Globaal bekeken
In zijn wijkblad te Baarn ('wijkgemeente Calvijnkerk') schreef ds. Jz. de Koeijer een 'vervolg':
'Met "Vervolg" bedoel ik aan te geven dat u het onderstaande moet lezen als vervolg op waf ik hierboven schreef over de belijdeniscatechisanten.
Vorige week kreeg ik iets onder ogen wat me erg bezighoudt. Na een struinbezoek aan het Kringloopcentrum kwam mijn vrouw thuis met een aantal aardige boekjes. Vooral dat ene boekje gaf me stof tot nadenken. Het bleek een belijdenisgeschenk te zijn uit 1980. Door de gemeente van Christus geschonken aan een meisje dat toen 21 jaar was. Hoe ik dat weet? Haar naam en toenaam stond voorin. Wat mij bovenal trof was de belijdeniskaart, die in dat boekje lag. Over het algemeen breng je die zaken, die je zelf niet meer kunt gebruiken, naar een kringloopcentrum. Dingen waarvan je afstand wilt en kunt doen, omdat ze voor jou niet meer bruikbaar zijn of omdat je erop uitgekeken bent. Dingen die vroeger nog wel waarde voor je hadden, maar waar je nu alleen nog een ander wat plezier mee kunt doen. De retourboer mag ze gratis hebben. Voor dingen die je niets meer te zeggen hebben, hoefje niets te hebben.
Op de kaart prijkten de veelzeggende woorden "Ik ben de wijnstok, gij zijt de
ranken. Wie in Mij blijft gelijk Ik
in hem, die draagt veel vrucht, want
zonder Mij kunt gij niets doen."
Even zag ik het zwartste scenario voor ogen; een vrouw midden dertig, een moeder van kinderen misschien, besluit opruiming te houden van alles wat overtollig is. Van al wat in de weg staat. Van alles waar je de benen over breekt. Zo'n 16 jaar nadat ze belijdenis heeft afgelegd doet ze letterlijk afstand van wat haar nog herinnert aan haar ja-woord voor God en Zijn gemeente; de belijdeniskaart.
M'n gedachten stonden niet stil; wat was er in die 16 jaar gebeurd?
Ik mag toch veronderstellen dat ze er toen helemaal achter stond.
Ik mag toch niet denken dat ze toen zomaar ja en amen zei, omdat velen toen nog ja en amen zeiden.
Misschien is dit meisje in haar ontwikkeling tot jonge vrouw wel erg teleurgesteld geraakt in de kerk als instituut. Misschien is ze wel aangebotst tegen onverzettelijke mensen bij wie ze de glans en de gloed van geloof, hoop en liefde miste.
Misschien... Ach, wie zal het zeggen? Ik kom er niet uit. Intussen huivert deze vraag door al m'n botten. Zou dat dan betekenen dat deze moeder haar kinderen nooit meer heeft verteld van Jezus, de Wijnstok? Zou ze die nieuwe generatie, die uit haar geboren is, dan nooit meer op het hart gedruk hebben: "Want zonder Mij kunt gij niets doen? "
Belijdenistekst bij de retourboer. Belijdenistekst "retour afzender". Hoe kunnen wij als gemeente, hoe kan ik als predikant deze jonge vrouw de woorden van Jezus ooit nog retour doen? Hoe kunnen wij haar en haar kinderen deze woorden, die, om welke reden dan ook, in de kringloop geraakten, ooit nog teruggeven...? '
...
Een lezer zond ons een gedeelte van 'leerrede' van dr. H. F. Kohlbrugge, gehouden op 1 november 1896 te EIberfeld, waarin deze in gaat op de vraag of God bloed wilde zien om verzoend te worden. Hier volgt de passage:
'Laten wij nu zien, wat de Apostel getuigt van het bloed van Jesus Christus, den Zoon Gods. Alzoo schrijft de Apostel: Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven (Grieksch: Zijne ziel) voor ons gesteld heeft" (1 Joh. 3 : 16). En van onzen Heere Zelf lezen wij, dat Hij gezegd heeft: Ik stel Mijn leven (dat is: Mijne ziel) voor de schapen" (Joh. 10 vs. 15); en wederom: Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits ik Mijn leven (Mijne ziel) afleg, opdat Ik hetzelve (dezelve) wederom neme" (Joh. 10 : 17); en wederom: De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor veien" (Matth. 20 : 28); en wederom: Dat is Mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden" (Matth. 26 vs. 28).
O, mij dunkt, wij moeten het uit de woorden "In hetwelk vergoten wordt" - of woordelijk: "uitgegoten" wordt - , verstaan, hoe het in het Wezen Gods lag, hoe het overeenkomstig Zijne Wet was, hoe derhalve God daarin verheerlijkt werd, hoe Zijne gerechtigheid daarin openbaar werd, - dat het bloed van onzen Heere Jesus Christus voor ons vergoten werd.
Want als wij in overweging nemen. Wiens dit bloed is, waarvan de Apostel spreekt, welk eenen Naam Hij draagt. Die Zijn bloed voor ons heeft vergoten, dan ligt het bewijs voor de noodzakelijkheid van het bloedvergieten tot uitdelging onzer zonden reeds genoegzaam daarin, dat zodanig Een, Die zulk eene Naam draagt. Zijn bloed voor ons heeft vergoten.
En wel eene noodzakelijkheid van de zijde Gods! Evenwel niet eenen zoodanige noodzakelijkheid van Gods zijde, alsof God volstrekt bloed had willen zien, omdat Hij bloed zien wilde, namelijk om daarin Zijne wraak of eene afkoeling Zijns toorns te hebben, zooals menschen zich, helaas, wreken; evenmin eene zoodanige noodzakelijkheid, volgens welke onze Heere, Die te prijzen is in eeuwigheid, daartoe gehouden, verbonden en verplicht geweest ware om Zijn bloed te vergieten, alsof Hij zulks had moeten doen; maar deze noodzakelijkheid lag in het Wezen Gods en in Zijne Wet, in verband met onzen toestand, waarin wij door onzen afval van God zijn geraakt, zij had haren grond in Gods eeuwige barmhartigheid en in het voornemen Zijner genade. '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's