‘De lege stoel in het Vaderhuis’
Israël in de prediking
Het antwoord op de vraag naar de plaats van Israël in de prediking is bepaald niet eensluidend. Voor wie geregeld de prediking van verschillende dienaren hoort, kan dit duidelijk zijn. Nu is het niet onze opzet de verschillende zienswijzen hierover de revue te laten passeren, laat staan een polemiek te gaan voeren. Wij willen slechts trachten weer te geven, hoe naar onze overtuiging die plaats van Israël in de prediking dient te zijn. Daarmee bedoelen wij niet om in de prediking de actuele en politieke situatie van de staat Israël aan de orde te stellen. Wel belangrijk en ook noodzakelijk is het echter om ten aanzien van alles wat zich afspeelt in en rondom Jeruzalem de geestelijke vinger aan de schriftuurlijke pols te houden! Wat daar gebeurt en nog gebeuren zal, staat namelijk niet op zichzelf, maar houdt verband met de heilshistorische en eindhistorische plaats van Israël in Gods heilshandelen en daarmee met de plaats van Israël in de prediking. Het wonder van Israels bedreigd volksbestaan en tevens gewaarborgd voortbestaan in het land der vaderen mag - met name in dit jaar van herdenken - als een teken van Gods trouw over Zijn volk derhalve voor de gemeente niet verzwegen worden. God gaat immers in de geschiedenis der volken met Israël Zijn aparte weg, die zijn onmiskenbare weerslag heeft op het heil en het welzijn van de gemeente. Hoe onnaspeurlijk naar de toekomst toe die wegen Gods ook zijn, zij behoren desondanks bij het licht der profetie te worden nagegaan en geduid.
Wie dat nalaat, schiet - wellicht onbewust - in zijn roeping als vertolker van Gods heilswerk tekort. Hij doet de Schrift tekort, hij doet daarin Israël tekort, hij doet daarin ook de gemeente tekort, die er in de verkondiging van Godswege recht op heeft, dat haar de volle raad Gods verkondigd wordt. Daarin gaat het om de 'tota scriptura' - de gehele Schrift - waarin ook Israël zijn wezenlijke plaats heeft. En wie de verborgenheden van het geloof aan de gemeente heeft voor te stellen kan niet heen om de verborgenheid van de gemeente, maar evenmin om de verborgenheid van Israël. In dat opzicht spreken de brieven van Paulus een niet zo gemakkelijke, maar wel duidelijke taal.
Geen vervanging
Moeilijk, omdat de verborgenheden Gods wel te aanbidden, maar niet te doorgronden zijn. Dat geldt zowel het geheimenis van Israël, als dat van de gemeente. Duidelijk, omdat de apostel ons door openbaring verkondigt, dat Israël in Gods raad en handelen een unieke plaats heeft, die alles te maken heeft met de zegen van Abraham voor alle volken. Die plaats is vanuit Gods verkiezing onopgeefbaar en onverliesbaar. Dat wil zeggen, dat zij dan ook niet door de gemeente ingenomen kan worden. Israël is niet te vervangen, evenmin als een kind ooit door een ander te vervangen is. Dat wordt door de aanhangers van de z.g. vervangingstheorie echter wel gezegd, en dat is ook al heel vroeg in de kerk beweerd en aangenomen. Daarbij ging men ervan uit, dat de rol van Israël definitief uitgespeeld was. Israël had als volk voor God afgedaan met zijn verwerping van de Messias, en daarom was het zelf verworpen. Alle voorrechten en beloften raakte Israël daarmee kwijt. Zij kwamen voortaan toe aan de kerk als het z.g. 'geestelijke Israël'. Intussen bleven merkwaardigerwijze de vloek en de oordelen wel voor Israël van kracht. Dat deze theorie grote schade aan Israël heeft toegebracht vermag de geschiedenis van dit volk - tot in onze eeuw met zijn gruwzame holocaust! - ons wel te leren. Het is bepaald beschamend en schokkend te ontdekken, hoe er vanaf de vroege eeuwen van onze jaartelling over de joden is gesproken, geschreven en in de kerk is ... gepreekt.
Dat deze theorie van grote invloed is geweest - en helaas veelal nog is - op de vraag naar de plaats van Israël in de prediking is onloochenbaar. Wie deze weg volgt en Israël vervangt door de gemeente, zal weinig moeite hebben met de plaats van Israël in de prediking. Israël heeft dan wel - terecht - een voorbeeldfunctie voor de gemeente, maar helaas niet méér dan dat. Het heeft immers afgedaan, want God heeft met Israël afgedaan. Dan hebben wij er in de prediking ook geen boodschap aan! Want dan is de erfenis ons ten deel gevallen en is Israël voor altijd onterfd.
Intussen heeft de Schrift er wel een boodschap aan. Want als één ding vaststaat, dan is het, dat er voor deze vervangingsleer geen enkele grond in de Schrift te vinden is. Integendeel, zij is er zelfs mee in strijd. Nergens lezen wij, dat God Zijn handen van Israël heeft afgetrokken en ze in plaats daarvan naar de kerk heeft uitgestrekt. Juist het tegendeel wordt ons betuigd. Wie de Schrift leest, zoals zij zich aandient, en zich niet laat verleiden (!) tot vergeestelijking der woorden, zal dat moeten erkennen. Israels ontrouw - die het volk als 'vijanden aangaande het Evangelie' zwaar aan te rekenen is en ook metterdaad aangerekend is - deed niettemin Gods trouw jegens hen als de 'beminden om der vaderen wil' niet teniet en zal het nooit doen. Men leze er de diep bewogen, maar tevens hoopvolle woorden van Paulus in zijn brief aan de Romeinen maar op na. Wat God Zijn volk aan genadegaven had toevertrouwd, heeft Hij niet teruggenomen, ook niet na hun afwijzing van Christus. Zijn genadegiften en roeping zijn onberouwelijk.
Mede-erfgenamen
Toen de heidenen deel kregen aan de weldaden van Gods verbond, werden zij door Gods genade 'mede-erfgenamen' en 'mededeelgenoten' van Zijn belofte in Christus. Zij werden naast Israël als Gods eerstgeborene geadopteerd en verkregen mét Israël de 'aanneming tot kinderen'. Maar dat betekent niet, dat Israël uit Gods hart en hand gevallen zijn. Juist het voorvoegsel 'mede' impliceert de vastheid van Gods verbond met Israël, waarin het bewaard blijft en waardoor ook de heidenen de naam van 'Sions kinderen' mogen dragen. Het laat zich verstaan, dat deze vervangingstheorie niet minder schade heeft toegebracht aan de kerk zelf, die zich daardoor van veel zegen heeft beroofd. Men kan wel denken op de lege stoel van zijn broeder, die tijdelijk buiten de deur staat, te mogen gaan zitten, maar dat is niet anders, dan egoïsme en hoogmoed. En hoe zullen die tot zegen kunnen zijn? God geeft immers naar Zijn welbehagen Israël en de gemeente ieder hun eigen plaats, die wij niet kunnen en mogen verwisselen. In een synagoge in Sefad in Noord-Galilea staat een aparte stoel. Die is voor Elia gereserveerd, als hij komt, en er is niemand, die op die stoel mag gaan zitten. Zo staat in het 'huis van de Vader' a.h.w. de lege stoel van Israël te wachten, totdat onze oudste broeder opnieuw zijn eigen plaats inneemt in het Vaderhuis. Voorheen zat Israël daarop, totdat God er voor de gemeente een stoel bijzette. Toen liet Israël zijn plaats leeg, maar zijn stoel heeft God niet weggenomen. En hij blijft er staan totdat hij weer door Israël bezet zal worden. Men mag die stoel daarom niet negeren of buiten de deur zetten. Dan zou de plaats van Israël niet leeg, maar weg zijn. Dan verdwijnt hij uit het oog. En dat betekent in dit opzicht dan inderdaad: uit het oog - uit het hart. Dan verliest men op de lange duur zelfs de herinnering aan zijn broeder. Is dat niet grotendeels de praktijk geweest in ons geestelijk en kerkelijk leven? Israël was uit het geloofsvizier verdwenen. Ook in de prediking was Israël weg. Daarom leefde het niet meer in ons hart en in ons denken en derhalve ook niet in ons (ambtelijk) gebed. Maar dat is dan wel in lijnrechte tegenspraak tot wat in het hart en het gebed van Jezus leefde, die bij Zijn afscheid een woord vol verwachting voor Zijn volk achterliet. En dat staat haaks op de droefheid en de voortdurende smart in het hart van Paulus, die altijd om die lege stoel van Israël heeft geweend en die om het behoud van zijn volk geworsteld heeft. Israël is nooit uit Jezus' hart verdreven. Daarom is het ook nooit verdwenen uit het hart van de apostel. En daarom mag Israël ook niet verdwijnen uit het hart van de gemeente en zijn door God aangewezen plaats in de prediking verliezen.
Directe betekenis
Directe betekenis Dat dit desondanks toch gebeurt, is het vervolg van een veelal traditioneel eenzijdige uitleg van de woorden der Schrift. Hier komt dan ook de vraag naar voren, hoe wij de Schrift - in het bijzonder het Oude Testament met zijn profetische teksten - hebben te lezen. Veelal heeft men de duidelijke woorden van de profeten van hun directe betekenis beroofd en er een 'geestelijke' uitleg aan gegeven. Daarmee heeft men de letterlijke vervulling van de profeten met het oog op de toekomst van Israël en de volken uitgebannen.
Om dit te illustreren kan in dit opzicht het visioen van Ezechiël 37 dienen: het visioen van de vallei vol doodsbeenderen. Vaak wordt hierover gepreekt, alsof het in dit gedeelte alleen gaat om de geestelijke levendmaking van de zondaar, waarbij zelfs de naam van Israël niet genoemd wordt. Zo wordt echter naar mijn gevoelen de profetie geweld aangedaan. Dan laat men in feite de profeet zeggen wat deze niet zegt en ook niet bedoelt te zeggen. Dat betekent niet, dat het vanuit dit woord van de profeet niet legitiem zou zijn geestelijke accenten te leggen en parallelle lijnen te trekken naar de levenwekkende kracht van de Geest in een dode situatie van mens en kerk en wereld. Dat lijkt mij niet alleen legitiem, maar zelfs geboden. De prediking is per slot van rekening op de gemeente gericht, die niet gesticht is met een historische uiteenzetting vanuit en rondom de tekst, maar met een profetische boodschap, die geactualiseerd is op haar eigen leven. Zo zal zij ook alleen het hart raken.
Maar als dat gebeurt, dan moet de geeste lijke toespitsing geschieden vanuit de concrete boodschap van de tekst. Dat wil in dit verband zeggen: het werk van de Geest juist vanuit het wonder van de herleving van Israël, zoals dat aan de profeet wordt geopenbaard en zoals dat in de geschiedenis van Israël gestalte heeft aangenomen en ... aanneemt. Anders is de verkondiging incompleet en minder geestelijk, dan men vermoedt. Waar het de profeet immers in eerste instantie om ging, is volstrekt duidelijk en kan niet worden misverstaan. Deze profetie met haar meervoudige duiding bevat Gods belofte voor het nationaal en geestelijk herstel van Israël. De wedergeboorte van het volk door en onder de beademing van de Geest. Die profetie is niet tot haar laatste vervulling gekomen met de terugkeer van Israël uit Babel, maar staat evenzeer nog uit voor de toekomst. God is bezig nog meer graven te openen, dan alleen het graf van Babel, waaruit Hij Zijn volk deed opkomen. De beenderen worden bijeengebracht. Israël is thuis gekomen en is nog steeds aan het thuis komen. Dat wekt het verlangen op naar de algehele vervulling van dit profetenwoord: 'Ik zal Mijn Geest in u geven'. Juist het 'geruis' van de opening der graven doet roepen om en uitzien naar de Geest, die dat volk tot werkelijk leven zal wekken en het tot zijn wezenlijke bestemming zal brengen. Dat is ingezet met Pinksteren, maar dat was het einde niet. Integendeel, de Geest is pas klaar met 'geheel Israël', als de Verlosser uit Sion komt en de goddeloosheden van Jacob zal afwenden.
Herstel
Juist dat herstel van Israël als een levenwekkende daad van de Geest met zijn diepe geestelijke betekenis voor de gemeente komt bij vergeestelijking van de profetie niet aan de orde. Dan blijft Israël - ook het huidige Israël - buiten beeld, maar daarmee ook wat God in Zijn verbondstrouw aan Zijn volk - en niet alleen aan Israël! - beloofd heeft en doen zal. Juist dan onthouden wij de gemeente stuk voor stuk geestelijk onderwijs, omdat de toekomst van Gods kerk ten nauwste verstrengeld is met de toekomst van Israël. Men kan zich daarom terecht afvragen, of dit vergeestelijken van de belofte niet een devaluatie is van de profetie, die ongetwijfeld verder reikt, dan haar eerste vervulling en een diepere dimensie bevat, dan alleen de aardse werkelijkheid, maar die daarom niet in haar aardse gestalte van de belofte aan Israël van haar letterlijke betekenis beroofd mag worden.
Zo immers komt de volle rijkdom van de bijbelse profetie ten aanzien van Israël tot haar recht. In haar historische, in haar christologisch-pneumatologische én in haar eschatologsiche vervulling. Voor wie eenmaal als schrijver deze ontdekking deed - want dat is het! - gaat steeds meer de schatkamer van Gods beloften in de Schrift open. Hoe meer men als dienaar van het Woord daaruit put, des te voller hij blijkt te zijn. En die schatkamer is nog niet leeg. Voor Israël niet én voor de gemeente niet. Juist ook niet in hun onderlinge samenhang en verbondenheid. Dat aan de gemeente te verkondigen en haar aan het hart te leggen is de hoge taak van de prediking, waarin Israël zijn bijbelse plaats ontvangt. Als teken van genadige verkiezing, van rechtvaardige gestrengheid, maar niet minder van goddelijke trouw en van eeuwige barmhartigheid. Tot vertroosting, tot vermaning, tot verwachting. In de plaats van Israël in de prediking gaat het immers om de prediking van de God van Israël.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's