Gods werk óf ons werk? (10)
Remonstrantisme
In dit artikel wil ik tot een afronding komen van het onderwerp waarover al veel is geschreven. Het is een samenvatting van alles wat in de voorgaande negen artikelen op papier is gezet.
In een elfde en laatste artikel wil ik dan nog ingaan op een aantal vragen die mij in de loop van deze reeks zijn gesteld. In het bijzonder hoop ik nog iets nader in te gaan op de algemene genade. De meeste vragen cirkelden rondom dit onderwerp.
Belangrijk
Iemand maakte de opmerking dat hij zijn hart aan Jezus had gegeven! Nog weer een ander zei, dat hij Jezus had aangenomen! Wanneer zo'n opmerking ons ter ore komt, hebben wij daartegen als gereformeerde belijders doorgaans onze bezwaren.
Wij vragen ons af óf het wel zo gemakkelijk gaat als het wordt gezegd. Aannemen? Wordt daardoor niet alle nadruk gelegd op wat de mens doet. Komt men daarmee - als men het zó zegt - niet in een gevarenzone. Wat ik met dit laatste bedoel? Wel, gaat men er niet al te zeer vanuit dat wij bij machte zijn om Jezus aan te nemen? Met andere woorden: Wordt er niet gedaan alsof er in onze wil nog zoveel vermogen is dat wij Jezus kunnen aannemen?
Wij hebben zo onze bedenkingen! Aan de andere kant zijn er mensen die jaloers zijn als zij dit horen. Al jaren kijken zij uit naar de zekerheid van het heil. Graag zouden zij in het geloof willen zeggen: 'Ik zal mijn hand op Jezus leggen; Amen op Zijn offer zeggen'.
Echter... zij durven het niet. Zij zijn bang zich iets toe te eigenen wat voor hen niet bestemd is. De vrees bestaat dat zij - zoals zij zeggen - met een gestolen of gebeelde Jezus verloren zullen gaan.
Zo wordt er wat afgetobt. Altijd is er de vraag: Zou het wel voor mij zijn? In het pastoraat heb ik ze wel ontmoet die van deze vraag letterlijk nachten hebben wakker gelegen.
Nu acht ik het niet verkeerd als men in zijn leven het een en ander weet inzake de worsteling om de zekerheid van het geloof. Het gaat anders worden als het een worsteling blijft en men nooit tot de zekerheid van het geloof komt.
In zo'n geval kan men zich afvragen óf men zelf de oorzaak er niet van is dat de heilszekerheid en daarmee de blijdschap van het geloof ontbreekt. Let wel: niet alle getob en ook niet alle worstelingen in het leven zijn altijd een werk van de Heilige Geest. Er kan ook wel eens veel geworsteld worden omdat het ongeloof een grote rol in het leven speelt. En ongeloof is zonde! Dit laatste brengt altijd schuld mee. Het gevolg is dan ook dat het eigen schuld is als men zolang in het donker loopt en men met de vraag bezig is óf het heil wel voor ons persoonlijk bestemd is.
Niettemin blijft de vraag actueel óf wij Jezus kunnen aannemen. Het heeft namelijk óók alles te maken met het werk van de Heilige Geest. Zijn wij het zelf die ons hart openen voor Jezus óf is het de Heilige Geest die dit alles werkt? Kan er met de apostel Paulus worden gezegd: 'Het heeft Gode behaagd Zijn Zoon in ons te openbaren' óf moet ervan worden uitgegaan dat het Gods werk én ons werk is. Met een sterk accent op ons werk!
Wat zegt de Schrift?
Soms krijgt men wel eens de indruk dat de Schrift zich hier en daar enigszins tegenspreekt. Ooit zei iemand eens op een huisbezoek: 'Dominee, er staan in de Bijbel remonstrantse teksten, maar ook wel teksten die daaraan tegengesteld zijn'. Hij wilde er eigenlijk mee zeggen dat mensen die een vrije wil voorstaan misbruik zullen maken van de zogenaamde remonstrantse teksten. Daarentegen zullen zij die van remontrantisme weinig óf niets willen weten alle nadruk leggen op teksten waarin duidelijk wordt gesproken over God die alleen het heil in ons werkt. Anders gezegd: Zalig worden is een eenzijdig werk van God.
De vraag is: Wie heeft gelijk? Zij die nadruk leggen op ons werk óf zij die alle accent leggen op Gods werk?
Laat ik er dit van zeggen: Geen van beiden doet recht aan het Woord van God. Ik bedoel: Aan het gehele Woord van God. Men klemt zich aan één waarheidselement vast. Het gevolg daarvan is dat de zaak wordt scheefgetrokken.
Voorop wil ik stellen dat zalig of behouden worden het werk van God is. Hij neemt het initiatief. Hij heeft dit reeds gedaan in de zending van Zijn Zoon. In de volheid van de tijd zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. God neemt ook het initiatief om het op Golgotha verworven heil door de Heilige Geest te laten uitdelen en toe te passen. Ten diepste heeft God van eeuwigheid aan reeds het initiatief genomen om de uitverkorenen te zaligen, maar Hij realiseert dit in de tijd. Geheel eenzijdig is dit werk van God. Het gaat helemaal van Hem uit. Maar let wel: dit eenzijdige werk van God wordt tweezijdig.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat Gods belofte wordt geloofd. Het is dus niet zo dat de Heilige Geest voor ons gelooft. Neen, Hij werk het geloof in ons zodat wij metterdaad gaan geloven.
Het is de Heilige Geest - anders gezegd - die ons handen des geloofs schenkt waarmee wij Jezus Christus als onze enige troost in leven en in sterven omhelzen.
Het kan ook zo worden uitgedrukt, dat het de Heilige Geest is die ons Jezus doet aannemen. Niet de Heilige Geest neemt voor ons aan, maar Hij geeft ons het geloofsvermogen om Jezus aan te nemen. Zo is en blijft het enkel en alleen het werk van een Drie-enig God, Vader, Zoon en Heilige Geest, maar in dat heerlijk werk doen wij volop mee. Zonder van enige coöperatie te spreken, worden wij door de Heere in staat gesteld ons hart aan Hem te geven.
Ik denk in dit verband aan Johannes 1:11 en 12: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven'. In dit verband valt ook te denken aan Johannes 3 : 27 waar Johannes zegt: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij'. Ook kan niemand tot Jezus komen, tenzij de Vader hem trekt.
Laten wij niet vergeten: Het woord 'aannemen' is een bijbels woord. En wie de macht d.i. de bevoegdheid ontvangt, neemt Jezus aan in het geloof.
Het is juist als iemand mij voorhoudt, dat wij de deur moeten opendoen als de Heiland klopt. Ik denk aan de brief die aan Laodicéa is geschreven. Ik lees in Openbaring 3 : 20: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen. Ik zal tot hem komen, en Ik zal avondmaal met hem houden en hij met Mij'.
Wie nu mocht denken dat dit helemaal ons werk is alsof er van Gods werk geen sprake is, vergist zich. Aan deze woorden gaan andere woorden vooraf. Een tekst moet men nooit los van de andere beschouwen. Teksten zijn - om zo te zeggen - ook nooit los verkrijgbaar. Immers, aan vers 20 van Openbaring 3 gaat vers 18 vooraf. In dat vers raadt de verhoogde Christus aan om de ogen te zalven met ogenzalf opdat men mag zien. Vrij vertaald: Wanneer onze ogen niet zijn geopend voor de kloppende Christus, zullen wij niets van Hem zien. Ook zullen wij de klop op de deur van ons hart niet horen. Wij hebben nodig het wederbarende werk van Gods Geest. Alleen dan gaan wij zien en horen. Alleen dan ontvangen wij de macht om de deur van ons hart voor Koning Jezus te openen.
Spanning
Wie mocht menen dat dit alles spanningsloos is, begrijpt nog niet hoe het alles in zijn werk gaat.
Het blijft een spanningsvolle zaak. Nooit of te nimmer gaat die spanning eruit. Zij is er bij het begin van de weg, maar zij blijft ook bestaan als wij verder worden geleid.
Duidelijk komt wat ik bedoel aan de orde in Filippensen 2 : 12b en 13; op die plaats houdt Paulus de gemeente van Filippi het volgende voor: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; Want het is God die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen'.
Duidelijk komt in deze woorden naar voren het werk van God in ons. Zijn werk echter maakt ons niet tot een stok en een blok. Het laat ons ook niet in lijdelijkheid teneer zitten, neen wij zijn er volop bij betrokken. Gods werk in ons, laat ons werken met vreze en beven.
Wat een troost dat het God is die in ons werkt. Wat Hij begint, breekt Hij nooit af. Hij staakt Zijn werk óók niet, maar uiteindelijk doet Hij ons volmaakte mensen zijn... in Christus.
Opvallend, de apostel begint met de aansporing: 'Werkt uw zelfs zaligheid met vreze en beven'. Hij valt als het ware via de achterdeur het huis binnen. Met andere woorden: Via deze aansporing komt hij bij het werk van God.
Laat dit tot troost zijn: Vaak achteraf zal men er achter komen dat het enkel en alleen Gods werk is geweest. Trouwens, dat is het altijd. Ik schrijf dit eigenlijk enigszins opzettelijk. In het pastoraat wordt aan de ouderlingen nog wel eens de vraag gesteld, hoe men kan weten of het een werk Gods in ons leven is. Geen eigen werk, maar Gods werk.
Men weet het eigenlijk alleen hieraan als men door het geloof de bevoegdheid en daarmee de kracht heeft ontvangen om Christus te omhelzen in het geloof. Maar... let wel: Dit weet men doorgaans achteraf. Hetzelfde kan men zeggen van het gebed. Wanneer is een gebed van God? Dat weet men pas achteraf dat men tóen en tóen door de Heilige Geest heeft gebeden. Wat zeker is: De spanning blijft, maar dat is dan ook het spannende aan het geloof.
Bevel
In de Schrift vinden wij meer dan eens het bevel om te geloven. Wie onder ons zegt dat men dit werkelijk niet kan, die moet dit maar tegen de Heere zeggen. Onze God weet raad! Bij Hem is Raad! Bij Hem is Jezus Christus. Een van Zijn namen is: Raad. Hij schenkt alles wat ons ontbreekt, mild en overvloedig. Wanneer Hij overkomt, brengt Hij alles mee. Zo zult u weten: Het is de Heere die mij doet geloven. Soli deo gloria, Gode alleen d' eer (slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's