De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gods werk óf ons werk? (11 slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gods werk óf ons werk? (11 slot)

Remonstrantisme

9 minuten leestijd

Dit keer kom ik tot een afronding van deze artikelenreeks. Zoals men wellicht nog weet ben ik in één van de artikelen ingegaan op de 'kleine overblijfselen' van Gods beeld in ons zoals daarover in artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken.

Van twee kanten kreeg ik daarover een vraag. De eerste vraag is óf er met die kleine overblijfselen toch niet een grens gezet is aan het totale verderf? Een tweede vraag die hier zijdelings verband mee houdt gaat over het aanknopingspunt. Zijn de kleine overblijfselen een aanknopingspunt voor de genade?

Enige kennis van God

De bovengestelde vragen wil ik niet alleen behandelen door nog eens op artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te wijzen. Ook denk ik in dit verband aan de Dordtse Leerregels. Ik citeer uit hoofdstuk IlI/IV-artikel 4: 'Wel is waar, dat na de val in de mens, enig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is; en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht. .

Maar zover is het vandaan, dat de mens door dit licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis van God en zich tot Hem bekeren; dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja, veelmeer ditzelve, hoedanig het ook zij, op onderscheiden wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt; en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging ontnomen'.

Wanneer wij dit artikel rustig lezen en op ons in laten werken, kunnen wij ons inderdaad afvragen óf er niet een grens gezet is aan het totale verderf. Er wordt gesproken van een licht der natuur en van enige goede dingen. Het heeft de schijn alsof er van het totale verderf toch iets wordt afgedaan. Is het dan toch niet zo erg als ons doorgaans in de prediking wordt voorgehouden? Is het minder erg als de Schrift en de belijdenis van de kerk ons voorhoudt? Kunnen wij met dat enig licht van de natuur en enige goede dingen toch zelf het heil realiseren? Met andere woorden: Is er in ons het vermogen om Jezus aan te nemen? Dit vermogen is er in ons niet! De kleine overblijfselen in ons zijn resten van Gods beeld, maar zij werken voor de zaligheid niet ten goede, doch ten kwade.

Het merkwaardige is, dat deze kleine overblijfselen de zaak voor een mens niet een beetje verlichten, maar juist verzwaren. Door die kleine overblijfselen is niemand te verontschuldigen. Hieruit is op te maken, dat de overgebleven restjes van het beeld Gods in de mens aan het totale karakter van de verdorvenheid geen afbreuk doen.

Kort samengevat: Het is niet de bedoeling met de uitspraken over de kleine overblijfselen een grens aan te geven voor het totale verderf. Zij wijzen geen laatste reserve in de mens aan, geen kern van goedheid, dat aan de macht van zonde en bederf zou ontkomen.

Betekenis

Heeft het wel betekenis dat wij belijden dat er nog kleine overblijfselen zijn? Is het maar niet beter om hierover te zwijgen, want enig nut ten goede hebben zij niet. Zowel in artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis als in Verwerping der dwalingen, III/IV, 5 wordt er afstand van genomen dat deze kleine overblijfselen iets ten goede zouden uitrichten. Wij lezen onder meer in de 'Verwerping der dwalingen': 'De synode verwerpt de dwalingen van hen die leren: Dat de verdorven en de natuurlijke mens de gemene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of de gaven, hem na de val nog overgelaten, zo wél gebruiken kan, dat hij door dit gebruik een meerdere, namelijk, de evangelische of zaligmakende genade en de genade zelf allengskens (langzamerhand. De K.) en bij trappen zou kunnen bekomen'.

De vraag blijft: Waarom gaat het dan in de belijdenis van de kleine overblijfselen? Het gaat om de overtuiging, dat de mens door de zonde wel geheel verdorven is, maar dat hij toch mens is gebleven. Hij is nog altijd aan God verantwoordelijk. Echter... wat doen wij met die gaven? Daarmee gaan wij op een vijandige manier tegen God in. Het beetje licht en de geringe uitwendige deugd worden gebruikt om te doen wat God niet wil. De waarheid wordt daarmee ten onder gehouden (Rom. 1).

Met dat licht der natuur wenden wij ons dus van de Heere af. Ooit heeft iemand eens gezegd: Hoe meer natuurlijke kennis en hoe meer natuurlijke gerechtigheid, hoe verder van God. Inderdaad is dit vaak op te merken. Wij kiezen het verkeerde met al ons licht der natuur en met al onze kleine overblijfselen. Wij nemen Gods openbaring niet aan!

Van het licht der natuur kan gezegd worden dat het niet recht gebruikt wordt voor het aardse leven, maar wij kunnen er helemaal niet mee komen tot zaligmakende kennis.

Aanknopingspunt?

Nu is er in onze eeuw nogal eens gesproken over een aanknopingspunt dat in de mens gevonden zou worden. Ook in onze tijd heeft dit weer volop de aandacht. Er zou in ons een aanknopingspunt bestaan voor het geloof. In ons is - zo zegt men - een zekere ontvankelijkheid voor het geloof.

Nergens wordt er in de Schrift geleerd dat er een aanknopingspunt in ons wordt gevonden. Wij zijn niet ontvankelijk voor God. Het geloof is geen plant die op de akker van ons hart groeit en bloeit en waarvan de wortels in het hart verborgen lagen.

Geen aankopingspunt! Wij zijn van nature geneigd God en onze naaste te haten.

Het zal waar zijn: De mens is nog mens en God heeft hem veel gaven doen overblijven, doch met al zijn gaven keert hij zich van God af en tegen God.

Geen mensen, in wie nog iets goeds gevonden wordt, worden met God verzoend, maar vijanden.

De apostel Paulus horen wij in de Efezebrief zeggen: 'Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave'.

Niet te verontschuldigen

Ik schreef al eerder dat wij die kleine overblijfselen niet moeten bagatelliseren. Daarmee bedoelde ik te zeggen, dat men niet moet doen alsof zij van nul en generlei waarde zijn. Dat wij ze verkeerd gebruiken is een andere zaak. Maar ik blijf er bij dat de Heere in die overblijfselen een groot voorrecht heeft gegeven. Zij zijn pijnlijke herinneringen aan wat de mens geweest is en aan wat hij ook gehad heeft. Genoeg om hem alle onschuld te ontnemen.

Nooit zal iemand kunnen zeggen dat hij niet heeft geweten dat God bestaat. Zelfs wie altijd gezegd heeft atheïst te zijn, zal het bestaan van God niet kunnen ontkennen.

Wie verloren gaat, gaat daarom om eigen schuld verloren. Op God zal er niets aan te merken zijn.

De kleine overblijfselen zijn voldoende om de mens alle onschuld en alle verontschuldiging te ontnemen. Dat is de kracht van het licht der natuur!

Pas op

Wanneer men het bovenstaande leest, bestaat er een groot gevaar waarvoor ik in alle liefde en ernst zou willen waarschuwen. Iemand zou kunnen denken: Ik wacht maar rustig af óf de Heere het leven der genade in mijn ziel werkt. Zelf kan ik er toch niets aan doen; ik zal wel zien wat er van terecht komt.

Tot deze 'geruste in Sion' zeg ik dat er in heel de Schrift nergens wordt gesproken over lijdelijkheid. Zeker niet over een valse lijdelijkheid.

De Heere verbiedt ons nergens om te roepen en te bidden. Ook lees ik in Zijn Woord niet dat wij dat Woord niet van Hem zouden mogen onderzoeken. Zelfs lees ik niet dat Hij Jezus Christus voor een enkeling heeft gegeven.

Ik lees wel in het Woord: Wie hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot. Ook lees ik van de Zaligmaker dat Hij niet in de wereld is gekomen om der mensenzielen te verderven, doch om die te behouden.

Ik denk ook aan het versje dat wij wellicht allen van onze moeder hebben geleerd: 'Opent uwen mond... al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij 't smeekt, mild en overvloedig'.

Er is een Bijbel vol toezeggingen. Op vrijwel iedere bladzijde staat geschreven dat de Heere ons genadig wil zijn.

Het zal juist zijn als iemand mij voorhoudt, dat wij van nature niet naar de Heere vragen. Maar vergeet het niet: Hij vraagt naar ons. Hij heeft het reeds gedaan bij onze doop. Hij doet het als wij in de kerk zitten en de prediking horen. Hij vragt niet minder naar ons als wij thuis Zijn Woord lezen en onderzoeken. Steeds opnieuw klinkt het overal: 'Mijn zoon, geef mij uw hart en laten uw ogen Mijn wegen bewaren'.

Aan de Heere ligt het niet als wij verloren zouden gaan. Ik weet werkelijk wel dat er in de Bijbel staat geschreven dat wij niets kunnen aannemen, tenzij het ons van de hemel gegeven wordt.

Niet alleen in het pastoraat, maar ook persoonlijk word ik steeds daarmee geconfronteerd. Maar ook hiervan raak ik steeds meer overtuigd, nl. dat de Heere ons alles wil geven. Hij kan het niet alleen, maar Hij wil het ook. Om met Luther te zeggen: Het is Zijn liefste werk om doden het leven te geven.

De Heere is goed, de Heere is best als wij het maar van Hem verwachten. En wonder van genade: Hij geeft boven bidden en denken!

Het is niet ons werk, maar Zijn werk. En van Zijn werk in ons, zeggen wij wel eens achteraf: 'Ik wist niet dat zalig worden zo gemakkelijk was. Ik liet de Heere maar werken en het ging vanzelf'.

Wat een troost: Gods werk in ons! Hij laat niet varen het werk van Zijn handen.

Wij beginnen er niet mee, maar wel eindigen wij in de lofzang: 'Het is door U, door U alleen; Om het eeuwig welbehagen'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Gods werk óf ons werk? (11 slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's