De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Bij uitgeverij Ten Have (Baarn) verscheen een boek, getiteld 'Jezus en de Holocaust' (zie ook mijn artikel in dit nummer). De schrijver Joel Marcus, opgegroeid in een seculier joods milieu in Amerika, verdiepte zich in de holocaust en met het oog daarop in passages uit de Evangeliën. Dat leidde hem tot het christendom. Hij is nu lector bijbelstudies aan de Universiteit van Glasgow. Uit het slothoofdstuk de volgende passages:

'Buber (de bekende joodse denker, v.d.G.) beschrijft hoe hij van tijd tot tijd teruggaat naar de Duitse stad Worms, waar zijn familie oeroude wortels heeft. Worms is niet alleen een centrum van Duits jodendom geweest, maar ook een belangrijke stad in de christelijke geschiedenis; in de zestiende eeuw is daar bijvoorbeeld een beroemde synode gehouden waar de rooms-katholieke kerk Maarten Luther voor het eerst in de ban heeft gedaan. Er staat een prachtige kathedraal in Worms, en Buber zegt dat hij, elke keer als hij de stad bezoekt, eerst naar de kathedraal gaat en geniet van die majesteitelijke harmonie, waar alles op zijn plaats is. Hij dwaalt door het prachtige interieur en bekijkt dat in volmaakte vreugde. Vervolgens gaat hij naar de joodse begraafplaats:

Die bestaat uit gebarsten en scheefgezakte grafzerken zonder vorm of richting. Ik betreed de begraafplaats en kijk vanuit die wanorde op naar de schitterende harmonie van de kathedraal, en dan heb ik het gevoel vanuit Israël op te kijken naar de Kerk. Hier beneden is geen spoor van vorm, alleen de stenen en de as onder die stenen. [...]

Een paar maanden nadat ik deze passage had gelezen, kwam ik terecht op een andere joodse begraafplaats in Europa, de oude joodse begraafplaats in Praag, op de ochtend dat ik uit die oude stad zou vertrekken. Die begraafplaats is in de vijftiende eeuw aangelegd. Al gauw was het terrein vol, en omdat de overheid niet toestond dat het werd uitgebreid, moesten de lijken van de Praagse joden boven op elkaar worden begraven, soms wel in twaalf lagen. De laatste begrafenis heeft in 1787 plaatsgevonden.

De joodse begraafplaats in Praag bestaat, net als de begraafplaats in Worms zoals Buber die beschrijft, uit een dichte massa grafstenen die alle kanten uit leunen, en allemaal minstens twee eeuwen oud zijn. Terwijl ik daar rondwandelde, leken de stenen haast menselijk, zoals dat soms gaat met oude, verweerde zerken, en in mijn verbeelding leken hun verschillende standen te verwijzen naar verschillende menselijke reacties op de chaotische storm die de afgelopen duizend jaar over de joden van Europa heeft geraasd. Dat beeld van grafstenen als een menigte die gebeukt was door de storm der geschiedenis, werd nog versterkt doordat je de begraafplaats betreedt via de Pinchas-synagoge, waar de namen van meer dan zevenenzeventigduizend Tsjechische joden die tijdens de holocaust zijn vermoord, te lezen staan op de ene muur na de andere.

Anders dan Buber in Worms herinner ik me niet dat ik vanaf de joodse begraafplaats in Praag een kerk zag; het hoogste gebouw in de directe omgeving is de klokkentoren van het oude joodse stadhuis. De klok op die toren had een van de beroemdste inwoners van Praag, Franz Kafka, zelf een jood, vanaf zijn kinderjaren gefascineerd. De uren zijn aangegeven met Hebreeuwse letters, en de wijzers lopen "tegen de klok in", een herinnering aan het feit dat Hebreeuws van rechts naar links wordt gelezen. Om de een of andere reden past die teruglopende klok bij de terugblikkende sfeer van de oude joodse wijk in het algemeen en van de begraafplaats in het bijzonder Beiden spreken overduidelijk van een verdwenen joods verleden.

Terwijl ik langs de wankelende zerken liep, werd dat gevoel van contact met het verleden tastbaar, en ik voelde dat mijn ervaring in zekere zin een herhaling was van die van Buber Ik voelde me verbonden met de woeste wanorde van de verzakkende stenen, op een manier die ik niet had gevoeld bij de harmonie in de prachtige kerken die ik in Praag had bezocht. Ik voelde een continuïteit, een ononderbroken keten van joods bestaan dat helemaal terugging tot Sinaï. En ik zag mezelf als schakel in die keten.

Maar ik voelde ook een ander gevoel van eenheid terwijl ik op de ochtend van mijn vertrek uit Praag over die begraafplaats wandelde. Een vriend liep naast me, een goede niet-joodse christenvriend, een soort gerespecteerde grote broeder in het geloof, om de woorden van Buber te gebruiken. En die christenvriend reageerde eveneens heftig op de sfeer van de begraafplaats. En hij en ik deelden, en delen nog steeds, een bewustzijn van eenheid op grond van een ander en voor ons hoogst belangrijk facet van de gebrokenheid van de wereld - het lichaam van Jezus dat gebroken is op het kruis. (...)

Een gevolg daarvan is dat de tikkoen van de wereld, haar herstel, restauratie en verlossing - in­ clusief de verlossing van Israël - al op beslissende wijze is begonnen door Jezus' opstanding uit de doden. Maar zo'n gevolg hoort in wezen natuurlijk thuis in de prediking van Pasen, en niet in die van Goede Vrijdag.'

Bij uitgeverij Groen te Heerenveen verscheen opnieuw een fraaie bundel meditaties van wijlen ds. H. G. Abma, getiteld 'De tijd is nabij - Overdenking van de Openbaring.' Een indrukwekkend boek over een bijbelboek waarover niet zo vaak een complete verhandeling verschijnt. Hier volgt een passage uit de meditatie over Openbaring 20 : 1-6, 'Het duizendjarig rijk':

'Over het duizendjarig rijk is al wat te doen geweest en het laatste woord is daarover nog niet gevallen. Wat is nu dat duizendjarig rijk? Sommigen zeggen, dat het zowat of zo ongeveer helemaal voorbij is. Anderen geven echter te kennen, dat het nog moet beginnen. Kan dat nu wel voorbij zijn, zonder dat wij het gemerkt hebben? Uitgesloten is dat niet. De joden meenden dat eerst nog Elia moest komen voor de Messias zou verschijnen, toen de Heere, Die de Messias was, hun duidelijk maakte dat Elia allang geweest was. Het zou dus voorbij kunnen zijn zonder dat wij het gemerkt hebben. Maar of het inderdaad voorbij is, dat is een andere kwestie.

Indertijd, eeuwen geleden, heeft een Britse monnik ons een dienst en naar ik meen soms ook een slechte dienst bewezen door in de Bijbel een indeling van hoofdstukken en teksten aan te brengen. Aanvankelijk heeft de Bijbel er dus niet zo uitgezien met hoofdstukken en teksten. Omdat het monnikenwerk is, vraag ik me af of we inderdaad een groot hiaat moeten aanbrengen tussen het slot van hoofdstuk 19 en het begin van hoofdstuk 20, waartoe ons de indeling wel verleidt. (...)

Duizend jaar zal de draak doorbrengen in de afgrond. Duizend jaar betekend een volledige periode. De draak heeft nu geen gelegenheid om de volkeren te verleiden, hij kan geen initiatieven meer nemen. Genoeg van het gedruppelde vergif van deze slang werkt nog na. Maar volkeren verleiden is afgelopen.

De satanische beïnvloeding is minder, en des te sterker is de regering van Christus. Nu de draak duizend jaar is gebonden, wint de christocratie aan macht. (...)

Aan het einde der tijden zal er dus een bijzonder christelijk bewind zijn. We mogen in de sobere woorden, waarmede dit rijk in uitzicht wordt gesteld, niet te veel lezen. Er zijn al heel wat verregaande vleselijke idealen en gedachten geknoopt aan dit duizendjarig rijk. Het is altijd anders dan we denken en zelfs dan we bidden. We willen zo graag op allerlei wijze de wereld winnen. Het is ons om van alles van deze wereld te doen. Terecht zingt de dichter, dat we deze wereld voor ons heilgoed achten. Maar we moeten de wereld overwinnen. We winnen iets dat we willen bezitten, maar we overwinnen wat ons vijandig gezind is. De wereld is onze vijand. De wereld bedoelt onze ondergang. De wereld wil ons meesleuren in de poel van vuur een sulfer, waarin het beest en de profeet geworpen worden. Die overwint zal gegeven worden met Christus te zitten in Zijn troon. (...)'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's