de 'kerkvoogd- ouderling'. Ook de zeer rechtzinnige en bevindelijke ds. A. C. P. du Cloux, bekend in de zogeheten gezelschapskringen, kon deze integratie kennelijk billijken. Omdat ook kerkelijk beheer 'geestelijk van aard' is. Wie de kerkelijke discussies vandaag inzake het beheer kent, weet dat hier niets nieuws onder de zon is.
Democratie?
Maar laat ik nu mijn analytische opmerkingen staken en me, in het tijdsbestek, dat me is gegeven, verder nog beperken tot een aantal evaluerende opmerkingen. Het verzet tegen de besturenkerk, en daarin tegen de conservatieven, die de besturenkerk zoals die geworden, liever: verworden was, verdedigden en hoogstens cosmetisch wilden aanpassen, kwam grosso modo van twee zijden: van liberale zijde en van orthodoxe zijde. Van liberale zijde valt herhaaldelijk echter het woord democratie. Tot 1816, zei men, was de democratische vorm, hoewel nader aangeduid als 'presbyteriaal-vorm', van kracht geweest. De conservatieven in de kerk gaven nu de voorkeur aan een 'door aristocratische beginselen gematigde democratie.' Telkens treft men echter de roep, dat de democratie terug moet en dat de synode 'een vertegenwoordigend lichaam' moest zijn. 'Vertegenwoordiging' en 'vrijheid' waren de trefwoorden van de liberalen. Thorbecke stelde daarom, dat er in de Hervormde Kerk een vertegenwoordigend lichaam zou bestaan, 't welk voor allen tezamen met de overheid zoti kunnen onderhandelen.' De vond het overigens treffend te lezen bij dr. J. Vree, dat O. G. Heldring, in het al eerder genoemde orgaan 'De Vereeniging', een (door de auteur niet nader uitgewerkt) artikel overnam uit het Franse dagblad l'Esperance, waarin werd gesteld: 'wanneer de democratie in den Staat zegeviert, moet de aristocratie voor altijd uit de kerk verdwijnen'; waarna Heldring zijn 'Christelijke Vrienden' voorstelde zich te beraden op de wijze, waarop binnen de Hervormde Kerk 'eene ruime vertegenwoordiging' verkregen zou worden. Dus ook hier 'vertegenwoordiging'. Ik zou liever niet van vertegenwoordiging maar van ambtelijke afspiegeling willen spreken. De kerk is geen besturenlichaam maar, naar reformatorische overtuiging, ook geen democratie. De kerk is van eigen rechte en orde: Christocratisch. Ze heeft maar één Hoofd: Jezus Christus, Gekruisigd en Opgestaan. Ze heeft maar één Koning aan Wie ze horig en onderhorig is, een Kruiskoning. Het is een gouden greep van de Reformatie geweest om de drie ambten te stellen: dat van ouderling of opziener, van predikant of herder en leraar, en van diaken of dienaar, en wel, in ambtelijke collegialiteit, dienstbaar aan het ambt aller gelovigen in de gemeente. Die drie ambten zijn geworteld in de drie ambten van Christus, en niet in de volmacht van 'het volk'. De 'Vaderlandse Kerk', die hier ten tijde van de Reformatie in de worsteling om het Gemenebest is ontstaan had bovendien van meet af aan het karakter van een volkskerk. Daarin geven de ambtsdragers leiding, naar het belijden der kerk. Daarom moet vanuit het feit, dat de kerk van eigen rechte is, de besturenkerk van de vorige eeuw, de kerk van de dominante dominee, onder zware kritiek worden gesteld maar niet minder de poging tot democratisering van liberale zijde.
Orthodox
Ik sluit me daarom aan bij de inbreng van de orthodoxen in het kerkelijke geding van die dagen, al is de term orthodoxie belast. In de strijd rondom 1850 werd, zowel door conservatieven als liberalen, gesproken van 'den onzaligen geest der formulier-orthodoxie'. Soms is voor die kwalificatie aanleiding gegeven, als namelijk alleen het juridisch recht van de formulieren werd benadrukt. Het gaat daarbij echter ook om orthognosie, het rechte kennen of bevinden, in verbondenheid, dat wèl, met het rechte belijden. Opmerkelijk was overigens, dat inzake de 'handhaving van de Evangelische (curs. van mij, v.d.G.) Geloofsbelijdenis der Hervormde Kerk', zoals het Reglement dit noemde, de liberale Amsterdamse predikant H. J. Spijker, die de wijzigingen van het Algemeen Reglement 'nog niet voldoende liberaal of democratisch achtte', zich beriep op een passend citaat uit Groens 'Regt der hervormde gezindheid. Groen, hoewel jurist, was geen formulierchristen maar een EvangelieheYiider. Daarom pleitte hij wel voor een 'ondubbelzinnige' maar niet minder voor een 'onbekrompen' omgang met 'de formulieren'. Daarin is hij ook vandaag actueel.
* * *
Het gaat hier ook om wat heet 'de religie van de belijdenis', die in de harten van mensen leeft. De reeds genoemde bevindelijke predikant Du Cloux wist dat deze religie in het hart van begenadigde gelovigen onder het volk verzonken lag. Hij fulmineerde daarom tegen de miskenning van 'gewone hervormden' door de heren van de besturen: 'Alsof gewone hervormden geen recht hadden'. 'Met welk dédain', zei hij, wordt gesproken 'over plattelandsouderlingen, die niet geschikt zouden zijn voor classicale vergaderingen, terwijl juist daar nog kennis 'onzer historische Hervormde Geloofsbelijdenis' bestond. Ik zet daar een dikke streep onder. Omdat op dit punt de geschiedenis zich steeds herhaalt. Kennis en bevinding gaan samen, liever: treffen elkaar in het ene hart van een gelovig mens. Daar was 'de dorpsouderling' of 'de plattelandsouderiing', welke theologische ontwikkeling hij ook heeft, niet zelden een exponent van. Die werd intussen miskend.
* * *
De grond van het verzet van orthodoxen en liberalen tegen de besturenkerk verschilde dan ook grondig. Orthodoxen wensten (en wensen) een binding aan de gereformeerde belijdenis en zo ook een andere 'vertegenwoordiging' dan liberalen, die staan voor 'vertegenwoordiging' en 'vrijheid'. 'Er staat geschreven en er is geschied' was het adagium van Groen. De liberale partijen in de kwestie rondom 1850 moesten - zegt J. van Zuthem - 'van een door Groen en de zijnen voorgestaan orthodox Calvinisme niets hebben', 'hun gemeenschappelijke afkeer van het Rooms Katholicisme' - ik citeer nog steeds Van Zuthem - en, op onderscheiden punten, ook hun gemeenschappelijk verzet tegen de besturenkerk ten spijt. Uiteindelijk werd de gereformeerde belijdenis èn door handhavers van de status quo èn door liberale vernieuwers krachteloos gemaakt. De gereformeerde belijdenis werd én door conservatieven én door liberalen onder een stolp gezet. De besturenkerk had in de praktijk geen belijdenis.
Tenslotte
Het boek, dat vandaag hier wordt gepresenteerd, is zo intussen méér dan een verantwoording van wat zich in de vorige eeuw afspeelde en wat derhalve is gepasseerd. Ik formuleer enkele lessen uit het verleden, geconcretiseerd in het heden, daarom ter afsluiting in enkele concrete punten.
1. In 1951 kwam de Hervormde Kerk, door het aannemen van een Nieuwe Kerkorde, onder het juk van de Reglementenbundel vandaan en werd ze vrije 'Christus belijdende volkskerk'. Dat was op zich een groot moment in haar geschiedenis. De classis werd in ere hersteld. Maar richtingen verdwijnen niet en het karakter van een kerk verandert niet louter door het aannemen van een kerkorde. De besturenkerk verdween maar al spoedig werd gesproken over de 'radenrepubliek'. De iure - rechtens - kwam ze onder de Reglementenbundel vandaan. Maar de facto, in de praktijk, kwam ze onder nieuwe besturen, waarvan de gemeenten niet altijd 'gediend' waren.
2. U permittere mij hier een pregnante uitweiding naar vandaag. Het Samen op Wegproces, waarin de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch Lutherse Kerk pogen zich te verenigen, wordt vaak, en naar mijn overtuiging niet ten onrechte, aangeduid als een top-down proces. De missioloog prof. dr. J.A. B. Jongeneel waagde zelfs de uitdrukking 'bevelstructuur'. Niet dat de ouderling en de diaken geen plek hebben in de 'vertegenwoordiging van de kerk', zoals die in de kerkorde van de Hervormde Kerk van 1951 is vastgelegd en voor de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland wordt beoogd. Een triosynode, getalsmatig precies tien maal zo groot als de algemene synode in de vorige eeuw, die zeker geen vertegenwoordiging is van de drie kerken, domineert echter een tot het bot verdeelde Hervormde Kerk.
* * *
Ik wil in dit verband een concreet moment noemen, dat mijns inziens van historische betekenis is, voor het geval ooit nog jaarboeken over de negentiger jaren van deze eeuw zullen worden geschreven. Eind 1995 negeerde de triosynode van de SoW-kerken de consideraties van een aanzienlijk aantal hervormde classes, die hadden gesteld dat in het verenigingsproces federatie beter zou zijn dan fusie. Hoewel de consideraties nader werden bekeken, kreeg de gedachte als zodanig geen synodale kans.
3. De strijd, die de orthodoxie in de vorige eeuw voerde, is tot vandaag actueel. Want de Hervormde Kerk van 1951 en de verenigde kerk, die eraan komt, vertonen geen terugkeer tot de grondstructuur van vóór 1816, zoals die bij de wording van de kerk van de Reformatie in dit land tot stand kwam. De belijdeniskwestie is namelijk nog steeds niet opgelost. Integendeel, de gereformeerde belijdenis is nog steeds niet bindend.
4. Rest mij nog één intrigerend punt, namelijk een zaak die de kerkenraad van Doornspijk inzake de herziening van het Algemeen Reglement in de vorige eeuw aan de orde stelde. Deze stelde, dat, in tegenstelling tot het gegeven in het hervormde Reglement, dat 'de Hervormde Kerk bestond uit alle dito gemeenten in het koninkrijk', 'iedere plaatselijke gemeente diende beschouwd te worden als een zelfstandige kerk, die zich vrijwillig bij een groter verband kon aansluiten...: een verband dat zich hield aan de Drie Formulieren van Enigheid.' Hier ging het kennelijk al om Hervormde Kerk in en buiten de Hervormde Kerk. Maar Doornspijk kreeg geen gelijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's