De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Een tijd van twijfel?

Zonder het vraagteken was dat ooit (1977) de titel van een bundel preken van dr. Okke Jager (1928-1992). Hij ging in op zaken waar onder kerkgangers in toenemende mate twijfel over bestond: Komt alles wel uit Gods hand? Geloven we eigenlijk nog wel? Waarom zegt het ons zo weinig? Zijn miljoenen mensen voor eeuwig verloren? We zijn intussen twintig jaar verder in de tijd. Onze tijd lijkt meer dan ooit een tijd van twijfel, juist ook in kringen waar eerder een vaste overtuiging kenmerkend was. In zijn 'redactioneel' ter inleiding op het januari/februarinummer 1998 van Bijbel en Wetenschap, haakt hoofdredacteur drs. N. C. van Velzen in op berichten in de pers vlak na de EO-conferentie november vorig jaar over 'De boodschap en de kloof'. Hij zet boven zijn bijdrage 'De kunst van twijfelen'.

'Kopstukken uit bij belgetrouwe kring werden geïnterviewd. Journalisten legden hun de gegevens van de EO-enquête over geloofsvragen voor en ze moesten lastige vragen beantwoorden. Vrijwel ieder haastte zich te verzekeren, dat hij tegenwoordig veel minder zeker was van allerlei zaken dan pakweg twintig jaar geleden. Als dat betekent dat ze zich nu wat voorzichtiger en bescheidener uitdrukken dan destijds, is dat winst.

Toch dreigen er gevaren. Zoals een geweerschot in de bergen een lawine kan veroorzaken, zo kunnen - ongewild en onbedoeld - bepaalde uitspraken van vooraanstaande christenen via de media een geestelijke aardverschuiving ontketenen.

Twijfel en onzekerheid

Openlijk spreken over onze twijfels en onzekerheden lijkt wel in de lucht te hangen. Prof. Graafland signaleerde op de Impulswinterconferentie van de IZB twee vormen van geloofstwijfel. De eerste is de bevindelijke-gereformeerde twijfel, waarbij men zich vragen stelt als: Ben ik wel een kind van God? Is mijn geloof wel echt? Daartegenover staat een nieuwe vorm van twijfel, die sterk in opkomst is: Wie is God nu werkelijk? Hoe moet ik me Zijn leiding in de wereld voorstellen? Wat te denken van bijvoorbeeld de leer van de eeuwige straf?

Deze vorm van twijfel gaat dieper en is meer omvattend dan de eerste.

Het is de vraag of deze twijfel wel zo nieuw is als Graafland suggereerde. In feite zien we bij veel bijbelgetrouwe groepen en kerken een soort naijleffect van de Aufklarung. Vrijzinnige en neo-orthodoxe theologen zijn in de vorige eeuw ook zo begonnen. Nieuw is, dat men deze zaken nu voorzichtig in onze kringen aan de orde gaat stellen. Het lijkt wel, alsof sommigen het kennelijk als een verademing beschouwen, dat ze in een postmoderne tijd leven. Dan kunnen ze deze twijfels tenminste gewoon zeggen.

Tijdgeest

Invloed van de tijdgeest, zeggen we dan wat verontschuldigend. Het komt mij voor, dat we heel wat op rekening van het postmodernisme schrijven, wat in feite gewoon in ons eigen, zondige hart leeft. Of we nu modem of postmodern zijn - ik kan dat woord haast niet meer horen! - van nature buigen we niet onder het gezag van Gods Woord.

In Genesis 3 lezen we, dat de duivel begint met twijfel te zaaien, twijfel aan wat God gezegd heeft. Dat laatste zeg ik er ter voorkoming van misverstand uitdrukkelijk bij! De praktijk van het dagelijkse leven leert ons immers, dat er allerlei vormen van twijfel zijn die beslist niet voortkomen uit zondig ongeloof. Sinds de Renaissance werkt in de westerse cultuur echter de twijfel aan de betrouwbaarheid van Gods Woord overal in door. De twijfel is tot kunst verheven, tot methode gemaakt en als doel verheerlijkt. Van elk een voorbeeld:

In de 16e eeuw schreef Sebastiaan Castellio (1515-1563) een boekje onder de titel "De kunst van twijfelen: (De Arte Dubitante, Ned. vert. 1953). De auteur is een poosje medewerker van Calvijn geweest, maar al spoedig gaan hun wegen uiteen. Castellio zegt wel, dat hij het met Calvijn eens is over de evangelische grondwaarheden, maar aan de interpretatie daarvan mogen we twijfelen. Hoe? Door de edele "kunst van twijfelen" te beoefenen, waarbij het eigen verstand ons licht verschaft. René Descartes (1596-1650) maakt van deze kunst een kunde: hij propageert de methodische twijfel in de wetenschap, wat uiteindelijk - onbedoeld - geleid heeft tot methodisch atheïsme. G. E. Lessing (1729-1781) tenslotte verheerlijkt de twijfel. Als hij zou moeten kiezen tussen de waarheid en het zoeken van de waarheid zou hij aan het laatste de voorkeur geven. Dat klinkt de mens van nu sympathiek in de oren. Niemand heeft toch immers de wijsheid in pacht?

Binnenicamer

Toch is dit een verwerpelijke vorm van denken. We moeten door de Heilige Geest vernieuwd worden, ook in ons denken (Rom. 12 : 2). Wie twijfelt aan de betrouwbaarheid van Gods Woord, gelijkt op een golf der zee (Jak. 1 : 6), komt in de aanvechting. Alleen door de kracht van de Geest van God kunnen we deze aanvechting overwinnen.

"Waar het vuur van het geloof brandt, is de rook van de twijfel", schijnt Calvijn gezegd te hebben.

Alle gelovigen kennen hun perioden van geloofstwijfel. Dat is alle eeuwen al zo geweest. Ze koketteerden daar echter niet mee - daarvoor vonden zij terecht de aanvechting te gevaarlijk - , ze cultiveerden die ook niet, maar ze gingen ermee in hun binnenkamer. Ze beoefenden niet de kunst van het twijfelen, maar de kunst van het gebed.

Dat voorbeeld verdient navolging, ook voor ons, nu we in 1998 geconfronteerd worden met twijfel in allerlei vormen. Zo alleen namelijk, in afhankelijkheid van de Here God, is de huidige cultuurcrisis te overwinnen.'

Twijfel is iets van alle eeuwen en van alle tijden, dat is waar. Elke tijd en eeuw kent zijn eigen invloeden en oorzaken die gelovigen tot de aanvechting van de twijfel voert. We moeten elkaar daarin opvangen. De gemeente als gemeenschap is daarbij dringend nodig. We hebben het feit van Pasen net herdacht. Thomas alleen werd verteerd door twijfel: Jezus is dood. Het sloeg allemaal nergens op wat we geloofden. Jezus is een illusie. Maar Thomas in de kring van de discipelen belijdt: Mijn Heere en mijn God. In Woord en Dienst van 4 april 1998 schreef mw. ds. C. H. van Rijn van Alkemade een paasmeditatie onder het opschrift Draagkracht. Zij wijst daarin ook op de functie van de gemeente om mensen en hun problemen en machteloosheid tot op de plek van Jezus' Tegenwoordigheid in onze wereld te dragen, tot onder het bereik van Zijn Woord. Zo hebben we met gezag het paasevangelie aan elkaar te brengen.

'Ik herinner mij de jaren dat ik geen "moed" had. Benauwende levenservaringen drukten mij temeer. Alsof er een rem op je leven staat. Anderen die mijn weg kruisten hebben mij bij de hand genomen. Soms maar even, soms voor langer. Een gesprekskring, een bijbelgroep, een cantorij rond het Liedboek, een meditatie van Noordmans. Ik kwam van ver, was niet in staat te geloven. Anderen hebben voor mij geloofd, hebben mij gedragen tot onder het bereik van Zijn Woord. Terugkijkend is er diepe verwondering en dankbaarheid. Dat er gemeente is. Dat het Woord gezag over ons heeft gekregen. Dat je moed hebt mogen ontvangen om op te staan in je eigen leven. Er is de schok van herkenning: ja, "de Zoon des Mensen heeft macht op aarde om zonden te vergeven". God ontbindt de last van ons verleden, de dodelijke knoop. Dat kun je niet zelf, ondanks alle psychologische kennis. Dat gebeurt. Niets kan tegen dit "gebeuren" op. Nooit kun je daarachter terug. De moed die je ontvangen hebt is niet zomaar levensmoed. Het is zekerheid, de "certitudo fidei", de zekerheid van het geloof.

In deze tijd wordt nogal eens een spel met ongelovigheid gespeeld. Koketteren met twijfel en onzekerheid is geen ongewoon verschijnsel. Ik ken een priester die iedere zondag zijn gebeden begint met "Als U bestaat God, en als U zich om ons bekommert...". Een vrouw zei laatst bijna dreigend tegen mij: "Maar wij weten uiteindelijk niets!" Het doet mij pijn want voor wie van heel ver weg is gedragen, is het een luxe die je je niet kunt permitteren om ooit nog te twijfelen aan de concreetheid en de draagkracht van Zijn Woord: "Sta op!"

Zo is ook de opdracht van de gemeente om daar niet achter terug te gaan. Niet aangestoken te worden door de ziekte van modieuze weifelmoedigheid. Al die stemmen die zeggen: "Wij zoeken aansluiting bij deze tijd...". Welke tijd is dat, die van de oude wereld?

De gemeente is geroepen om anderen te dragen tot onder het bereik van het Opstandingswoord:

"Houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen" (Joh. 16 : 33). Anderen dragen, soms wil je voor die verantwoordelijkheid weglopen, ben je zelf moedeloos. Soms lijkt het wel of de kerk zelf neigt naar de kant van de zwaarmoedigheid, in plaats van te kiezen voor het Licht. Geloven in het Licht. Juist zo trekt zij allen aan die daarnaar hunkeren. Die merken dat de goden van deze wereld je in de steek laten. Die het nodig hebben dat iemand zegt: Er is Licht over jouw leven".'

Ons wordt het geloof geschonken onder het Woord. Het wordt er ook onderhouden. Daar vooral werkt de Geest in ons en onder ons. Heere, vermeerder ons het geloof, bidden we daar samen. Kom mijn ongelovigheid te hulp, zuchten we daar met elkaar. Ik heb geloofd en daarom speek ik, belijden we daar.

Denkklimaat

In De Reformatie (weekblad dat verschijnt in gereformeerd (vrijgemaakte) kring) is drs. G. J. van Middelkoop bezig geweest in een serie artikelen aandacht te geven aan de context van de cultuur waarin we vandaag leven. Ik citeer twee fragmenten uit wat hij schrijft in het nummer van 21 maart onder het opschrift Wat is waarheid?

'We denken vandaag over verschillende dingen niet meer zo als onze grootouders. We treden ook anders op. Daar komt bij, dat we in de open samenleving van vandaag meer dan vroeger mensen ontmoeten die er andere overtuigingen en waarden op na houden. Ook dat kan gaan knagen aan de stelligheid van je eigen overtuigingen en waarden. Dingen blijken betrekkelijk. Onze opvattingen, onze waarden en onze waarheden zijn niet absoluut. Ze gelden niet voor alle tijden en voor iedereen, maar ze zijn relatief. Ze zijn betrokken op onze tijd en op onze situatie. En de waarden en waarheden van anderen kunnen ook goed zijn, misschien zelfs wel beter dan de onze. De meeste mensen beseffen dat ook en durven niet meer de pretentie te hebben dat zij dé waarheid in pacht hebben. Maar het maakt je wel erg onzeker

Voordeel van deze ontwikkeling is dat de opvattingen van de mensen meer eigen en doorleefd zijn. Maar als de waarheden hun objectieve en absolute karakter verliezen, hebben ze ook minder zeggingskracht. En dan gaan ze ook minder betekenen in en voor ons leven.

Het relativisme dringt ook door in het godsdienstig en kerkelijk leven. Het geloof verandert erdoor. In het kerkelijk leven komen allerlei verschillende opvattingen naast elkaar voor, zowel in leer als in leven. Pluralisme heet dat. Dit kan leiden tot toenemende tolerantie in godsdienstig opzicht: vrijwel alles mag en kan gedacht en gezegd worden.'

Van Middelkoop gaat ook in op het boek 'Water, wijn en waarheid' van H. P. Medema dat eind vorig jaar verscheen. Medema acht het mogelijk de waarheidscrisis van onze tijd te overwinnen. We hoeven als christenen helemaal niet zo angstig in onze tijd te staan. De crisis heeft te maken met waarheid.

'Wat bedoelen wij, als we zeggen dat iets waar is? Dat het waar is voor mij? Of dat het waar is voor iedereen? Of dat het waar zou moeten zijn voor iedereen, hoewel de meeste mensen dat niet inzien? De mensen gaan vandaag heel anders om met waarheidsvragen. Als wij de boodschap van God in deze wereld doorgeven, blijft hij dan ook vaak in de lucht hangen. Wij spreken niet alleen een andere taal, maar ons christelijk getuigenis wordt aan dovemansoren gericht. We staan daarom voor de uitdaging om het evangelie niet alleen te laten horen, maar het ook te doen verstaan. En vooral te laten begrijpen, dat het Woord van God er aanspraak op maakt de waarheid te brengen.

Maar de postmoderne mens weet niet meer wat waarheid is. Hij heeft zijn eigen waarheid, jij hebt jouw eigen waarheid, ik heb mijn eigen waarheid, enzovoort. In feite is niets meer waar, tenminste niet in de zin waarin wij altijd over waarheid hebben gesproken, en ook niet in de zin waarin wij als christenen over de waarheid spreken. En aan de andere kant is tegelijk alles waar.

Het postmodernisme brengt ons in een heel andere wereld. Er komt een heel andere manier van denken en voelen, niet vanuit het hoofd maar vanuit de "onderbuik". De postmoderne mens beleeft de werkelijkheid niet meer als een samenhangend geheel, maar hij ervaart het leven als een massa kleine fragmenten. De mens zapt en leeft zo bij een stroom van zinloze informatie, waarachter geen "objectieve" werkelijkheid meer schuilgaat. Hij gelooft ook niet dat die bestaat. Het is onmogelijk tot zékere kennis te komen. Ieder voor zich kan zo zijn eigen subjectieve opvattingen en verhalen hebben. Maar die hoeven niets te betekenen voor hoe een ander denkt. En doet: je mag ook geen morele oordelen uitspreken met de pretentie dat ze ook voor anderen zouden gelden.

Wanneer je niet meer in een algemeen geldende waarheid gelooft, wordt elke opvatting even waar. En in een wereld van vele subjectieve waarheden moet je elke opvatting respecteren. Die mening noemen we pluralisme. Het pluralisme zegt: je mag alles geloven, als je maar niet gelooft, dat jouw geloof alles is. Of liever: je mag alles geloven, maar je mag nooit hardop tegen mensen die iets anders geloven, zeggen dat jouw geloof alles is. Er is helemaal niets waar, tenminste niet absoluut waar. Of: alles is waar. En zéker kan niemand ons komen vertellen wat er waar is en wat er niet waar is: de postmoderne mens accepteert dat soort dwang niet.'

Tegen deze geest van de tijd in hebben we vast te houden, aldus Medema, aan het gezag van de waarachtige God die tot ons spreekt in de Schrift. Hij citeert Francis Schaeffer die zei: e enige echte reden waarom wij de openbaring van God moeten geloven, is eenvoudig omdat het waar is. In gesprek met de postmoderne mens moeten we hem het christelijk geloof niet voorhouden als een systeem van geloofswaarheden, maar als een totaal nieuwe levensoriëntatie. Het is jammer dat Medema de bijbelse waarheid uitspeelt tegen de leer en het dogma van de kerk der eeuwen. Hoeveel mensenwerk daar ook onder te vinden is, het is toch ook niet allemaal apekool wat de klok slaat als je de traditie van de christelijke kerk op je af laat komen. Misschien moeten we wél zeggen dat onze tijd ons weer leert zo nauwgezet mogelijk de bijbelse boodschap te spellen voor mensen die leven in déze tijd. Daar stuiten we op een werkelijkheid van 'een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben' (Luk. 1:1). Dat verhaal blijkt te zijn de geschiedenis van de Gekruisigde Die tevens de Opgestane is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's