De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

God boog de rechte lijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

God boog de rechte lijn

9 minuten leestijd

Een sprekende grafsteen

Op het kerkhof te Eerbeek ligt een grafsteen met daarop de dichtregels:

God boog de rechte lijn; 't begin
Raakt aan het eind, de cirkel sluit.
De hemel heeft zijn zaalge buit.
En - harts verlies blijkt harts gewin.

Boven deze regels staat een naam: Willem Eduard Keuning, en tussen haakjes eronder: Willem de Mérode. Geboorte-en sterfdatum staan ook aangegeven: 2 september 1887-22 mei 1939. Tussen die data speelde zich een leven af, vol tragiek, eenzaamheid en pijn.

De geciteerde regels vormen het slot van het gedicht 'Finis'. Het is een sprekend grafschrift. Finis betekent einde, een woord dat ook in het gedicht voorkomt. Toen de dichter deze verzen schreef, naderde hij de vijftig en terugkijkend op zijn leven constateerde hij dat het een door God geleid leven is geweest: '         

God boog de rechte lijn'. 'Verlies' blijkt toch 'gewin' te zijn en in deze woorden herkennen we de uitspraak van Jezus: 'Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden'.

'Verlies' en 'gewin': zit hier ook niet een diepe heenwijzing in naar die Ene die Zijn leven aflegde om het hele menselijk geslacht te 'behouden'? En kunnen we het lijden en sterven van Jezus niet evengoed samenvatten met de woorden: 'God boog de rechte lijn? ' De lijn waarop wij mensen zaten, door eigen schuld het verderf tegemoet, heeft God omgebogen.

Tragiek

Willem Keuning werd geboren in een onderwijzersgezin in het Groningse Spijk. Zijn achternaam is vooral voort blijven le­ven door de activiteiten van zijn broers in de wereld van de uitgeverij: 'Bosch en Keuning' en 'Zomer en Keuning'. Willem ging voor onderwijzer studeren. Ook had hij dichterlijke aanleg en hij koos een pseudoniem waarbij hij alleen zijn voornaam handhaafde: Willem de Mérode.

Vanaf 1906 was hij onderwijzer in Uithuizermeeden.

Daar speelde zich een kleine twintig jaar later de tragedie af die zijn leven verder voor een groot deel zou bepalen. 'Meester Keuning' leefde altijd wel wat teruggetrokken, maar men stoorde zich er niet aan. Men wist dat hij graag las en studeerde en een grote boekenverzameling opbouwde. Hij was goed voor zijn leerlingen en dat hij meer ophad met jongens dan met meisjes leidde niet direct tot kwade gedachten.

Wat men niet wist is dat De Mérode een sterk homofiele aanleg had. Hij heeft daar, in bijbels licht, tegen gevochten. Hij ging in de diepe zin van het woord 'kuis' met zijn leerlingen, die ook bij hem thuis kwamen, om. Hij kon in de Bijbel niet anders lezen dat dat de daad - homoseksuele handelingen - daarin wordt afgewezen. Tegen deze achtergrond worden reeds zijn vroegste verzen doorzichtig, zoals de beginregels van het gedicht 'Eenzamen' uit zijn eerste bundel 'Gestalten en stemmingen'(1915):

Is er een nood, die meerdere nijpen kan 
Dan deze:
In liefdes lusthof zijn een eenzaam man
En een bevreemde?

De spanning is voelbaar: enerzijds is de liefde een 'lusthof', anderzijds is er sprake van 'nood' en een 'eenzaam' leven. Het zijn, dit tussen haakjes, ook duidelijk verzen van een beginnend dichter, die nogal gewrongen zinnen schrijft.

Toch kwam het bij één jongen tot de daad. De manier waarop dat ging is typerend. Als literator kwam De Mérode terecht in een kring waar bijbelse normen geen rol speelden en waarin het onderscheid tussen homofilie - de geaardheid - en homoseksualiteit - de handelingen - niet gemaakt werd. Waarschijnlijk tijdelijk hierdoor beïnvloed en uitgelokt door de bewuste jongen zelf liep het mis. Dit geeft ons wel te denken: beïnvloed en uitgelokt. Zou het met het drugsgebruik in onze tijd, om maar eens iets te noemen, niet vaak net zo gaan?

Op een avond in het begin van 1924 kwam de marechaussee hem ophalen. Het dorp was de volgende dagen in rep en roer. De afloop is bekend: veroordeling, gevangenis, ontslag. Na de gevangenis eenzaamheid en het besef verworpen te zijn. Eind 1925 vertrok hij naar het Gelderse Eerbeek, waar hij een paar kamers huurde. Hij zou er tot zijn dood blijven.

Verdiept geloofsleven

Ondanks zijn structureel homofiele geaardheid zou het nooit meer tot de daad komen, hoewel anderen hem daartoe meermalen hebben willen overhalen. Hij waarschuwde anderen zelfs. Zo schreef hij eens aan een vriend: 'Je weet best dat de Heer klaar staat om je 't kruis op te leggen en dat wil je niet'. En aan een ander schreef hij: 'Het erotische is maar een deel, en als 't moet zul je dat kunnen opofferen ook'. De Mérode wist wat kruisdragen was... en daar moeten we niet gering over denken. Zijn geloofsleven is door de tragedie van 1924 zeer verdiept. Was de weg tot een deel van zijn familie en anderen in zijn omgeving afgesneden, de weg tot God was open. Berouw en boetedoening doortrekken zijn verzen:

Gij weet, hoe 'k tot U ween.
Geen die méér troost behoefde.
Laat mij toch niet alleen.
Mij, een naar U bedroefde.

Zijn gedichten krijgen soms een duidelijk mystieke toon, zoals in de volgende prachtige regels met de roos als liefdessymbool:

't Is niet te zeggen, Heer, hoe zoet
Gij voor de ziele zijt.
Ze is als een roos die bloeien moet
In haar eenvoudigheid.

Het bracht hem ook buiten de kerk:

Heer, liefde hebt Gij van mij weggenomen.
Maar ook 't gehuichel van de schijnbaar vromen.
Zij dringen ver van zondaars zich tezaam.
't Is goed, laat mij maar eenzaam tot U komen.

De behandeling van de gereformeerde kerkenraad van Uithuizermeeden komt op ons nu niet als fijngevoelig en pastoraal over. Wie er meer over wil weten leze het prachtige boek van Hans Werkman, 'De wereld van Willem de Mérode'. Wel moeten we rekening houden met de context van de tijd: aan het onderscheid tussen homofiele geaardheid én praktisering kwam men toen nauwelijks toe. Dan is er ook geen begrip voor iemand die worstelt met dit probleem. Wat een verschil tussen toen en nu! Toen: nauwelijks inzicht en begrip. Nu: veel meer inzicht en soms zoveel begrip dat er geen enkele grens meer lijkt te bestaan en zelfs van pedoseksualiteit - seksualiteit met kinderen - wordt gezegd: moet kunnen...

Het kruis

Men heeft De Mérode, de belangrijkste protestants-christelijke dichter tussen de twee wereldoorlogen, zij het niet van het niveau van Gerrit Achterberg, wel getypeerd als de dichter van de overgave. Het geeft een wezenlijke kern van zijn dichterschap aan. Ook het motief van de verloren zoon is op diverse plaatsen in zijn verzen aanwezig. Hij had een diep besef van zonde en schuld, maar ook van de plaatsbekleding, de verzoening door Christus' bloed. Van 'Bij het kruis', een lang gedicht, luidt de eerste strofe:

Ik heb op Golgotha gestaan
En zag 't gelaat van Jezus aan,
Dien men als een ellendeling
Aan 't kruishout hing.

In de achtste strofe staat de plaatsbekleding centraal:

Ik weet, voor wien Gij sterven woudt,
Aan dit van God vervloekte hout.
Ik moest daar hangen, ziel en lijf
Der wereld tot een tijdverdrijf.

En de slotstrofe luidt:

Wat wordt Uw bitterheid mij zoet.
O Heer, er is een honingvloed
Voor mij, die overal U zocht
En aan het kruis U vinden mocht.

Zoeken en... vinden. Vinden aan het kruis. Dat is de ergernis waarvan Paulus spreekt. Boven het gedicht staat dan ook een motto dat naar Paulus verwijst: Dwaasheid, ergernis, kracht Gods' (1 Kor. 1 : 23-24).

De opgestane Christus

De lijdende Christus is ook de Overwinnaar. Hij overwon zonde, dood en duivel. Het lege graf is daarvan een teken. Hij was Zijn vrienden vóór, Hij is ons altijd vóór: 'Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten'. Dit gegeven vlecht de dichter samen met de opstanding in het gedicht 'Paaschmorgen'.

Hij was het graf al uitgegaan
Vóór ik Zijn dood bezoeken kon.
Een zwarte leegte in de zon
Gaapt de spelonk mij aan.

O wat ik hoopte in mijn verdriet.
Hij kwam mijn ongeduld nog vóór
Maar, Dien ik door den dood verloor
Vind ik ook levend niet.

De olijven met den lichten wind
Verzilvren in de zonneschijn,
Waar 't hart niets dan zijn oude pijn
Langs alle paden vindt.

Maar om de donkre nauwe bocht
Wappert een oogwenk Zijn gewaad.
Mij blindt de glans van Zijn gelaat.
Hij had mij lang gezocht.

Jezus is altijd de eerste. Hij zoekt na de opstanding Zijn discipelen op. Hij wijst hen op hun ongeloof: 'Wist gij niet dat...? ' Zo ook bij de Emmaüsgangers: pas als Jezus het brood met hen breekt herkennen ze. Dan is Hij weg uit hun ogen, maar niet uit hun hart.

DE EMMAÜSGANGERS

Nog speuren wij 't nieuw vreugdgevoel.
Dat heet en koel
Ons overrompelde op den tocht.
Toen Hij ons had bezocht.

Hij heeft ons ongeloof gekrenkt.
De ziel gezengd
En drong zoo zacht als windgesuis
Met ons in huis.

Toen Hij de brooden met ons brak,
Den zegen sprak,
Kenden wij Hem aan woord en stem,
En - wij verloren Hem.

Maar schoon Hij vlood van ons gezicht.
Toch blijft Zijn licht.
Want 't hart, ontstoken aan Zijn gloor,
Vlamt altijd door.

Daar gaat het om in het geloof:
een 'hart, ontstoken aan Zijn gloor'. De kruisdrager Willem de Mérode wist: God boog de lijn. Hij wist ook van de overgave:

De zomernacht werd zwart.
Toen, zacht en duidelijk klonk er
Een klare stem door 't donker:
Mijn zoon, geef Mij uw hart!


Die hoop moet al ons leed verzachten

Gelijk een landman, moe van 't ploegen,
De neigend' avondschaduw groet,
En zich verheugt in het genoegen
Dat hij naar 't huis der ruste spoedt,
Zo zal de mens, vermoeid van zorgen,
Waaraan hij zijne krachten sleet,
Verlangend uitzien naar de morgen,
Die 't graf is van verdriet en leed.

Al is het einde ook verborgen
Voor 't oog dat door geen nevels ziet,
God zal voor onze toekomst zorgen,
Zij die geloven, haasten niet.
Geloofd zij God!
Hij zal ons schenken
Een toekomst beter dan het graf.
Aan sterven onbevreesd te denken
Is ook een vrucht, die 't kruis ons gaf. 

Nooit kan 't geloof teveel verwachten.
Des Heilands woorden zijn gewis,
't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten,
Maar nooit een vriend als Jezus is.
Wat zou ooit Zijn macht beperken?
't Heelal staat onder Zijn gebied!
Wat Zijne liefde wil bewerken,
Ontzegt Hem Zijn vermogen niet.

Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog!
Voor hen, die 't heil des Heeren wachten
Zijn bergen vlak en zeeën droog.
0 zaligheid niet af te meten,
0 vreugd die alle smart verbant!
Daar is de vreemd'lingschap vergeten,
En wij, wij zijn in 't vaderland!

Hieronymus van Alphen


 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

God boog de rechte lijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1998

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's