Uit de pers
Israël:50 jaar een staat
Op 29 augustus 1897 begon in Bazel het eerste internationale Zionistencongres dat de Zionist World Organization stichtte, met als doelstelling 'het streven naar een publiekrechtelijk gewaarborgde woonplaats voor het joodse volk in Palestina'. Het congres leverde ook een joods volkslied en een joodse vlag op.
'In Basel', zo schreef Theodor Herzl in zijn dagboek, 'heb ik de joodse staat gesticht. Als ik dit vandaag in het openbaar zou verkondigen zou een algemeen gelach mij tegemoet klinken. Misschien na vijf, maar zeker over vijftig jaar zal iedereen het inzien.' De geschiedenis zou hem gelijk geven: vijftig jaar later, op 14 mei 1948, riep David Ben Goerion de joodse staat uit. (Deze gegevens ontleen ik aan de mooie biografie die Arie Kuiper schreef over Abel J. Herzberg 'Een wijze ging voorbij', Em. Querido's Uitg. 1997. Zeer aanbevolen voor liefhebbers van de ge schiedenis van het jodendom, onder andere en vooral in ons land!).
In Rondom het Woord (maart 1998, 40e jrg. nr. 1), een uitgave van de NCRV waarin de teksten staan van de wekelijkse radiorubriek op vrijdag via Radio 5, wordt een beeld van de staat Israël geschetst. Drs. Ruud Hof, docent aan de School voor de Journalistiek en gespecialiseerd in het Midden-Oosten opent de reeks met de beeldvorming over de staat Israël in de Nederlandse politiek en de Nederlandse publieke opinie. Hoe zit het daarmee nu het vredesproces stokt?
'Ik denk dat momenteel de overtuiging heerst dat het vredesproces dat in 1991 begonnen is en in 1993 tot een beginselakkoord heeft geleid, een goede zaak is die het verdient te worden voortgezet. En dat degene die in dat vredesproces dwarsligt, op het ogenblik is dat in veler ogen de Israëlische premier Netanjahoe, fout zit. In de publieke opinie is de kritiek op de huidige regering van Israël groter dan ooit.'
Zou je kunnen zeggen dat er nu onderscheid wordt gemaakt tussen de staat Israël en de huidige politiek in Israël?
Hoff: 'Ik denk dat de meesten vinden dat de staat Israël bestaansrecht heeft. Als de staat Israël wordt aangevallen, zal men van mening zijn dat Israël moet worden en moet blijven voortbestaan. De verandering ligt in het feit dat dat vroeger vrij kritiekloos gebeurde en dat men nu de huidige Israëlisch regering van halsstarrigheid beschuldigt. De regering laat kansen op een vredesregeling liggen.
Veel Nederlanders en ook Nederlandse politieke partijen staan over het algemeen heel sympathiek tegenover de Israëlische Arbeiderspartij, die in de oppositie zit. Dat is de partij van David Ben Goerion, de oprichter van de staat, Golda Meir en litschak Rabin. Daarvoor bestaat grote sympathie, veel meer dan voor de Likoedpartij die nu aan het bewind is. Noch Begin, noch Sjamir, noch Netanjahoe heeft in Nederland een goede pers gehad.' (...)
van de jaren in de Nederlandse samenleving en in de politiek over Israël is gedacht Ik denk dat de aandacht voor Israël nog steeds groot is. Hoff: 'De belangsteUing voor Israël is buitengewoon groot en dat is altijd zo geweest. Dat staat in schril contrast met de aandacht voor de omliggende Arabische landen. Het heeft te maken met het feit dat wij veel van Israël afweten en er ook steeds meer van willen weten. We voelen ons betrokken. Dat blijkt uit allerlei dingen. Nederlandse bibliotheken hebben veel boeken over Israël op de plank staan, maar over de grote Arabische wereld die eromheen ligt, heel weinig. Er zijn ook veel Nederlandse correspondenten in Israël gesitueerd. Hoeveel zijn dat er in de Arabische landen? Dat staat in geen enkele verhouding tot elkaar. De kern van de zaak is dat Israël in wezen een
De kern van de zaak is dat Israël in wezen een westers land is. Het is een democratisch land waarmee we ons verbonden voelen. Het is een land zoals Nederland. In de Arabische wereld heerst een totaal andere cultuur en is er van democratie veel minder sprake.
Verder is het zo dat vanuit Israël de public relations uitstekend verzorgd waren. We werden van uitgebreide informatie voorzien. Vanuit de Arabische landen was dat wel anders. De propaganda uit die landen wekte weerzin op en was vaak onjuist en onbetrouwbaar.'
ische landen was dat wel anders. De propagana uit die landen wekte weerzin op en was vaak njuist en onbetrouwbaar.' oe ziet de toekomst eruit wat betreft de betrekingen tussen Nederland en de staat Israël? off: 'Ik denk dat de stellingname positief blijft. c m e r a ( j denk ik dat er ook steun bestaat voor het vredesproces. Men wil van het conflict in het Midden-Oosten af. Men is van mening dat er naast Israël toch ook iets voor de Palestij nen moet worden gedaan. De loyaliteit jegens Israël hoeft daarbij echter absoluut niet ter discussie te staan.'
Er is verder een gesprek met drs. Ronnie Naftaniel, directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël. Naftaniel heeft de meeste zorg om de interne verdeeldheid binnen Israël zelf. Hem wordt ook de vraag voorgelegd hoe het zit met de relatie tot de Palestijnen. Sinds wanneer is het bespreekbaar dat er ook een Palestijnse kant aan de staat Israël zit?
Naftaniel: 'In 1973 richtte ik samen met een aantal andere mensen de Werkgroep Israël op. Dat was een organisatie die vooral op universiteiten actief was en twee uitgangspunten had: het recht op veiligheid van de staat Israël en de erkenning van het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk. In die tijd was het binnen de joodse gemeenschap een revolutionair idee. Het was eigenlijk onmogelijk dat mensen die zo dicht bij de joodse gemeenschap stonden, pok maar enige ruimte wilden geven aan het Palestijnse ideaal.
Tegenwoordig is bijna niemand meer verbaasd als je zegt dat ook Palestijnen recht hebben op een eigen staat, mits die staat in vrede met Israël kan leven. Het is gemeengoed geworden binnen grote groepen van de joodse gemeenschap, niet alleen in Nederland, maar ook in Amerika. Opiniepeilingen hebben uitgewezen dat zo'n 75 procent van de Amerikaanse joden geen enkel probleem heeft met een Palestijnse staat.'
Wat was uw motivatie om dat te doen? Naftaniel: 'Wij zagen toen al dat, wil Israël in vrede leven, dat alleen maar kan als er met de Palestijnse buren ook in vrede wordt geleefd. Het kan niet zo zijn dat Israël veiligheid kent als het het bestuur heeft over twee miljoen Palestijnen die uiteindelijk geen democratie hebben op de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Die mensen zullen eens, en dat is de les van de geschiedenis, in opstand komen en het Israëlische gezag verwerpen. Wil je vrede, veiligheid en toekomst voor de joodse staat daar, dan zul je mét de Palestijnen tot compromissen moeten komen. Dat was toen het motief en dat is het nog steeds.'
In een opmerkelijke column van Dirk-Jan van Baar in de Volkskrant van 20 april onder de titel Vervreemding van Israël gaat hij in op een eerder in deze krant gepubliceerde bijdrage van prof. S. W. Couwenberg. Deze bespeurde in het pro-Israëlische Nederland een genuanceerdere denkwijze over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Arafat is in die visie geen terrorist meer maar een staatsman. En Netanyahu staat dan te boek als een intrigant, iemand die de ene partij tegen de andere uitspeelt. Maar Van Baar gaat daar op zijn eigen manier op in, onder andere met deze woorden.
'Volgens Couwenberg staat Israël voor een nieuwe bevrijdingsstrijd, en moet zij zich losmaken van de nationale veiligheidsobsessie en de excessen die daarvan het gevolg zijn. Daarvoor moet Israël het recht van de Palestijnen op een eigen staat erkennen, zich terugtrekken uit de resterende bezette gebieden, en een einde maken aan de achterstelling van de Arabieren in Israël (18 procent van de bevolking). Anders komt de joodse staat in een positie die herinnert aan westerse koloniale praktijken. Ook de vergelijking met het Apartheidsregiem in Zuid-Afrika dringt zich op.
Het betoog van Couwenberg sluit aan bij de vele critici die de regering-Netanyahu als obstakel zien binnen het vredesproces. Zij klampen zich vast aan een "vredeskamp" binnen Israël om zich met de joodse staat te kunnen blijven vereenzelvigen. Oud-premier Rabin wordt als heilige vereerd. Dat kan moeilijk genuanceerd worden genoemd.
De onverzoenlijke rechtse en religieuze partijen passen niet in ons favoriete Israël-beeld. Dat duidt op vervreemding van het "reële" Israël. Wij houden vast aan het ideaal van een progressief, op het Westen gericht Israël, dat in harmonie leeft met haar buren. Dat is prachtig, maar ik zie niet hoe Israël in vrede met de Arabieren kan leven als een meerderheid van de joodse bevolking daarin geen vertrouwen heeft. Even raadselachtig is waarom de Palestijnen genoegen zouden nemen met een armzalig - op Israël aangewezen - ministaatje op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook.
Couwenberg legt zijn vinger op de zere plek. De zionistische droom heeft, eenmaal gerealiseerd, veel van zijn glans verloren, en staat goede verhoudingen met de Arabieren in de weg. Maar wat blijft er van Israël over zonder zionistische mythe? Als Israël haar exclusieve joodse karakter opgeeft lost zij op in een regio die geen enkele democratische traditie kent, maar wel dictators als Saddam Hussein en Assad heeft voortgebracht.
Voor het Westen is integratie van Israël binnen het Midden-Oosten een mooi idee. Het bevrijdt ons van lastige dilemma's, maar bevestigt de vooroordelen van (orthodoxe) joden die altijd al wisten dat ze in de steek zouden worden gelaten. Wij steunen het Israël dat ons goed uitkomt. Het hele "vredesproces" berust op een mythe, op een verzoeningsbereidheid die misschien in Europa bestaat, maar niet binnen het door een conspiratief politiek klimaat beheerste Midden-Oosten.'
Als ik hem goed begrepen heb, wil hij zeggen: verplaats je eens in de situatie van joden die recht en reden hebben om niemand in de wereld te vertrouwen, zeker niet in de hen omringende Arabische we reld.
In dit verband denk ik aan de gevleugeld geraakte woorden van Abel Herzberg: Zonder Israël is elke jood een ongedekte cheque. Naftaniel verwoordt de gevoelens van joden overal in de wereld met de bekende regels van de dichter Jacob Israël de Haan: 'Als je in Jeruzalem bent, verlang je naar Amsterdam en als je in Amsterdam bent, verlang je naar Jeruzalem'.
Israël en kerk
Onlangs organiseerden de GZB en de Morgenlandzending een symposium rond een rapport geschreven door ir. L. E. Meijer 'Terugkeer uit de ballingschap', een onderzoek naar Messiasbelijdende gemeenten in Israël. Verschillende sprekers voerden er het woord. De GZB zal een en ander publiceren binnenkort. Via het blad Confessioneel van 17 april 1998 citeer ik uit de samenvatting van de lezing van dr. H. C. van de Meulen. Hij sprak over het thema 'Wat mag Israël van de kerk verwachten? '
'1. Dat de Kerk gedenkt. Dat wil zeggen, de kerkgeschiedenis meenemen zonder de zwarte bladzijden over te slaan. Vergeten wordt wel eens de achtste doodzonde genoemd! Dit nietvergeten behoort te leiden tot boetvaardigheid om zo de weg tot gesprek mogelijk te maken. Ook de rel rondom de bankrekeningen in Zwitserland en bij ons de onbeheerd gelaten archieven en de bij opbod verkochte geroofde joodse
sieraden doet geen goed.
2. Dat de Kerk luistert. In een gesprek is dat één van de belangrijkste onderdelen. Zo gauw breng je een "verborgen agenda" mee, waardoor je bewust of onbewust je gesprekspartner naar het antwoord drijft, dat jij graag wilt horen.
3. Dat de Kerk het neen van de joden tegen het messiasschap van Jezus serieus neemt. Hopelijk kunnen ook de Messiasbelijdende joden ons helpen met het waarom van dit neen te verstaan.
4. Dat de Kerk aandacht vraagt voor en aandacht geeft aan de Messiasbelijdende joden, die zich niet alleen buiten, maar ook binnen het land Israël bevinden, en het gesprek met Israël blijft zoeken en niet weer het oude pad van de zending
onder Israël inslaat. 5. Dat de Kerk de dienst aan Israël bevordert. De oervorm van die dienst is de collecte, die Paulus ten bate van de gemeente in Jeruzalem organiseerde. De collecte van de Raad voor Kerk en Israël is nodig.
Maar waarom kennen wij geen collecte voor Israël zelf?
6. Dat de Kerk in haar voorbede en in haar handel en wandel van Jezus getuigenis aflegt.
7. Dat de Kerk haar belijdenis, dat de Heilige Geest Heer is en levend maakt, ernstig neemt. Dikwijls heeft de Kerk de Geest bedroefd en uitgeblust door voor Israël niets meer te verwachten, door de profetieën aangaande terugkeer en herstel te verachten, door de beloften betreffende volk en land voor vervallen te verklaren. Maar niet voor niets is één van de Schriftwoorden, die nu al weer een halve eeuw op de grote menora voor de Knesset staan, Ezechiël 37. De Geest van God doet Israël leven en herleven.
De Kerk mag bidden, dat de Geest Israël in alle waarheid zal leiden, ook in die aangaande Israels Messias. Wie weet, mogen de Messiasbelijdende joden daarin een middel zijn. Ik als tot Israels God bekeerde Germaan zal niet zeggen, hoe dit zal gebeuren, maar ik hoop wel, dat het mag gaan in de geest van ds. Tabaksblatt, die reeds in 1951 schreef: "Wij moeten ons bewust worden, dat wij op ons volk (Israël) niets meer voor hebben dan alleen het geloof in de Messias. En dit geloof verbiedt ons elke superieure houding tegenover dit volk; integendeel, het gebiedt ons een houding van liefde, genegenheid en opoffering in dienst van dit volk...".'
In Wapenveld, april 1998, 48e jrg. nr. 2, staat een gesprek van Wim Dekker en Herman Oevermans met dr. H. Vreekamp. Vreekamp is sinds 1984 secretaris van de Raad voor de verhouding van Kerk en Israël. Uiteraard komt het gesprek ook bij de relatie tot Israël.
'De vraag hoe het christendom hier op de Veluwe is binnengekomen, houdt mij dus erg bezig. Wat is er gebeurd toen het oude heidendom in aanraking kwam met het Evangelie, dus met de God van Israël. Was dat een los verkrijgbaar Evangelie? Zo zal het natuurlijk vaak gegaan zijn. De vertaling van het Evangelie voor de Saksen, de Heliand, lees ik in Engelse vertaling. Maar via Internet heb ik de oud-Saksische grondtekst kunnen vinden. Aan een universiteit in de VS zit een speciahst die alles van de Heliand afweet. Als je dat oud-Saksische hardop leest - met de vertaling erbij - dan komt het heel dichtbij.
De Heliand is een epos waaraan je kunt zien hoever de aanpassing is gegaan. Christus is de held, als een ruiter te paard. Ook de schapen in de kerstnacht zijn vervangen door paarden. Gaandeweg is mij opgevallen dat ook in de Heliand het evangelie los verkrijgbaar is, dus los van het Oude Testament. Het gaat om Christus die in de plaats van Odin komt. Maar de trekken van Odin blijven heel erg herkenbaar. Het tweede dat opvalt is dat de grote tegenstander - die er altijd hoort te zijn in een epos - de joden zijn. Christus staat tegenover de joden. De figuur van Christus in de Heliand is mij gaandeweg gaan irriteren. Het wordt de held die alles kan, die machtig is, die overal antwoord op weet.
Als het Evangelie zo is binnengekomen, zo los van de Schriften van Israël, als een epos waarin Christus de held is, dan moet je niet verbaasd zijn als dat christendom zich los van Israël gaat presenteren en een hele nauwe verbinding met het heidendom aangaat.
Wil de relatie met het jodendom wat voorstellen, dan moeten we onze eigen heidense afkomst kennen. We moeten het heidendom eren, zegt Miskotte, het is vlees van ons vlees. Gevoelsmatig resoneert het heel sterk bij me, het besef dat ik van huis uit heiden ben. Natuurlijk moet je kritisch blijven, daar ben je ook wetenschapper voor, maar als ik in Engeland ben, in Stonehenge, en vooral als ik in Ierland ben, dan werkt dat heidendom op me in. Van huis uit ben ik heiden, christen-zijn is erbij gekomen. We worden christen genoemd zegt de Heidelbergse Catechismus, we zijn het niet van huis uit. Uit Israël is het naar ons toegekomen. Een christen uit de volken die Jezus volgt staat tussen Israël en de volken. Paulus gebruikt de metafoor van de wilde olijf, van het enten van de heidenen op Israël. Dat is een operatie, met een wond, met verband, met littekens. Het is ingrijpend voor een heiden van huis uit geroepen te worden je om te keren naar de God van Israël, om afstand te doen van heidense beelden. Geen houvast meer. Alleen de Stem op het open veld van de geschiedenis. In Ierland ervaar ik dan iets van: waarom moeten we dat allemaal loslaten? Moet dat wel? Of is er een combinatie mogelijk? Van Ruler spreekt van vermenging. Het christendom puur bestaat niet. Het christendom is altijd een uiting in een bepaalde cultuur waarbij eerst de bijl van de zendeling nodig is - een akte van geweld. Ik geef me als heiden niet zomaar over aan het verre en nieuwe van de God van Israël. Ik krijg te horen dat de humaniteit, het menszijn, bedorven is. De held van het geweld staat in het midden. Zoals Psalm 9 zegt: laat de heidenen weten dat ze mensen zijn. Ik moet inzien dat wat het Oude Testament meldt over het menszijn het bevrijdende woord is en dat dat verlost van de angst. Toch trekt het heidendom.'
De al genoemde Abel Herzberg koppelde de eeuwenoude jodenhaat aan de heiden die elk mens vanuit zijn wortels is. Moordzucht, aldus Herzberg, komt uit de normale mens voort, uit 'de heiden'. De heiden leeft in elk mens, 'ook in de jood'. Hij wacht tot hij wakker wordt geroepen. Het zijn geen krankzinnigen geweest, maar gewone mensen die door het nationaal-socialisme werden meegesleept. In ons allen leeft het bandeloze barbarisme, dat is het heidendom in elk mens. Dat komt dicht bij het belijden dat de mens van nature een hater van God en de naaste is. Wie zich met het jodendom bezighoudt, leert zichzelf steeds beter kennen en zo de God van Israël belijden als de Ene en Eeuwige Die ons draagt. Die God zal Zijn volk nimmer begeven en verlaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's