Globaal bekeken
Bij uitgeverij Barnabas te Heerenveen verschenen twee bundeltjes met in totaal 49 radiotoespraken van Corrie ten Boom (1892-1983), die ooit in het concentratiekamp Ravensbrück werd ondergebracht wegens het verbergen van joodse onderduikers in de Tweede Wereldoorlog. In één van de toespraken vertelt ze het volgende:
'Ik las eens het boek "Een tafel vol geschenken" van Annie van Essen-Bosch. Is dat boek een catalogus voor verjaardags-en kerstcadeautjes? Nee, zij schrijft over de rijkdommen die we in de Bijbel beschreven zien.
Er is een overvloed van rijkdom, van voedsel, van vrede, blijdschap en antwoorden op problemen. Als ik daarover ga vertellen is 't zo fijn dat ik zeggen mag, "En dat is nu allemaal, allemaal voor u. Kom binnen en ga zitten, en neem wat je maar wilt".
De bijbelschrijvers konden soms geen woorden vinden om al die rijkdommen te beschrijven. Ze gebruikten alle mogelijke woorden die met "on" beginnen: We hebben ongelooflijke dingen gezien"; "ondoorgrondelijk zijn Gods werken"; "onuitsprekelijke, heerlijke vreugde". Als Petrus zijn "on"-woorden gebruikt in 1 Petrus 1:4, waar hij het heeft over de erfenis die voor ons bewaard wordt, en wij voor de erfenis, dan noemt hij dat een "onvergankelijke, onbevlekte, onverwelkelijke erfenis". Wat heerlijk solide, wat een zekerheid: ie erfenis voor ons, en wij voor de erfenis bewaard.
Hoe komt het, dat er zoveel woorden met "on" beginnen? Omdat de beloften in de Bijbel hemelse rijkdommen zijn voor nu, waarvan we nu al kunnen genieten; maar we kunnen ze met aardse woorden niet voldoende beschrijven. "O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen" (Rom. 11:33). We moeten de Bijbel bestuderen en uitvinden hoe rijk we zijn!
In Möttlingen zeiden de mensen over de bijbelse rijkdommen: "Nimmst's, dann hast's" ("Neem je het, dan heb je het"). Dat toe-eigenen is nodig. Het is zo fijn om, als je een belofte leest, te zeggen: Dank U, Here, dat is voor mij!
Dat gaat niet altijd zo ineens. Paulus, die zoveel wist en de Here zo goed kende, schreef in Filippenzen 3 : 12: ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben". Het is een strijd van geloof, vooral in tijden datje omstandigheden zo moeilijk zijn - als alles zo donker is, zo dreigend.
En toch kan het. Ik vertelde al eens over mijn zuster Betsie, die in een concentratiekamp verhongerd is. Op een dag, toen we verschrikkelijk geleden hadden, zei ze: "Wat een heerlijke dag hebben we gehad. Wat hebben we veel geleerd over de rijkdommen die we hier op aarde al hebben. En 't beste komt nog, straks in de hemel". Zij zag zo echt het borduurwerk van haar leven van Gods kant; zoals een oud lied zegt.
Wat God borduurt door lief en leed
In 't weefsel van een mensenleven
Vertoont een beeld waar niemand weet
Gewisse duiding aan te geven.
Aan deze zij schijnt lijn na lijn
Dooreen te wirren en te warren:
Daarboven zal 't een krone zijn.
Omgeven door een krans van starren.
Wij zien de warrige onderkant. God de bovenkant. Hij weet hoe mooi het wordt!'
Van een lezer ontvingen we een gedeelte van de handelingen van de Tweede Kamer uit 1953, waarin de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, dr. H. Algra (ARP) zijn persoonlijke visie gaf op de zondag als 'De Dag des Heeren'. Ter illustratie van 'de geestelijke neergang' van ons volk in de laatste decennia werd dit artikel ons door een lezer toegezonden, ook in verband met de gevoerde actie inzake de 24-uurs economie:
'Voor mij persoonlijk staat het zo, dat de Zondag niet is mijn dag, maar de Dag des Heren. Dat betekent, dat ik de Zondag niet mag besteden zoals ik, zuiver autonoom, zou willen, maar dat deze dag moet worden doorgebracht, zoals God dat heeft verordend.
Daarvoor heeft God zijn wet gegeven en daarin staat: Gedenkt de Sabbathdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbath des Heren Uws Gods.
Ik geloof, dat er te dezen aanzien tussen de geachte afgevaardigde de heer Van Dis en mij geen verschil van mening zal zijn. Ook niet hierover, dat wij Gods bevel op ten enenmale onvoldoende wijze vervullen en dat wij ook in dit opzicht Gods gebod schromelijk overtreden. Het gaat er echter in dit debat niet om, wat de geachte afgevaardigde of wat ik doe als persoon, maar om wat de Overheid moet doen.
Het gehele vraagstuk van de verhouding tussen Overheid en Zondagsviering zal ongetwijfeld bespreking vinden bij de behandeling van het ontwerp-Zondagsweg. De geachte afgevaardigde de heer Van Dis zal daar dan kunnen beluisteren hoe de verschillende opvattingen zijn. Ik spreek daarover nu niet, omdat ik mijn standpunt niet uiteen zet namens het Kabinet, maar als Minister van Verkeer en Waterstaat. Als zodanig ben ik gebonden aan de Zondagswet en aan alle bestaande wetten, waarin dit vraagstuk ter sprake komt. Bij de discussie zal ongetwijfeld ook ter sprake komen het verschil tussen de sabbatistische en de Calvinistische Zondagsviering en het verschil, dat er ligt tussen het niet werken op Zondag en de heiliging van de Zondag.
Om een voorbeeld te noemen, dat de verschillende bevoegdheden demonstreert, moge ik het volgende noemen: Wanneer het gaat over vliegfeesten op Zondag, door particulieren georganiseerd, dan wordt de wettelijke toelaatbaarheid daarvan bepaald door de Zondagswet.
Wanneer het gaat om wettelijke regelingen, waarvan de uitvoering bij mij berust, dan ben ik vrijer, maar ik moet rekening houden met détournement de pouvoir, hetgeen moeilijk toelaatbaar is. Wanneer echter voor vliegfeesten op Zondag toestemming wordt gevraagd voor het gebruik van Rijkseigendommen, ressorterende onder mijn Departement, zal ik die toestemming niet geven.
In welke mate moet het vervoer op Zondag zijn toegestaan? Wanneer ik op die vraag een antwoord moet geven, dan deel ik niet de stelling, dat dit moet worden uitgemaakt door de reisbehoefte van het publiek.
Indien ik dit gegeven als richtsnoer moet nemen, dan zou er te dien opzichte geen enkel onderscheid zijn tussen de Zondag en de overige dagen. Dan zou een beperking van de dienst der spoorwegen b.v. op de Zondag met de Zondag als zodanig niets te maken hebben; de beperking zou zuiver rationeel zijn.
Ik aanvaard deze stelling niet. Mijnheer de Voorzitten Ik ga uit van de norm, voor sommigen uitsluitend een sociale, voor mij een religieuze èn sociale norm. Ik ben van mening, dat er een wederzijdse beïnvloeding is van norm en praktijk. Indien de norm vaststaat, dan kan haar toepassing naar plaats en omstandigheid verschillend zijn. Wij leven, zoals de heer Maenen heeft gezegd, in een land met een bevolking van gemengde aard, wat de levens-en wereldbeschouwing betreft. Wij hebben te maken b.v. met het verschijnsel dat men, om de jonge mensen uit de kroeg te houden, het beter acht, dat zij des Zondags sport beoefenen, waardoor zij reizen moeten maken.
Dit zijn, Mijnheer de Voorzitter, gegevens, die ik in mijn overwegingen moet betrekken. Men kan een norm niet gemakkelijk toepassen, wanneer zij geen weerklank zou vinden in de bevolking. Ik wens dit echter niet zo op te vatten, dat de norm niet van waarde zou zijn en evenmin, dat de norm niet reformerend werkzaam zou mogen zijn. Integendeel, dit betekent op het gebied van het Zondagsvervoer, dat de praktijk ook moet worden aangepast aan de norm van de Zondagsrust. Dit kan medewerken daartoe, dat de aandacht meer op die norm wordt gevestigd.
Deze norm mag zeker beperkend werken op de gelegenheid, die de burgers hebben om te reizen. Wanneer ik voor een ogenblik de Zondagsrust beschouw als uitsluitend een sociale norm, dan valt dit duidelijk in het oog. Immers, de sociale norm heeft in ons land b.v. meegebracht, dat 's avonds zes uur de winkels sluiten. Hierdoor wordt het publiek belemmerd in de gelegenheid om 's avonds inkopen te doen. Waarom zou de sociale Zondagsnorm niet een zelfde beperkende werking mogen hebben? Hoeveel te meer spreekt dit en wordt dit meer aannemelijk, wanneer bovendien die norm een religieuze inhoud heeft.
In deze zin ben ik voornemens mijn beleid te voeren. Ik zeg in deze zin, omdat nader moet worden onderzocht in welke concrete verhoudingen wij leven. Wanneer er geen verkeer is, kan ik geen beperkingen aanbrengen, wanneer en weinig verkeer is, is er minder mogelijkheid om beperkend op te treden dan wanneer de vervoersintensiteit groot is. Gelukkig is het in Nederland niet zo, dat er nimmer rekening is gehouden met de Zondag. Uit welke overwegingen dan ook, er bestaat in Nederland een beïnvloeding door de Zondag, zij het dan ook wellicht in hoofdzaak door het reizend publiek zelf, afhankelijk van de landstreek. Ik ben gaarne bereid en er reeds mee bezig om te onderzoeken of en, zo ja, wat er gedaan kan worden.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's