De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Op zoek naar natuur
Het Boekenweek-thema 'Panorama Nederland' verleid-'e een aantal scribenten hun gedachten en gevoelens te spuien over wat heet 'de natuur in Nederland'. De hoofdredacteur van Hervormd Nederland (14 maart 1998) pakt nogal verbitterd uit: 'Het Nederlands landschap is niet alleen mensenwerk - er is geen plek in Nederland te vinden waar men rond kan kijken zonder dat het oog valt op beton, asfalt, baksteen of andere menselijke inmenging, in wat ten onrechte natuur heet - het is ook 'slechts' de zoveelste versie van wat de bewoners van deze contreien wenselijk landschap achtten', aldus Willem van der Meiden. Hij citeert de dichter J. C. Bloem: 'Wat is natuur nog in dit land? ' En Koos van Zomeren begint zijn nieuwe boek 'De bewoonde wereld. Een bloemlezing uit ons landschap' met de regels: 'Ik heb beloofd een stuk te schrijven over de natuur in Nederland en daar zit ik een beetje mee, want Nederland, dat gaat nog wel, maar de natuur, dat is een probleem'.

Welnu, in Hervormd Nederland mag Ton van der Stap zijn zegje doen over de luxe van de stilte. In Nederland, jawel. Hij schrijft boven zijn bijdrage 'De dagen zijn lichtreuzen'. Een prachtig stuk over het wonen in het Noord-Groningse dorp Kantens. Indruk maakt wat hij schrijft over de twaalf dorpen om hem heen die elk in hun midden een oude kerk koesteren. Hoe efficiënt en modern de boerenbedrijven zijn ingericht, de zware lijnen van de oude bouwwerken voeren je terug naar de dertiende eeuw. 'Waar zij staan zijn woonhaarden met een cultuur van onderlinge zorg en musische ontspanning, nog steeds eigen aan de oude dorpsgemeenschappen', aldus Van der Stap. Maar dan het citaat uit zijn verhaal waar het me om gaat:

'Wij denken over het landschap in cüchés. Wat wil zeggen dat wij het nauwelijks zien. De discussie over het Groene Hart is gebaseerd op het beeld van een Holland dat niet meer bestaat, maar dat onze droom van het echte Holland nog steeds bepaalt. Wij kijken naar ons landschap met een blik die wij ontlenen aan negentiendeeeuwse schilders, die zich op hun beurt lieten vormen door het kijken van onze zeventiendeeeuwers, daar is niet veel mis mee. Alleen: wij vragen te gauw van ons hedendaagse landschap dat het beantwoordt aan wat er op die schilderijen te zien valt, en niet zozeer aan wat er de geest van is. Met andere woorden, wij willen de bloemen terug in de weiden van toen, de pittoreske bomengroep langs een plas, de ongereptheid van duinen en hei, en als wij denken aan Drenthe en een tocht gaan maken door het Groene Hart menen wij werkelijk die oude wereld terug te vinden, of betreuren het verlies daarvan. Maar de bossen zijn vervuld en door dagjesmensen overstroomd, het Groene Hart wordt hoe langer hoe meer aangetast door de oprukkende verstedelijking van de Randstad.

Het landschap van nu is maar een fase in dat schijnbaar onomkeerbare proces van afbraak dat zal doorgaan. Er is reden om daarover te treuren. Het is ook mogelijk te trachten de elementen waar te nemen waar ook die resten landschap, hoe overweldigend ook, nog steeds uit bestaan: de laatste plekken ruimte, lucht, vrede en stilte, de geest van het Hollandse landschap. Het licht, de nabijheid van water, de indrukwekkende hemel, de vlakheid die ruimte suggereert, dat zijn de componenten waaruit Holland is opgebouwd. En dat kan geen ruilverkaveling of verstedelijking ons afnemen - als wij er oog voor blijven houden.

Loop ik langs de landweg bij mijn huis, dan is daar om mij heen alles: tien eeuwen Hollandse plattelandscultuur, en de kunst van de laatste vierhonderd jaar. Overal zie ik Ruysdael en de Haagse School, de vroege Mondriaan, overal verneem ik een weerklank van de grote natuurpoëzie van vroeger. Maar het sluit zich niet op in het plaatje, in het detail. Het opent zich in die specifieke samenhang tussen wolken en aarde die mij tot eerbied brengt. "De dagen zijn lichtreuzen" schreef Gorter driekwart eeuw geleden. Het gebeurt hier nog steeds.'

Natuur is mensenwerk. Schepping is Gods werk. Hoe zit het dan met die twee? Spraakverwarring dreigt hier te ontstaan. Ik kwam in het laatste 'gewone' nurmner van het christelijk literair tijdschrift Bloknoot (sinds maart dit jaar zijn Bloknoot en Woordwerk gefuseerd in het nieuwe tijdschrift Liter, uitg. Boekeneentrum) de tekst tegen van de lezing die dr. A. van Haarlem vorig jaar hield voor de Wilmastichting over 'De wereld is rijk'. Over God en de natuur in het werk van Wilma. Wilma was en is een bekend schrijfster in christelijke kring en de Wilmastichting is een kring van liefhebbers van haar werk. Wilma (1873-1967) is ooit in haar leven drie maanden onderwijzeres geweest op de 'School met den Bijbel' in Kootwijk daar opgericht door ds. J. H. Houtzagers die sinds 1886 predikant was van de eerste 'dolerende kerk' in ons land. Ze gaf samen met de hoofdonderwijzer les in één lokaal, waarbij zij de laagste klassen had: tien of twaalf in totaal.

'Dat je kinderen nooit moet onderschatten was een van de ervaringen die zij opdeed. Na een rekenles volgt er een leesles, uit een "onmogelijk leesboekje". De les gaat over Job. Kareltje, het jongetje dat vaker onder de bank dan in de bank zit, spelt: J-o-b, Job, en fantaseert er dan achteraan: "Job, krijgt op z'n kop!" Om te voorkomen dat er nog meer commentaren worden gegeven, schakelt zij over op een andere les. Op een bladzijde is een zingend vogeltje op een tak getekend. De beurt is aan Maartje.

"Zingt dat vogeltje zo mooi voor onze lieve Heer? " zo begint het lesje. Maartje knijpt haar lipjes samen en schudt haar krullenbol. "Wel, Maartje, wat is er? " "Hiej duud 't niet veur onze lieve Heer", zegt Maartje met grote beslistheid. "Ik dacht toch van wel", ...want ik wilde de samensteller van het boekje niet te schande maken. "Neej", houdt Maartje vol, "hiej duud 't niet veur onze lieve Heer." "Maar Maartje, voor wie doet hij 't dan wel? " "Hiej duud 't, omdattie schik hêf. Juffrouw, schik met andere vogeltjes."

De onderwijzeres is met stomheid geslagen. Hier heeft zij niet van terug. Zingen de vogeltjes tot eer van God of zingen zij, omdat zij er plezier in hebben? Zingen ze zomaar? Kinderen kunnen door hun vragen en opmerkingen grote mensen in verlegenheid brengen. Door kindervragen worden volwassenen dikwijls met hun eigen onzekerheden geconfronteerd. Kindervragen zijn geen kinderachtige vragen. Met wat zij zeggen geven kinderen er vaak blijk van dat zij denkertjes zijn. Wat schuilt er achter het antwoord van Maartje? "Hij doet het niet voor onze lieve Heer." Miskotte was ervan overtuigd dat de kerkbanken vol zaten met toekomstige nihilisten. Zouden wij met een variatie op deze gedachte mogen zeggen dat in Kootwijk op de "School met den Bijbel" in de schoolbanken ook enkele toekomstige ongelovigen en atheïsten hebben gezeten en was Maartje misschien een van hen? Zij kon moeilijk geloven dat de wereld om haar heen met God in verband gebracht kon worden. Dezelfde vogeltjes, die zo mooi zingen, zijn straks een prooi voor de kat. Wat heeft de lieve Heer van doen met de natuur, die een ambivalent karakter heeft? Denkt zij er misschien net zo over als Herman, een van de hoofdpersonen uit de roman De lichte nacht? De kleine vrolijke vogeltjes zingen "naar hun dood toe"!'

Wilma kon ongelofelijk mooi schrijven over de natuur. Ze deed dat uiteraard in een tijd dat er in Nederland nog meer van was dan vandaag. Wat ze in deze periode van haar leven ervaart met de natuur, daarvan vertelt ze in haar bundel 'Achter de heuvelen'. Ik citeer uit de bijdrage van dr. Van Haarlem:

'Achter de heuvelen ligt Kootwijk. Nergens is het zo mooi als tussen de wilde zandheuvels, waarachter het heidedorp begraven ligt, in wijde eenzaamheid. Wanneer je vanuit de grote stad in deze wereld kwam kreeg je telkens het gevoel - schrijft Wilma - of dit nu het einde van de wereld was, waar alles zich moest oplossen in eindelijke, eeuwige rust. De hemel is hier zo onmetelijk wijd dat het oneindige verlangen hier wel tot rust moet komen, omdat de ziel hier verzinkt in oneindigheid. Maar was je eenmaal in het dorp, dan gebeurde hetzelfde als in de stad. Je werd onweerstaanbaar getrokken naar de verte. Ieder mensenhart wortelt immers in de eeuwigheid. Je wilt terug naar de blauwe heuvels. Je hebt het gevoel alsof daarachter nu toch werkelijk "het" moet liggen, het grote, diepe en heerlijke datje zoekt. Want hier is het niet.

Wat bedoelt Wilma met het grote, diepe dat de mens - ieder mens blijkbaar - zoekt? De bewoordingen zijn uiterst vaag. Wat bedoelt Wilma met "het"? Is dit de echo van Augustinus' "Gij hebt ons naar U toe geschapen. Ons hart is onrustig totdat het rust vindt in U" (Confessiones I,1? Of is het eeuwigheidsmystiek? Eén worden met het oneindige, want hier is het niet. Een opvlucht uit deze wereld. Bij alle waardering voor de schoonheid der aarde toch een gericht-zijn op wat boven de aarde uitgaat. Een verlangen om te verzinken in de eeuwigheid, de rust, de stilte. Tegelijkertijd is er sprake van een luisteren naar de voetstappen van de Ede. Maar slechts weinigen horen die. Aan enkelen is het vergund iets van deze voetstappen gewaar te worden, want zij hebben overal in de wereld sporen achtergelaten. De meeste mensen horen ze niet, omdat de stemmen in hun ziel zo luid met elkaar spreken. Alleen in de stilte van de nacht kun je misschien het gerucht van voetstappen horen, want dit is de tijd, waarop je het beste luisteren kunt.'

Dr. Van Haarlem schrijft dat Wilma zelfs zo ver ging dat ze via woorden contact zocht met en ten behoeve van de natuur.

'De liefde van Wilma voor de natuur ging zeer ver Zij kon bidden voor het koren. Wanneer zij vreest dat het te veld staande koren door de regen neergepletterd zal worden, bidt zij: "God, bescherm het goede koren". Zoiets is wel zeer uitzonderlijk. Ook professor Isaac van Dijk kon met bewogenheid het koren aanzien. "Ik heb het winterkoren armoe zien lijden, werkelijk armoe lijden onder een ijzigen oostenwind: '"ermoei"', dat is de vaste metaphoor, die de boer hier gebruikt. Zijn hart is, en dat niet enkel om economische redenen, aan de zij van het koren." Maar deze diepe verbondenheid met het gewas leidt bij hem niet tot een gebed voor het lijdende koren.

Ook voor dieren bad Wilma. Zij voelde zich verwant met haar vriendin, freule Henriëtte Hartsen, die kinderlijk kon bidden voor haar honden als zij ziek waren. Zij bewonderde Schweitzer in zijn eerbied voor het leven, die zelfs een insect niet onnodig zou doden. Maar zij zag daarbij over het hoofd dat de vlieg die wij niet gedood hebben, de pest kan brengen. Daarop heeft Albert Camus geattendeerd.

In de figuur van "Gekke Hannes" in de roman Opstanding heeft Wilma zichzelf getekend. Aan K. H. Heeroma schreef zij: Gekke Hannes ben ik. De zonderling, door iedereen gemeden, groet alle dieren, die hij tegenkomt, en hij zegent de paarden. De boeren vinden dat godslasterlijk. Dominee Helgers probeert hem op andere gedachten te brengen. Hij zou beter kunnen zeggen: God zegene man en paard. Maar daar wil Hannes niet van weten: de mensen zijn slecht, maar de dieren zijn veel beter. Ook de dieren zijn schepselen van God. Het is alsof wij Barth horen, die van het dier sprak als van de kameraad van de mens, Mitlebewesen, fellow-creature. Barth wijst in zijn ethiek op 's mensen verantwoordelijkheid voor de dieren en voor de planten, maar ook bij hem treffen wij niet de gedachte aan, dat wij voor dieren en voor het bloeisel der aarde zouden behoren te bidden.'

De natuur is toch niet enkel schoonheid. Er is ook wreedheid in op te merken. Daarover nog een laatste citaat uit het artikel van dr. A. van Haarlem.

'De grootse natuur betekende voor Wilma een nooit vermoede schoonheidsopenbaring. Maar de natuur is ook lelijk. Dat is het oordeel van Midas Dekkers. "De natuur is moord en doodslag, list en bedrog. Als Moeder Natuur bestaat, heeft ze een zweepje en is ze sadistisch." Midas Dekkers deinst er niet voor terug controversiële dingen te zeggen. "Voor elk rondzwemmend visje hebben er misschien wel tienduizend de moord moeten steken. En van die schattige vogeltjes uit je nestkastje sterven er al gauw vier op de meest verschikkelijke wijze." Hij praat Nederlands tegen zijn poezen, terwijl zij absoluut geen Nederlands verstaan. Dat is natuurlijk - hij erkent het zelf - onzin. Mensen houden nu eenmaal niet van het dierlijke in een beest, maar van het mensachtige. Dieren zijn typisch iets voor beginners in de liefde: voor kinderen dus. Tegen de tijd dat die met hun eerste verloofde thuiskomen hebben ze al een heleboel relaties met cavia's en konijnen achter de rug. Hoorden wij Wilma ook niet zeggen dat de freule kinderlijk kon bidden voor haar honden?

De natuur is lelijk. Dat zal Wilma zo nooit zeggen. Maar zij heeft wel oog gehad voor de afbraakmachten in de natuur. Reeds in haar vroegste schetsen heeft zij ook over de onherbergzaamheid van de natuur geschreven, al blijft het dan nog bij enkele aanduidingen. Rondom Kootwijk ligt de wijde heerlijkheid van het open land onder Gods glimlach. Maar boven op een heuvel zie je een enkele door de stormwind verkromde en verwrongen den met een brede, verwilderde kroon. De tegenstelling met al het lichte eromheen is zo groot dat je onwillekeurig huivert. Die verwrongen den is als een aangevochten ziel, alleen in doods-lijden. De natuur heeft blijkbaar twee kanten. Zij is dubbelzinnig, dubbelhartig. Zij is mooi en lelijk. Licht en donker. De witte zandheuvels kunnen ook wilde zandheuvels worden. Beangstigend zijn de wilde zandverstuivingen, het geheimzinnig-verwoestende. Het fijne stuifzand bederft de akkers, die onbeschermd liggen. De witte, glinsterende heuvels in de verte doen denken aan een groot kerkhof. In de Statenbijbel is geschreven over de grootheid van God, die alle dingen schoon en goed gemaakt heeft. "Ende Godt sagh al wat Hij gemaeckt hadde, ende siet, het was zeer goet." Waar komt dan het donker in de natuur vandaan? Het verwoestende en destructieve, het angstaanjagende? Het antwoord is: "Het andere, het armelijke en gebrekkige kwam van de boze, daar hoefde niemand aan te twijfelen". Dat is de mening van de oude Drikkes uit een van de schetsen in Achter de heuvelen. Het is niet onmogelijk dat Wilma hem haar eigen overtuiging in de mond heeft gelegd.'

De schepping zucht als een vrouw in barensnood, aldus Romeinen 8. Het bittere raadsel van de goede schepping zal zijn oplossing vinden in het eschaton. Schepping is zuiver werk van de Schepper. Natuur is doortrokken van de hand van de zondige mens. Reikhalzend ziet de gebroken schepping uit naar het herstel dat beloofd is. Nu nog is en blijft ze maar al te diepgaand onderworpen aan de ijdelheid. Een Boekenweek-thema brengt ons bij het Boek der boeken. Panorama nieuwe hemel en nieuwe aarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's