De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

 

In Opbouw (Nederlands Gereformeerd) stond een 'meditatie bij liet Avondmaal over Exodus 12 : 13 en 23' van ds. H. de Jong onder de titel 'Wilde God "bloed zien"? ' Hieruit twee passages:

'Het kan toch niet zo zijn, zegt men, dat de Here God om ons met zich te verzoenen bloed heeft willen zien? Het bloed nog wel van zijn eigen geliefde Zoon. Wanneer zeggen wij van iemand dat hij bloed wil zien? We hebben het dan over een bloed-dorstig wezen dat door niets anders tevreden gesteld kan worden dan door de dood van een bepaald mens of bepaalde mensen. "Ik kan zijn of hun bloed wel drinken", zegt zo iemand dan, en hij geeft daarmee te kennen dat hij van een dodelijke haat vervuld is. Nu, zulke gevoelens mogen wij God toch niet toeschrijven, hoor je nu zeggen. En op deze wijze rekent men af met wat de christelijke kerk de eeuwen door als haar liefste geheim bewaard en gekoesterd heeft. In deze vertekening van een "God die bloed wil zien" steekt iets kwaadaardigs. Een verfoeilijke uitdrukking moet dienen om wat we altijd geloofd hebben in een kwaad daglicht te stellen. Het is toch bepaald schokkend om de Here God die je van kindsbeen af eerbiedig bewonderd hebt om het werk van de verlossing door Christus, voorgesteld te zien als een soort kannibaal. Het is tot daaraantoe dat iemand moeite heeft met de ongewone weg die God voor onze verlossing gekozen heeft en om die reden de Schrift bevraagt of zij dit inderdaad wel leert. Dat moeten we kunnen hebben. De Schrift kan daar ook wel tegen. Maar we mogen elkaar toch wel vragen dergelijke insinuerende uitdrukkingen die God belasteren en mensen op het hart trappen, achterwege te laten. "Eet ik soms stierenvlees of drink ik bokkenbloed? " horen we de Here God in één van de psalmen verontwaardigd vragen (Psalm 50 : 13). Hoeveel te minder dan het vlees en bloed van zijn eigen geliefde Zoon.

Toch komen we de uitdrukking "bloed zien", van de Here God gebruikt, in de Schrift zelf ook tegen. En wel in de woorden die ik als tekst hierboven zette en die oorspronkelijk gesproken zijn ter gelegenheid van de instelling van het pascha in Israël. U weet dat Israël in de nacht van de uittocht bloed aan de deurposten moest strijken om gevrijwaard te blijven van de plaag die Egypte toen in de dood van zijn eerstgeborenen trof. We lezen: En de HERE zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de HERE die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan" (Exodus 12 : 23). Hier stuiten we zowaar in de bijbel zelf op de uitdrukking dat de Here God bloed wil zien. Maar, rijst nu uit de woorden het beeld op van een bloeddorstige tyran die uit is op verderf? Integendeel! Heel de passage roept luide dat God erop uit is zijn volk te sparen en te behouden.' (...)

'Hij wilde het zoenbloed zien, omdat Hij gedachten des vredes in zijn hart had. Het zoenbloed van Christus, waarvan dat bloed aan de deurposten een voorteken was. We mogen God innig dankbaar zijn voor zijn genadige ingreep waardoor Hij zelf gezorgd heeft voor het verzoenende bloed. God wilde het zien en daaraan merken we hoe veel Hij om ons geeft. Willen wij dit ook zien? Als wij aardig over onszelf tevreden zijn (de mensen van vandaag worden zo zelfgenoegzaam, vindt u ook niet? ), dan dringt de noodzaak van Christus' offerdood niet meer tot ons door. Dan vinden we die hele bloedgeschiedenis een achterhaalde zaak. Maar de Here God wil dat de herinnering aan Christus' zoendood levend zal blijven. Denk maar aan het heilig avondmaal. "Doet dit tot mijn gedachtenis", heeft Christus gezegd, toen Hij ons het brood en de wijn als tekenen van zijn lichaam en bloed gaf.'
                                                                                                                               ....

We kwamen dezer dagen tegen een vergeelde prospectus, samengesteld door drs. H. van 't Veld naar aanleiding van een facsimile-uitgave van geestelijke poëzie van de 17e eeuwse dichter Jan Luiken (De Banier, 1977). Hieruit de volgende passage 'Zo vader, zo zoon? '

'In 1628 vestigt de ongeveer twintigjarige Caspar Luiken, wiens voorgeslacht tijdelijk in het Duitse Essen verbleef, zich als schoolmeester in Amsterdam.

Na zijn huwelijk in 1633 met het stille Zeeuwse meisje Hester Coores verlaat hij spoedig de Hervormde staatskerk en sluit zich aan bij de Remonstrantse Broederschap.

Als in 1649 zoon Jan geboren wordt, als vijfde kind in het gezin, wordt hij niet in deze Broederschap gedoopt. Vader Caspar is zeer bevriend geworden met Galenus Abrahamsz., vrijzinnig voorganger van de Doopsgezinde Gemeente en sympathiserend met de Collegianten, die mengeling van remonstranten en doopsgezinden Waar de kinderdoop taboe is, de vrije profetie het wint van dogma's als Drie-eenheid en verzoening, het chiliasme hoogtij viert en de bestaande kerk en haar instellingen niet als de geëigende voorbereiding op het nabij geachte Vrederijk worden gezien. Rond Jans geboortejaar verenigt een andere aanhanger van Galenus, de herbergier Jan Zoet, om zich een kring van chiliastische geestverwanten, die in zijn herberg "De Zoete Rust" niet alleen bijeenkomen om het glas te heffen, maar ook om te dichten, te denken en te dromen.

De liefde, ascese en vrome verwachting van de eerste christengemeente wordt tegenover de verwording van de gereformeerde religie gesteld, waarin de orthodoxie te star wordt geacht, de predikant te autoritair, de praktijk rond de sacramenten te droevig en de kritiek te weinig binnenwaarts gericht.

Ook de "Kwakers" die zich in deze tijd in Amsterdam vestigen, verzetten zich tegen de kerk als instituut, de ambten en sacramenten, en verwachten alle heil van de directe inwerking van de Geest in het hart.

Een belangrijk stuk geestesleven - deels mystiek, deel rationalistisch - komt buiten de kerk te staan, aldus Evenhuis.

Caspar Luiken, evenmin vrij van chiliastische trekken, verdedigt in een in 1655 uitgegeven boekje Ondersoeck over den inhoud van twee Boecxkens Galenus vurig tegen twee pamfletten die hem aanvielen; vrij onderzoek, geen roomse gewetensdrang, het eigen verstand als leidsman is zijn leus. (...)

Tenslotte noemen we nog Jean de Labadie, die zich als afgezet predikant in Amsterdam vestigt en via huisgemeente en conventikels een nadere reformatie vanuit chiliastische motieven benadrukt: de versmading van de wereld en de liefde van een inwendige godsdienst i.p.v. de felheid van dogma's en twistvragen.

Caspar Luiken overlijdt omstreeks 1668; hij kan zijn zoon de weg naar de ware leer en het ware leven niet langer wijzen. Welke weg gaat Jan?

In 1671 zien twee drukken van zijn 'Duytse Lier, draayende veel van de nieuwste, deftige, en dartelende Toonen' het licht. Aan de hand van dit debuut zal later het touwtrekken om Luiken beginnen. Sommigen, waaronder hijzelf, zullen wensen dat hij het nooit geschreven had; anderen zullen van mening zijn dat hij al 't volgende beter ongedicht had kunnen laten. Meeuwesse acht dat in deze bundel reeds de eerste stappen op de weg naar inkeer, "het leven van de innerlijke mens", zijn gezet. De dichter van "Droom is het leven, anders niet" (...) was immers beïnvloed door de spirituele sfeer van het vaderhuis?

Droom is 't leven anders niet,
't Glyt voorby gelyk een vliet.
Die langs fteyle boorden fchiet.
Zonder ooit'te keeren.
d'Arme menfch vergaapt zyn tyd
Aan het fchoon der ydelheid.
Maar een fchaduw die hem vlyt.
Droevig wie kan 't weeren?
d'Oude Gryze blyft een kint,
Altyd flaap'rig, altyd blind;
Dag en uure. Waar, en duure.
Word vergulgeld in de Wind,
Daar mee glyt het leeven heen,
't Huis van vel, en vlees, en been.
Slaak aan 't kraaken,
d'Oogen waaken.
Met de dood in duisterheen.'

Op de weg ten leven

'In maart 1672 huwt Jan Luiken de om haar zang beroemde, vermoedelijk remonstrantse Maria den Oudens. Hun eerste kind, naar grootvader Caspar vernoemd, wordt in december door de remonstrantse ds. Brandt gedoopt. Na de wat losse jeugdjaren is de veilige haven van huwelijk en gezin bereikt. Nog geen halfjaar later wordt ook de definitieve kerkelijke keus gemaakt: de Doopsgezinde Gemeente. Vier volgende kinderen wordt de kinderdoop onthouden. Zijn levensbericht vermeldt:

"In het 26ste jaar zijns levens is hem de HEERE op een krachtdadige wijs aan zijn herte verscheenen, hem met veel overtuiginge en bestraffinge nagaande... waarop hij, vuurig door de liefde Gods ontsteeken zijnde, resolveerde om een geheel andere manier van leven te leiden; zijn oud en slecht gezelschap verlaatende, voegde hij zich bij de vroomen van dien tijd als Abraham Galenus, Petrus Serarius en anderen meer..."

Latere overlevering wil, dat de aanleiding tot zijn bekering het plotselinge overlijden van een vriend is geweest, die na de afscheidsgroet: "Zo God wil, zien we elkaar spoedig weer", zou hebben geantwoord, dat het hem onverschillig was, of God het wilde of niet.

In dit verband heeft men wel gewezen op het grafdicht dat Luiken voor zijn vriend Pieter Rixtel vervaardigde:

"Hier wordt een Digter aarde en stof, waarvan hij kwam.
Die wel zijn meeste vreugd in zotternijen nam,
Tot hij, te ver gegaan, de dood trad op de tenen.
Die smeet het lijf hier neer en zond de geest daar henen."'

• '(...) Twee trekken uit zijn leven als christen blijken duidelijk. Ten eerste zijn deemoed. Luiken spreekt niet vanaf een geestelijke bergtop, soms wordt de vermaning aan anderen doorbroken door de persoonlijke kreet van de mens die het gaan op het smalle pad zelf zo moeilijk vindt.

Ten tweede is er de ruimte van zijn hart. Juist uit zijn brieven blijkt de grote vriendenkring die hij troost, bemoedigt, erkennend dat God Zijn volk in elke kerk. Zijn Kerk onder alle volk heeft Vandaar ook zijn zachtmoedigheid, zijn optreden dat nimmer polemisch is, maar anderen door de uitstalling van zijn geluk wil overtuigen. Als Luiken overlijdt, ontwaken zijn ogen niet als in de "Air" uit de Duytse Lier met de dood in duisterheen, maar vindt zijn ziel Jezus, Die hem eerst vond:

"O Torteliduifje, houd maar aan
Gy zult Uw weerga nog wel vinden.
Hoe zoud gy dan malkaêr ontgaan?
Hy zoekt u ook, als zyn beminde."

Als hij zich, naar het Kort Verhaal meedeelt, overgeeft in Gods handen, weet hij, de etserdichter, zich in Zijn handpalmen gegraveerd.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's