Globaal bekeken
Ons werd toegezonden een lezing, die wijlen ds. A. van der Kooy in 1940 hield voor de jongelingsvereniging van Nieuwe Tonge over 'Israels toekomst'. Hierin citeert ds. Van der Kooy enkele malen mr. Isaac da Costa, uit diens gedichten.
• O. hun vleesch is ons vleesch, en hun bloed is ons bloed!
hun vergrijp is een nacht in onze oogen!
Hun verval is een dolk, en doorpriemt ons gemoed
maar herstel is beloofd uit den hoogen!
• Toch zal er van Gods woord geen stip ter aarde vallen,
dat, o vernederd volk, waar eenmaal 't heil uit sproot!
door U herstelling spreekt, ja, 't leven uit den dood!
• Looft Hem, gij Natiën te zamen,
op een van God gelouterde aard!
Looft Hem, gij Volken aller namen,
tot Jesses heilbanier vergaard!
En gij! sinds twintig eeuwen zwervers,
eens weer beloftenisbeërvers!
naar Davids troon!, naar Davids Heer!
Van uit dat hart, door ons verbroken,
van uit die zij', door ons doorstoken,
stroomt Zijn vergeving op ons neer!
Ja, dan zal het ten volle zijn (Ps. 98:2):
Hij heeft gedacht aan Zijn genade.
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al 's aardrijks einden gade.
Nu onze God Zijn heil ons schenkt.
Juich dan den HEER met blijde galmen.
Gij ganse wereld, juich van vreugd!
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil, dat d'aard in 't rond verheugt!
In het boekje van wijlen ds. J. J. Poort 'Gedachten over gedichten' staat een gedicht van Yge Foppema 'De ballade van de ter dood veroordeelde', 'haastig met potlood gekrabbeld aan de binnenkant van een celdeur in het Binnenhof te 's-Gravenhage':
Een zware hand legde zich op zijn schouder
en onderbrak zijn dagelijkse gang.
Heel even ging zijn adem wat benauwder,
toen ging hij rustig mee. Hij was niet bang.
Dat dit eens komen moest wist hij allang.
Wie, die de strijd aanbindt, schuwt de gevaren?
Menig soldaat sterft in zijn beste jaren,
maar toen zijn land riep, volgde hij die drang.
Op 't Binnenhof heeft hij heel zacht gezegd:
'Heer, help de mijnen! Ik kom wel terecht!'
Er zat een jonge man in Scheveningen,
die had gesaboteerd en opgeruid,
wapens gesmokkeld en nog andere dingen,
tot hij verraden werd. Toen was het uit.
Een een paar cellen verder zat zijn bruid.
Zij waren altijd in elkaars gedachten.
Een vonnis, en zes kogels tot besluit
ledere avond hebben zij gezegd:
'Heer, help de ander! Ik kom wel terecht!'
En in de cel daarnaast een jonge jongen,
die eens de vreugde van zijn ouders was.
Toen hij thuis was, had hij altijd gezongen.
Zijn ogen waren klaar als zuiver glas.
Hij nam zijn leven toen het nog maar pas begon
en wierp het in de schaal der vrijheid.
Hij offerde het met dezelfde blijheid
waarmee hij door zijn jeugd gedarteld was.
Steeds heeft hij dit gebed voor God gelegd:
'Heer, help mijn ouders! Ik kom wel terecht!'
Allen, allen: de man met grijze haren,
die elke avond psalmzingt in zijn cel,
de jeugdigen, en die op rijper jaren
gehoorzaamden het innerlijk bevel -
zij stonden op hun post en wisten wel:
wij zijn gering in aantal, weinig krachtig,
en als hij toeslaat, trekt zijn wraak ons fel!
en het vergaat ons en de onzen slecht...
God, sta hen bij! Wij komen wel terecht!
Prinsesse van Oranje, hoog verheven,
die het symbool van ons verlangen zijt,
wij weten wel: dit kost ons straks het leven,
wij zien het licht nog slechts een korte tijd.
Maar als wij aanstonds vallen in de strijd e
n eenzaam sterven op de hei in Haren,
dan willen wij een laatste zucht bewaren
voor dit gebed op weg naar de eeuwigheid:
Heer, Uw soldaat, die sneuvelt in 't gevecht,
smeekt U: help Holland! Ik kom wel terecht.
We ontvingen van ds. B. H. Weegink te Katwijk aan Zee de doctoraalscriptie, die hij de afgelopen tijd schreef voor de Utrechtse theologische faculteit. De titel is 'Dagmens en nachtmens tegelijk' - een onderzoek naar de betekenis van leven en werk van Aart Jan Theodorus Jonker, een ethisch godgeleerde, in het licht van de praktische theologie. Jonker (1851-1928) diende de hervormde gemeenten van Warnsveld, Heerde, Rotterdam, Ellecom, Dordrecht en Heemstede en werd in 1905 kerkelijk hoogleraar in Groningen. De scriptie van ds. Weegink zal t.z.t. in gepopulariseerde versie in boekvorm verschijnen. Uit deze mooie (!) scriptie de volgende passages:
Preken
'Hij droeg zijn preken op briljante wijze voor. "Improviseren bij de Evangelieprediking in de gemeente is alleen als uitzondering op den regel te dulden", luidde stelling XXV. Jonker heeft zich in Rotterdam slechts een enkele maal "schuldig gemaakt". Op latere leeftijd improviseerde hij vaker, zo blijkt uit zijn correspondentie. "Improvisatie" omvat soms gebruikmaking van een eerder gehouden preek.
De ingespannen wijze waarop Jonker sprak, maakte dat hij onder de dienst geen of weinig storing kon verdragen. Hoesters moesten thuisblijven; klokkijkers die ostentatief hun uurwerk pakten, kregen van hem te horen hoe laat het was. Altoos beducht bleef hij voor afleiding, ook door de manier van collecteren. "In onze zoo eenvoudige, ganschelijk niet tot de zinnen sprekende godsdienstoefeningen, behoort althans stilte en rust te zijn, en alles te worden vermeden wat afleidt".'
Zondagsrust
'Al in de geschriften over de sociale problematiek en in lezingen had Jonker gewaarschuwd tegen een 24-uurseconomie van zeven dagen in de week. Aan het eind van de twintigste eeuw is deze zaak opnieuw een "hot item".
"De gemeente" heeft op te komen voor het goed recht van de zondagsrust. Ze pleit niet alleen voor haar leden, maar voor een gezonde samenleving. De collectieve rustdag mag niet afhangen van de welwillendheid van de werkgever. De Staat heeft belang bij zondagsrust.
Op de zondag is er de mogelijkheid dat verschillende mensen elkaar werkelijk ontmoeten. De "dienst der verzoening" geldt als belangrijk moment van samenkomst. De zondag dient het hoge belang van "mens zijn". Men dient dan ook anderen niet of zo min mogelijk voor zich te laten werken.
Wat betreft de invulling van de dag "moet ieders persoonlijke geloofsovertuiging uitmaken wat hem persoonlijk al of niet geoorloofd is". "Een leven zonder zondag, wordt een leven zonder zonneschijn. Een mensch die, zonder geregeld wederkeerenden rustdag, schier onafgebroken voortzwoegt, en zoo heel dien schat van poëzie en bezieling mist, waarmede de eersteling der dagen het hart komt verkwikken, wordt vernederd tot een slaaf."'
• Afscheid van Rotterdam
'Danken moet en mag ook voor het opgelegde kruis. "Ik voel mij als een afgrond, donker en diep. 't Is niet zóó, dat de slag gevallen is, en daarmee gedaan. De slag valt telkens ween En ik heb ontdekt, dat verpletterd worden erger is dan verpletterd zijn. (...) Zal Ik mijn beker niet vullen met vervloekingen, en Hem dien in 't aangezicht slingeren en krijschend lachen, zooals een daemon moet kunnen krijschen: '"is me dat een God? "'... Neen, ik zal het niet doen. Ik wil midden in mijn stervensnood rustig zeggen: '"ja, dat is mijn God, mijn trouwe God, mijn Vader, mijn beste, beste Vader? '" Hij doet elken dag een wonder aan mij. Ik kan 't niet uithouden, zie, ik leef! (...) Hij is mij een God van verschrikkingen, en nochtans een God van zaligheden. (..) Dat "'nochtans"' is niet van mij. 't Is veel te groot en veel te sterk, om van mij te kunnen zijn. Dat "'nochtans"' is van Hem. En in dat "'nochtans"', daarin schuilt het wonder."'
'Verbaast een dominee zich in het begin van zijn preekperiode erover dat niet alle mensen storm lopen, later verwondert hij zich daarover "dat er ten minste nog enkelen zijn, die naar zijn prediking willen luisteren. Ik ben nu zoo zoetjes aan in die latere periode gekomen".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's