Het gebed in reformatorisch perspectief
Wat betekent voor u als reformatorisch christen het gebed? Die vraag werd me ooit voorgelegd en ik kreeg een kwartier om er een antwoord op te geven. Ik meende er goed aan te doen mijn eigen gebedsbeleving te spiegelen aan eigentijdse vormen en visies ten aanzien van het gebed. Gereformeerde gedachten over bidden krijgen immers des te meer koloriet als wij ze houden tegen het licht van opvattingen die vandaag de toon zetten.
Erosie
Het is een open deur intrappen om te stellen dat het gebed zich in onze tijd in een ernstige crisis bevindt. Niet alleen is er het feit dat deze slagader van het geloof bij talloos velen is doorgesneden, waardoor hun geestelijk leven langzaam maar zeker is doodgebloed, niet minder alarmerend zijn sommige visies op het gebed die we tegenkomen in eigentijdse publicaties. Van de vele oorzaken die aan de erosie van de gebedsleer en de gebedspraktijk ten grondslag liggen, moet in de eerste plaats genoemd worden het veranderde zicht op Wie God is. Fundamentele verschuivingen in de Godsleer hebben hun uitwerking niet gemist in het denken aangaande het bidden van een christen. Ons Godsbeeld en onze gebedspraktijk blijken ten nauwste samen te hangen. Verlegenheden in het gebed blijken niet zelden verlegenheden ten aanzien van God Zelf te zijn.
De God die leeft en luistert, de God die de teugels van de wereldgeschiedenis en de touwtjes van een mensenleven in handen heeft, staat ter discussie. Het geloof in een God die ingrijpt en de wetmatigheden van de natuur weet te doorbreken is voor menigeen een antiquiteit uit lang vervlogen tijden. Dat Godsbeeld is in gruzelementen gevallen door de schokkende ervaringen die men opdeed of weggesleten door kennisneming van de inzichten van de moderne natuurwetenschap. God is voor velen niet langer de grote Weldoener, die alles weet en kan en die voor al zijn kinderen zorgt, zoals men leerde op de zondagsschool, maar ten diepste is Hij een machteloze God, die weliswaar aan onze kant staat te midden van het lijden, maar niet in staat is er iets aan te veranderen of er een eind aan te maken.
Bidden als vorm van beschikbaarheid
Even illustratief als onthutsend is in dit verband wat W. R. van der Zee schrijft over de nieuwe wijze van bidden, die het directe gevolg is van een veranderde visie op God. We moeten af van de gedachte, meent Van der Zee, dat God de Vader de duistere God is die de mens een kruis oplegt. De Vader is de Bondgenoot die ons begeleidt op een weg van vertrouwen en gehoorzaamheid, waarop het kruis staat als menselijke reactie. De bede 'Uw wil geschiede' is dan ook geen uiting van berusting, van onderwerping aan wat God over ons besloten heeft. In deze bede vragen we veeleer: Help mij, dat ik in mijn situatie, hoe onmenselijk moeilijk die ook mag zijn, uw weg blijf gaan'. Het is een woord van 'beschikbaarheid'. God is in de opvatting van Van der Zee evenmin de grote Weldoener, aan Wie we alles mogen vragen. Hij grijpt niet in 'op de manier zoals je je dat vroeger voorstelde. Hij geeft niet op een wonderbaarlijke wijze genezing. Hij heeft die lieve medemens van je niet gered van de dood. Hij gaf geen direct antwoord toen je niet meer wist, waar je het zoeken moest. Hij heeft de tirannen niet laten sterven of zich doen bekeren terwijl wij baden om vrede'. We moeten ermee ophouden God onze verlanglijstjes voor te leggen, want er zijn een heleboel dingen waar God eenvoudig buiten staat. 'God aan het hoofd zeuren om dingen waar Hij niets aan kan doen, om dingen die je zelf moet opbrengen, om dingen die volstrekt niet belangrijk zijn, om dingen die niets te maken hebben met Zijn Koninkrijk. Dat is bidden oude stijl. Een kind heeft nog niets anders. Maar de mondig geworden leerlingen van Jezus moeten beter weten'. Waaruit bestaat dan het nieuwe bidden? Bidden in Jezus' Naam. Niet vragen om bovennatuurlijk ingrijpen, maar om kracht, moed, wijsheid, de bereidheid om zelf in te grijpen. Niet vragen om wonderen, maar om dat ene wonder: je eigen verandering.
Wissel-om
Het hoeft geen betoog, dat een dergelijke opvatting een ferme wissel om betekent ten opzichte van alles wat de Reformatie ons over het gebed heeft aangereikt. God wordt niet langer gezien als de Almachtige, de Schepper en Onderhouder van alle dingen. Er voltrekken zich allerlei zaken buiten God om en van een actief ingrijpen in het gebeuren is geen sprake.
Toch maak ik mij sterk dat menig reformatorisch christen bij dergelijke geluiden een snaar diep in het hart voelt meetrillen. Laat ik eerlijk bekennen: dat geldt in zekere zin ook voor mijzelf. Ook in mijn eigen leven heeft een aantal ervaringen het geloof in het bestuur en beleid van God zo nu en dan onder zware druk gezet en mijn gebedsleven belemmerd. Ik noem de massieve confrontatie met de feiten die plaatsvonden tijdens de Grote Nacht, de waanzinnige genocide op het joodse volk gedurende de Holocaust. Ik vermeld de moemakende stroom van beelden en berichten over menselijk lijden in mondiaal perspectief. Ik refereer aan de ontredderende beleving van de zinloze, ontluisterende afbraak naar lichaam en geest van mensen in mijn directe omgeving.
Geen mens die vandaag met open ogen in onze gebroken wereld staat, kan aan zulke schokkende gebeurtenissen voorbij leven. Wij moeten dat ook niet willen. Wij behoeven evenmin onze eigentijdse ervaringen van ons af te schudden alvorens te luisteren naar gereformeerde opvattingen over het gebed. Laten we niet trachten een ononderbroken lijn te trekken van de 16e eeuw naar de onze. Ons bidden voltrekt zich in een andere context en een ander klimaat, te midden van andere aanvechtingen en belemmeringen dan die van Maarten Luther en Johannes Calvijn. We behoeven daarvoor onze ogen niet te sluiten om toch onze winst te doen met wat deze groten uit de kerkgeschiedenis ons aanreiken aan gebedsonderwijs.
Niet al onze wensen, wel al Gods beloften
Juist in perioden van gebedscrisis waren het naast de psalmisten juist de reformatoren die mij meer dan eens een duw in de rug gaven. Wat mij daarbij het meest geholpen heeft? Het altijd weer terugkerende appèl niet boven de beloften van God te willen uitgrijpen. Ook in het gebed werpt de gelovige zijn anker niet uit in zijn ervaringen, niet in wat voor handen en voor ogen is, maar in de onwankelbare belofte Gods. Geloof in gebedsverhoring is ook voor de reformacoren geen goedkope en gemakkelijke vanzelfsprekendheid. Integendeel, juist in de tentatio, in de smeltkroes van de aanvechting, als de hemel van koper lijkt en geen spoor van antwoord lijkt door te laten, leert het geloof zich vast te hechten aan het onwankelbare Woord van de Almachtige. Daarin vindt het rust, een vrede die alle verstand te boven gaat, ook als onze levensweg een andere is dan wij gehoopt en gebeden hebben. In dat licht begrijpen we Calvijns definitieve van wat bidden eigenlijk is: het is de voornaamste geloofsoefening, waarin wij God op zijn beloften aanspreken. God vervult niet al onze wensen, maar Hij vervult wel al zijn beloften. De beloften vormen derhalve de sleutel van ons bidden. Door ons zijn beloften te geven verschaft de Heere ons de vrijmoedigheid om tot Hem te naderen. Het is daarom nodig, zo merkt de reformator op in een preek over Lukas 2, dat aan ons bidden altijd voorafgaat onderwezen te worden in zijn beloften om toegang te hebben tot Hem in het geloof. Zo staat de Heere ons toe, dat wij naar Hem opklimmen langs de ladder van zijn beloften. 'Laten wij, vertrouwend op Gods barmhartigheid, alles van Hem verwachten, want het staat ons vrij te vragen wat hij zelf ons beloofd heeft', lezen we in Calvijns commentaar op Genesis 19.
Gegrond vertrouwen
Gods beloften verschaffen ons niet alleen vrijmoedigheid om onze gebeden voor God uit te zeggen, zij bieden ons ook de garantie dat God ons zal horen en verhoren. 'Ten aanzien van de aanroeping zal de beloften ons nooit bedriegen', zo wordt aangetekend in de Institutie. God heeft Zich aan zijn eigen beloften gebonden. Al zijn beloften rusten immers in het verbond dat Hij met ons wilde sluiten. Staande op de rotsbodem van de beloften hoeven wij er niet aan te twijfelen of onze gebeden wel gehoord zullen worden. Alle dingen waarvoor wij een zekere belofte hebben, mogen wij aan God vragen, in het vaste vertrouwen dat Hij ons gebed verhoren zal. Aan welke zaken daarbij gedacht moet worden? Calvijn noemt ergens enkele voorbeelden: De vervulling van het rijk van God, de heiliging van zijn Naam, de vergeving der zonden en verder al wat ons zalig is. Waar zulke beloften evenwel ontbreken, mogen wij God niets voorschrijven. De beloften vormen niet alleen de grond van ons bidden, maar ook de grens van ons gebed. Nodig is daarom dat wij onder het bidden Gods beloften overdenken, opdat zij ons de woorden in het hart geven. Kan God ons dan niet alles geven? Zeker wel, maar God bindt Zich aan wat Hij beloofd heeft. Calvijn meent dat Gods macht door een 'heilige band' verbonden is met zijn genade en zijn trouw in het vervullen van de beloften. Daarom kan naar waarheid gezegd worden, dat God alleen kan wat Hij wil en wat hij beloofd heeft.
God regeert
God is, met andere woorden, ook in de ogen van Calvijn niet de grote Tovenaar die alles voor elkaar weet te krijgen waar wij mensen zelf niet toe in staat zijn. En bidden is ook voor de reformator nooit en nergens een automatisme. In een automaat hoef je maar een muntstuk te werpen en de gewenste versnapering rolt je toe. Dat Van der Zee tegen dergelijke gebedsopvattingen en - praktijken bezwaar aantekent, is begrijpelijk. Maar dat impliceert nog niet dat God de machteloze God zou zijn, die onderworpen is aan de wetmatigheden die Hij Zelf in de schepping gelegd heeft. Ondanks alle verbrokenheid en raadselachtigheid van het bestaan, ondanks het besef dat de macht van de duisternis in deze wereld een geducht woord meespreekt, wil ik met Calvijn er toch aan vasthouden dat de zaken God niet uit de hand lopen. Onze God is niet alleen maar de Bondgenoot die meeleeft en meelijdt met zijn mensenkinderen. Hij is ook de hoge en heilige God die regeert. Daarom mogen onze lege handen in geloof naar Hem worden uitgestrekt. In alle omstandigheden en noden mag het geloof voor anker gaan in zijn vaste en zekere beloften die in Jezus Christus ja en amen zijn.
Een gebed
Mag ik eindigen met een gebed dat Calvijn gebeden heeft ter afsluiting van één van zijn voordrachten: 'Laat ons nu neerknielen voor de majesteit van onze lieve God met erkenning van onze gebreken en Hem bidden dat het Hem moge behagen ons vaste grond te geven in de beloften van zijn Kerk, een grond die niet bezwijkt en waarvan wij ons niet laten afbrengen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's