Jezus Christus - God en mens
Nicea
Met twee woorden
Het zal veel lezers van dit blad wel eens opgevallen zijn, dat in de erediensten van de gemeente die op de grote feestdagen plaatsvinden het geloof van de kerk der eeuwen nogal eens beleden wordt met de woorden van de zogeheten 'Geloofsbelijdenis van Nicea'. In feite wordt dan de tekst gebruikt die in zijn totaliteit is vastgesteld op het oecumenisch concilie van Constantinopel in het jaar 381. Van de geleerden moeten we daarom officieel spreken over het 'Nicaeno-Constantinopolitanum', maar omdat dat zo'n mond vol is houden we het vaak toch maar op de belijdenis van Nicea. Inderdaad gaat deze belijdenis dieper en uitvoeriger dan het Apostolicum in op de persoon en het werk van Christus en de Geest. We beperken ons hier tot het werk van Christus, want dat zal (afgezien van de afwisseling) toch wel de aanleiding zijn wanneer de belijdenis van Nicea de komende dagen in de kerk gebruikt wordt.
Enerzijds spreekt Nicea met zoveel woorden uit dat Jezus volkomen God is: 'God uit God', en even later nog eens: 'waarachtig God uit waarachtig God, ... van hetzelfde wezen met de Vader'. Anderzijds wordt echter ook uitdrukkelijk Jezus' echte mens-zijn beleden. Niet alleen horen we dat Hij vlees is geworden uit de maagd Maria, maar voor het geval die omschrijving nog aan duidelijkheid te wensen over zou laten werd daar nog aan toegevoegd: 'en een mens geworden is'. Dit krachtige benadrukken van zowel het God-zijn als het mens-zijn van Christus heeft heel wat stof tot verdere doordenking en discussie opgeleverd. Met name over de vraag hoe die twee, het God-zijn en het mens-zijn van Jezus, zich dan tot elkaar verhouden was het laatste woord nog niet gezegd. Maar duidelijk was, dat de kerk hoe dan ook niet meer terug wilde en kon achter dit spreken-met-twee-woorden: Jezus Christus, de koning van de Kerk, is zowel waarachtig God als waarachtig mens.
Onomstotelijk: de Zoon van God
Het hele mysterie van de persoon van Jezus kan dus niet voldoende begrepen worden, wanneer we het enkel benaderen vanuit Zijn echte mens-zijn. Natuurlijk, die kant is er ook. En wie daaraan tekort doet (wat juist in de orthodoxie niet ondenkbaar is!), begeeft zich net zo goed buiten het belijden van de kerk als wie het God-zijn van Christus niet voluit laat gelden. Er is zelfs veel voor te zeggen om, zoals veel theologen vandaag de dag doen, in ons spreken over Jezus bij diens mens-zijn te beginnen. Zo hebben immers de discipelen en alle anderen met wie Hij in aanraking kwam hem allereerst leren kennen: als mens onder de mensen. Een heel bijzonder mens weliswaar, maar toch vooral ook een echt mens - en daardoor ons zeer nabij.
Veel bijzondere daden van Jezus laten zich trouwens met enige goede wil ook nog wel vanuit diens mens-zijn verklaren. Zijn genezingen bijvoorbeeld tonen weliswaar dat Christus niet zomaar een willekeurig mens was, maar strikt genomen bewijzen ze nog niet dat Hij de maat van het menselijke overstijgt. Er trokken immers wel meer wonderdoeners door het land, aan wie raadselachtige genezingen werden toegeschreven. Nee, het God-zijn van Jezus komt pas onomstotelijk vast te staan met Pasen. Want opstaan uit de dood en verschijnen aan de achtergeblevenen - dat gaat de menselijke maat wél ten enen male te boven. Juist bij en uit de Opstanding blijkt dus, dat we op de persoon van Jezus alleen maar het juiste zicht kunnen krijgen, wanneer we Hem van-God-uit denken. Vandaar dat Paulus schrijft, dat Jezus 'krachtig bewezen is te zijn de Zoon van God... uit de opstanding der doden' (Rom. 1:4).
Nu kan men echter ook deze titel 'Zoon van God' nog weer als een menselijke titel proberen te verstaan, zoals o.m. H. Berkhof dat gedaan heeft. 'Zoon van God', zo zegt men dan, is een eretitel die van Godswege gegeven wordt aan de rechtvaardige mens die Gods wil volkomen gehoorzaam was. Zo geeft God door Christus op te wekken uit de dood Zijn goedkeuring aan Diens werk, rehabiliteert Hij Hem nadat Hij de vloekdood van de kruisiging had moeten ondergaan. Mét dat God dat doet, wordt Christus Zijn Zoon in de zin van: Zijn trouwe verbondspartner. Zoals ook Israël en de koning in het O.T. wel zonen van God genoemd worden. Deze verklaring van Jezus' titel 'Zoon van God' strijdt echter volledig met de evangeliën. Die maken immers duidelijk, dat Christus juist door Zich Gods Zoon te noemen zich met God gelijkstelde. Dat gaf uiteindelijk de doorslag in het proces tegen Hem!
Zeker, de opstanding is ook Gods rehabilitatie van Jezus. Zijn goedkeuringsstempel. Maar de titel 'Zoon van God' was al op Christus van toepassing voordat Hij ter wereld kwam (Joh. 1 : 18). De opstanding bewijst alleen maar wat die titel ten diepste inhoudt: de Zoon van God is niet maar een mens, maar God de Zoon. God uit God... Vandaar dat het Nieuwe Testament als het gaat om het geheim van de opstanding altijd met twee woorden spreekt (ook al!): Christus is opgewekt, maar Hij is ook opgestaan. Dat laatste is onopgeefbaar in het Paasevangelie. Want dat Christus de wekroep van de Vader beantwoordde door daadwerkelijk op te staan, toont Zijn goddelijke macht. Of zoals een bekend paaslied het weergeeft:
Hij steeg uit 't graf door 's Vaders kracht Want Hij is God, bekleed met macht.
Pasen doet de mist opklaren
Wie is toch Jezus? Zijn tijdgenoten schudden bij die vraag al in verbazing het hoofd. Het lukte hen maar zelden het geheim achter Zijn persoon in het vizier te krijgen. En de kerk van alle eeuwen staat er eigenlijk nog steeds vol verbazing van bij te komen. Maar ze heeft het voordeel, dat ze Hem mag zien in retrospectief, dat wil zeggen terugkijkend vanuit Pasen, vanuit de opstanding. Want Pasen doet de mist opklaren. Sinds Pasen staat immers dit ene vast: Jezus is God de Zoon in het menselijke vlees. We kunnen Pasen nooit plaatsen wanneer we Jezus alleen maar als mens zien. Ook niet wanneer we Hem als een heel bijzonder mens zien. Een voorbeeldige joodse rabbi die tot navolging inspireert, of een moreel hoogstaand religieus leider die op een dramatische manier aan zijn eind kwam. Tot op het kruis kan men dit soort gedachten nog koesteren. Pasen maakt echter duidelijk dat dergelijke binnen-wereldlijke benaderingen te kort schieten om recht te doen aan de persoon van Christus. Voorbeeldige joodse rabbi's staan doorgaans niet op uit de dood, en moreel hoogstaande religieuze leiders verschijnen na hun heengaan niet lichamelijk aan hun rouwende volgelingen.
Vandaar ook, dat wie in Jezus niet méér wil zien dan een voorbeeldig mens, niet alleen Zijn God-zijn maar ook Zijn opstanding moet ontkennen. Die twee gaan dan ook meestal samen op. Alleen zó blijft Jezus immers veilig aan de kant van ons mensen staan. Hij blijft dan één van de vele religieuze leiders; één van de allergrootste uiteraard, misschien zelfs degene die het meest door de geest van God geïnspireerd is geweest - maar toch niet meer dan dat. Hij is dan niet de Weg, de Waarheid en het Leven. De unieke Persoon die vanuit Pasen een appèl op mij doet tot geloof en bekering. Hij is niet God de Zoon, die om ons mensen en om onze zaligheid is neergekomen uit de hemel, en die door Zijn opstanding de dood overwon. En toch - als Hij dat alles niet is, dan zijn wij de ellendigste van alle mensen. Want dan maken we ons op Pasen blij met een dode mus in plaats van met een levende Heiland.
Wie echter het waarachtig God-zijn van Jezus erkent, zal geen reden meer hebben om nog vraagtekens te plaatsen achter de opstandingsberichten. Want Hij is God, bekleed met macht!
Credo
Degenen die in de vroege kerk wilden toetreden tot de christelijke gemeente mochten, na drie jaar 'hoorder van het Woord' te zijn geweest, deelnemen aan een speciale onderwijsroute onder leiding van de bisschop. Zeg maar de belijdeniscatechese. De bisschop gebruikte daarbij een speciaal voor dat doel samengestelde samenvatting van het christelijk geloof als leidraad: het credo. De grote belijdenissen van de kerk gaan terug op zulke credo's uit plaatselijke gemeentes: het Nicaeno-Constantinopolitanum op die van Nicea, en het Apostolicum op die van Rome. Aan de hand van deze teksten, die op hoofdlijnen merkwaardig sterk met elkaar overeenstemden, werden de catechisanten voorbereid op hun officiële opname onder de leden van de kerk van Christus.
Dat laatste gebeurde steevast met Pasen. Tijdens een feestelijke Doopdienst in de paasnacht ondergingen de dopelingen in hun doop als het ware Zijn dood, om vervolgens met Hem op te staan in een nieuw leven. In diezelfde dienst beleden zij ook hun christelijk geloof met de woorden van het credo dat zij geleerd hadden. 'Gelooft gij in God de Vader, Schepper van hemel en aarde...? ' Credo! Ik geloof! 'Gelooft gij in Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, onze Heere...? ' Credo! Terugkijkend vanuit het paasfeest vonden de dopelingen het juiste perspectief op de Persoon van Christus, en voegden ze zich met hun jawoord in het grote koor van de kerk der eeuwen. En door het geloof in Christus' opstanding ontvingen zij de kracht om die Opstanding ook concreet door te laten werken in hun eigen leven. Zo geeft juist Pasen aan het geloof nog altijd de kracht, de vreugde, en de vrijmoedigheid om Hem te volgen in leven en sterven: Jezus Christus - God en mens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's