Boekbespreking
A. Th. Boone, Bekering en beschaving. De agogische activiteiten van het Nederlandsch Zendelinggenootschap in Oost-Java (1840-1865), uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 1997, 218 pag., ƒ 38, 50.
Dr A. Th. Boone schreef een dissertatie Bekering en beschaving (een historisch onderzoek van de agogische activiteiten van het Nederlandsch Zendelinggenootschap in Oost-Java (1840-1865)), waarop hij vorig jaar promoveerde. Wij feliciteren hem van harte met de voltooiing en bekroning van deze zorgvuldig uitgevoerde studie.
Boone geeft op een goed gedocumenteerde wijze een analyse van de ontwikkeling van het kersteningsprincipe binnen het Nederlandsch Zendelinggenootschap (NZG), dat in 1797 werd opgericht tot bekering en beschaving in Nederland en overzee. Vanaf 1830 gingen twee stromingen zich binnen de NZG steeds duidelijker profileren: enerzijds de moderne Groninger richting met haar liberale beschavingsideaal en anderzijds de orthodoxe stroming van het Réveil met haar nadruk op persoonlijke bekering (p. 19 e.v.). De kerkelijke strijd leidde tot een groeiende controverse binnen het NZG, waar ook iemand als Groen van Prinsterer zich nauw bij betrokken wist (p. 33 e.v.). Hij pleitte tevergeefs voor een duidelijke confessionele stellingname van het NZG. Het gevolg was dat verschillende orthodoxe zendingsverenigingen werden opgericht, waardoor het confessionele geluid binnen de NZG verder verzwakt werd. Het 'fatale jaar 1864', waarin de voorzitter van de NZG ds. J. C. Zaalberg openlijk kleur bekende als 'moderne', veroorzaakte een confessionele aderlating van het NZG.
In hoofdstuk 2 beschrijft Boone de missionaire praktijk op Java. Een bedroevend relaas! De koloniale situatie werkte uitermate belemmerend. En de controverse tussen liberaal en orthodox, vertegenwoordigd door de zendelingen C. L. Gooien en J. Emde, leidde tot het ontstaan van twee typen christenen: een moralistische gemeenschap naar Javaans model en een piëtistische gemeenschap naar Westers model. Bij beiden ontbrak een evenwichtige inculturatie van het Evangelie.
Het is boeiend te lezen (hoofdstuk 3) hoe zendeling J. E. Jellesma getracht heeft een brug te slaan tussen de verdeelde christenen en een missionaire strategie zocht te ontwikkelen waarin zowel de bekering en beschaving als het Javaanse en Westerse christendom meer op elkaar betrokken werden. Jellema's doel was nobel: de vorming van missionaire gemeenten. Het getuigde van inzicht dat Jellesma de inlanders een belangrijke missionaire rol toedeelde: zij waren als de besten in staat hun volksgenoten te bereiken. Tot een diepgaande missiologische bezinning op methode en doelstellingen kwam het nog niet.
Blijkens Boones onderzoek is het de verdienste van zendeling S. E. Harthoorn geweest (hoofdstuk 4), dat deze bezinning meer op gang kwam. Harthoorn pleitte voor geschoolde zendelingen die met grondige kennis van de Javaanse denkwijze (Javanisme) de missionaire ontmoeting aan zouden gaan. Hoofdlijn van zijn methode was: niet de Bijbel brengen bij de Javaan (Emde en Jellesma) maar de Javaan brengen bij de Bijbel. Hij achtte een syncretistisch tussenstadium onvermijdelijk. Er zitten theologisch en psychologisch waardevolle elementen in deze benadering: zij vormen m.i. de grondslag voor een wezenlijke dialogische ontmoeting! Harthoorn ging er echter, zoals Boone beschrijft, te liberaal mee om, waardoor hij zich zelfs de kritiek van het NZG op de hals haalde, die de indirecte methode van Jellesma (zending via inlanders) bleeft verkiezen. Hoe complex één en ander lag blijkt wel uit het feit dat Harthoorn juist het inadequate van deze indirecte methode aan de kaak stelde: de bekering en beschaving bleven veel te Javanistisch en waren te weinig christelijk. Het is jammer dat Harthoorn uiteindelijk de intellectuele ontwikkeling van de Javanen als voorwaarde voor missionaire arbeid ging stellen (beschaving vóór bekering) en zo de nadruk legde op de professionalisering van de missionaire arbeid dat hij de waarde van de indirecte methode helemaal uit het oog verloor.
Rond de visie van Harthoorn kwam een 'debat over de Evangelische zending' op gang binnen de kringen van het NZG (hoofdstuk 5). Vanuit orthodoxe hoek kritiseerde men de geradicaliseerde volgorde beschaving én bekering, waardoor het geloof te eenzijdig als een zaak van het verstand werd. Bovendien was er verzet tegen de relativerende visie op het christendom in vergelijk met de andere godsdiensten. De discussie van vandaag is niet nieuw! Vanuit vrijzinnige hoek werd er positief op Harthooms concept gereageerd en terecht de consequentie van de beschavingsarbeid doorgetrokken: geen uitbuiting door het gouvernement. Vanuit het NZG wilde men beschaving en bekering blijven integreren. Terecht werd daar meer het procesmatige aspect van één en ander benadrukt.
Boone heeft een helder overzicht gegeven van een stukje Nederlandse zendingsgeschiedenis en heeft daarmee een waardevolle bijdrage geleverd aan een beter verstaan van de missiologische ontwikkelingen in de vorige eeuw. Het is jammer dat Boone in zijn 'Conclusie' niet verder komt dan een samenvattende evaluatie. De problematiek van de verhouding tussen beschaving en bekering, c.q. de verhouding tussen de (Westerse en inheemse) cultuur en het Evangelie, heeft immers een blijvende actualiteit. Had de dissertatie niet aan kracht gewonnen als vanuit de toenmalige discussie een aantal principia waren gedestilleerd als bouwstenen voor verdere bezinning?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 29 april 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's