De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kanttekeningen bij vijftig jaar Staat Israël

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kanttekeningen bij vijftig jaar Staat Israël

Gods teken aan de wand!

11 minuten leestijd

Op 2 april jl. was er op het Wartburg College te Rotterdam een schoolavond naar aanleiding van het vijftigjarige jubileum van de joodse staat. Het was een avond om nooit te vergeten. De organisatie was tot in de puntjes verzorgd. Wanden waren behangen met Israel-posters. In diverse lokalen waren videopresentaties te zien en zelfs was er via Internet een regelrechte verbinding met Jeruzalem, zodat permanent beelden van de klaagmuur konden worden opgevangen. Er waren drie sprekers uitgenodigd. Naast drs. R. Naftaniël van het Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël (CIDI) en rabbijn R. Evers, die vanuit joodse hoek hun visie op de afgelopen halve eeuw gaven, was aan mij gevraagd iets te vertellen over wat de Staat Israël voor mij als christen betekent. Enigszins bewerkt geef ik in deze kolommen mijn verhaal door. Ik wil het ontstaan en voortbestaan duiden als een teken. Het is voor mij Gods teken aan de wand van de geschiedenis. Een viervoudig teken!

Verootmoedigend teken

Dit jubileum heeft voor mij allereerst iets beschamends, iets verootmoedigends. De kronieken van het joodse volk beginnen immers niet met stichting van de Staat in 1948. Ér is een dramatische voorgeschiedenis, waar de kerk zich helaas niet van los kan maken. Toen Ben Goerion op die onvergetelijke 14e mei van het joodse jaar 5708 om vier uur 's middags, vlak voor het aanbreken van de sjabbat de Onafhankelijkheidsverklaring voorlas in een museumzaal in Tel Aviv, was boven zijn gedrongen gestalte het portret van een andere jood te zien. Het was het markante borstbeeld van Theodor Herzl, de man die aan de wieg stond van het Zionisme, de schrijver van het geruchtmakende boek Der Judenstaat. Wie dat boek gelezen heeft beseft uit welk een diepe nood de joodse Staat geboren is. Na de beruchte Dreyffus-affaire - Dreyffus was een joodse kapitein in het Franse leger die valselijk (uit antisemitische motieven) beschuldigd was van hoogverraad - was Herzl er diep van overtuigd geraakt: zonder een eigen land zal er nooit vrede en veiligheid voor het joodse volk zijn.

Een donker spoor van antisemitisme door al de eeuwen onderstreepte dubbeldik die sombere conclusie. Zelfs de hooggestemde idealen van Verlichting en Emancipatie hadden de verstrooide joden niet gebracht wat beloofd en gehoopt was. Het kwaad van de jodenhaat bleek te hardnekkig om overwonnen te kunnen worden. De stichting van de Staat Israël was, met andere woorden, geen luxe, maar bittere noodzaak voor het joodse volk om te kunnen overleven. Dat klemt te meer als we bedenken dat het moment van de proclamatie slechts drie jaar na de grote nacht kwam, heel kort dus na het verschrikkelijke drama dat wij de Holocaust zijn gaan noemen. Als christen kan en wil ik me van deze voorgeschiedenis niet losmaken. Met schaamte moet ik bekennen dat de christelijke kerk geen schone handen heeft ten opzichte van het joodse volk. De diepgewortelde vervangingsleer, de opvatting dat de kerk in de plaats van Israël gekomen zou zijn, de christelijke 'catechese der verguizing', de vele negatieve christelijke uitingen en gedragingen ten opzichte van het joodse volk hebben bijgedragen aan de lange lijdensweg die dit volk de eeuwen door heeft moeten gaan.

Pijnlijk ben ik mij bewust van deze diepdonkere achtergrond van de stichting van de Staat Israël. Is het jubileumjaar 1998 misschien het ogenblik om deze christelijke schuld ten aanzien van Israël te belijden? Het Vaticaan heeft wat dat betreft een historische kans gemist. Men is - in het onlangs gepubliceerde Holocaustdocument Wij herinneren ons een overweging over de Shoah niet verder gekomen dan het erkennen van schuld bij individuele gelovigen. Dat de Rooms-Katholieke Kerk en de theologie der eeuwen evenzeer in het krijt staan, heeft men helaas niet kunnen en willen inzien.

Trouwens, ook binnen de protestantse kerken is het tot zo'n publieke schuldbelijdenis nooit gekomen. In 1950 was er op de Hervormde Synode een voorstel daartoe, maar men vond de tijd er nog niet rijp voor. Met spijt stel ik vast dat in al deze vijftig jaar verootmoediging is uitgebleven. Ik zou de kerken willen oproepen dit alsnog te doen en daar dit bijzondere herdenkingsjaar voor te benutten. We zouden de eeuwwisseling toch niet moeten willen passeren, zonder ons te hebben verootmoedigd tegenover de Almachtige en schuld beleden te hebben tegenover onze oudste broeder.

Verrijkend teken

In de stichting van de staat ligt ook een leermoment voor christenen. Velen zijn sindsdien de Schriften met andere ogen gaan lezen. Eind mei van dat jaar, enkele weken na de proclamatie nog maar dus, verscheen een indrukwekkend artikel in het blad Wending. 'De Staat Israël', zo luidde de titel van dit stuk. F. Kuiper, de schrijver ervan, moest toen tot zijn grote verdriet vaststellen: 'De uitroeping van de nieuwe joodse staat in Palestina komt voor de christelijke wereld niet gelegen. Politiek niet, omdat het aantal problemen in de wereld er door vermeerderd wordt en er toch al spanningen teveel zijn. Geestelijk niet omdat de christelijke kerken niet klaar zijn met het joodse vraagstuk en daarom liever niet tot het nemen van een geloofsbeslissing worden verplicht'.

De christelijke kerken waren er niet klaar voor. Waarom niet? Vanwege de al eerder genoemde vervangingsgedachte. Vanwege het feit ook dat men gewoon was de bijbelse profetieën uitsluitend te vergeestelijken en te betrekken op de kerk. Gelukkig is daar in de jaren na 1948 verandering in gekomen. Velen gingen ontdekken dat het profetische woord allereerst en allermeest het joodse volk aangaat en dat christenen pas in tweede instantie mogen meeluisteren. Het feit dat wij mede-erfgenamen genoemd worden (Ef. 3 : 6) impliceert, dat Israël nog altijd het eerste adres van Gods beloftewoorden is. Als er mede-erfgenamen zijn, moet er immers ook een eerste erfgenaam zijn?

Ongetwijfeld hebben de verrassende historische ontwikkelingen bijgedragen aan dit nieuwe zicht op het joodse volk, dat ook geleid heeft tot een veranderde instelling ten opzichte van Israël. Buitengewoon verrijkend voor de kerk en het geloofsleven. Wie deze ontdekking eenmaal heeft mogen doen, ziet in de opzienbarende gebeurtenissen rond Israël in deze eeuw Gods trouw schitteren, de trouw waarmee Hij zijn eens gegeven beloften waarmaakt. Op tal van plaatsen bij Mozes en de profeten was deze terugkeer naar het land van de vaderen immers al voorzegd. Het was echt geen toeval dat Ben Goerion bij het uitspreken van de plechtige proclamatie naar het profetische woord verwees. Uitdrukkelijk werd uitgesproken dat de Staat Israël gegrondvest zou zijn op de fundamenten van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede, in het licht van het visioen van de profeten.

Treffend ook, zoals Ben Goerion deze overtuiging tot uitdrukking bracht in de werkkamer van zijn kibboetswoning in de Negevwoestijn. Permanent had Ben Goerion een tweetal teksten uit de profeet Jesaja voor ogen, teksten die hem eraan herinnerden hoezeer het wonder van de joodse staat te maken had met datgene wat van oudsher was voorzegd en verwacht (Jes. 35 : 1 en 43 : 19). Wie oog krijgt voor dit 'vervullingsmoment' zal niet langer over toeval kunnen spreken als het gaat om de terugkeer van het joodse volk naar het land der vaderen in onze eeuw, maar zal er de goede hand van de Almachtige in zien.

Verplichtend teken

Verbondenheid met Israël kan en mag niet alleen een zaak van mooie woorden zijn. Israël heeft recht op Onze steun en solidariteit. Eerlijk gezegd maak ik me op dit punt de nodige zorgen. Het lijkt erop dat binnen de Nederlandse kerken dat besef momenteel minder sterk aanwezig is dan in de afgelopen decennia. De Intifadah, de gewelddadige opstand van de Palestijnen en de moeizame voortgang van het vredesproces zullen daar ongetwijfeld debet aan zijn. Betekent solidariteit dan dat je alles wat in Israël gebeurt klakkeloos goedkeurt en ondersteunt? Zulke christenen ken ik wel. Ze zijn het bij voorbaat eens met alles wat er in de Knesset besloten wordt. Als het gaat om nederzettingsbeleid of vredesonderhandelingen hebben ze hun conclusie al heel snel getrokken. Ze menen uit de profetieën een groot-Israël gedachte te kunnen afleiden en baseren daarop hun politieke standpunten, die wonderwel aansluiten bij de meest rechtse opvattingen binnen de joodse staat.

Ik moet bekennen dat ik met dit soort Israëlliefde de nodige moeite heb. Zijn het juist je vrienden niet, die van tijd tot tijd ook weleens kritisch durven zijn? Heeft de geschiedenis niet bewezen dat ongenuanceerd filosemitisme ineens kan omslaan in antisemitisme, wanneer blijkt dat de joden toch niet aan onze hooggespannen verwachtingen voldoen? Bovendien lijkt het me nogal hachelijk om op basis van profetieën politiek te bedrijven. Geloof en politiek hangen ongetwijfeld samen. Maar landsgrenzen verdedigen op basis van bijbelteksten leidt voor je er erg in hebt tot ideologie. Het grote gevaar loert om de hoek dat op zo'n manier centrale noties uit de Thora, als het betrachten van recht en gerechtigheid, in het gedrang komen.

Zo dus niet. Als ik pleit voor solidariteit met het joodse volk en dus ook met de joodse staat, dan denk ik in de eerste plaats aan de voorbede in kerkdiensten en gezinnen. Een grotere dienst kunnen jullie ons niet bewijzen, moet premier Menachem Begin ooit gezegd hebben. Trouwens, zegt Psalm 122 het ook niet nadrukkelijk: Bidt voor de vrede, voor de sjaloom van Israël. Ik denk ook aan concrete steun aan Israël, waar we maar kunnen. Morele steun, economische steun, projectmatige steun. En wat de politiek betreft? Ik denk dat grote bescheidenheid ons past. Wij hebben hier vanuit het West heel gemakkelijk praten. De berichtgeving die tot ons komt is soms buitengewoon eenzijdig. Ik voor mij zie het zo: een christen die leeft met de overtuiging dat de joden de 'beminden om der Vaderen wil' zijn, zal ook in de gecompliceerde en weerbarstige politieke werkelijkheid van dit moment achter Israël willen staan. Dat moet Israël weten en merken. Die steun zal niet minder mogen worden als de oliekraan wordt dichtgedraaid, maar die steun impliceert wat mij betreft ook geen ongenuanceerd applaus. Daar is niemand, ook Israël niet, mee gediend.

Hoopvol teken

In de laatste plaats ervaar ik het bestaan en voortbestaan van Israël als een hoopvol teken. Want met het joodse volk geloof ik dat met de stichting van de staat het eindpunt van Gods bedoelingen nog niet bereikt is. Ik voel me erg aangesproken door de formulering van het dankgebed voor de staat zoals die in de Siddoer, het joodse gebedenboek, is opgenomen. Letterlijk luidt de tekst van dit gebed als volgt: 'On­ze Vader in de hemel, rotsvaste steun en verlosser van Jisraël, zegen de Medienat-Jisraeel; de Staat Israël, het ontluikend begin van onze verlossing; neem haar onder Uw liefderijke beschutting en spreid uw beschermende vrede erover uit'.

Het ontluikend begin van onze verlossing. Dat is heel voorzichtig geformuleerd. Dat houdt alle deuren naar de toekomst open in het besef dat de stichting van de staat nog niet de definitieve en volledige verlossing van Israël inhoudt.

Ik heb me door joodse vrienden laten vertellen dat daarachter de overtuiging schuilgaat, dat de uiteindelijke verlossing niet door mensen bevochten zal worden, maar door de Eeuwige geschonken. Een bevriende rabbijn wees me daarbij op een uitspraak van Maimonides. Deze beroemde, middeleeuwse, joodse geleerde heeft ooit gezegd: 'Koning Messias zal in de toekomst opstaan en hij zal het koningschap van David in haar oude toestand herstellen zoals het was in het begin. En hij zal de tempel herbouwen en de ballingen van Israël inzamelen. En in zijn dagen zullen alle wetten weer van kracht worden, zoals ze in het verleden waren. Men zal offers brengen en zich houden aan de sabbatsjaren en jubeljaren met betrekking tot alle geboden van de thora'.

Woorden die te denken geven. Ik voor mij word sterk herinnerd aan wat Jezus gezegd heeft in Lukas 21. Ook de Heiland spreekt nadrukkelijk over een heilvolle toekomst voor Jeruzalem en voor het joodse volk. Als de tijden der heidenen vervuld zullen zijn, zal er een einde komen aan de vertrapping van Jeruzalem en dus ook aan de vernedering van het joodse volk. En Paulus voegt daar nog een geweldige belofte aan toe. Als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, zal geheel Israël behouden worden, zoals door Israels profeten reeds voorzegd was: De Verlosser zal uit Sion komen en Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden (Rom. 11 : 26).

Zover is het nu nog niet. Maar de realiteit van de joodse staat vormt wel een veelbelovend teken dat heenwij st naar die grote toekomst. Met Israël zien we verlangend naar die machtige toekomst uit en bidden we om de totale en definitieve vervulling van Gods beloften.

Vijfig jaar Israël. Gods teken aan de wand van de geschiedenis. Een heel bijzondere verjaardag. Daar hoort vanzelfsprekend een gelukwens bij. Daarom zeggen we van harte tegen het joodse volk: Mazzel tov. Moge de Eeuwige Israël zegenen en doen delen in zijn sjaloom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Kanttekeningen bij vijftig jaar Staat Israël

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's