Gerechtvaardigd door het geloof (1)
Mij is door de eindredacteur gevraagd om nog wat voort te borduren op wat ik in een eerdere serie artikelen heb geschreven, met name aan de hand van de zondagen 7 en 23 van de Heidelberger Catechismus.
Het zal nog wel bekend zijn dat ik een serie heb geschreven onder de titel 'Gods werk of ons werk? ' Van allerlei zijden heb ik toen laten zien dat het geloof niet door ons wordt gewerkt, maar door de Heere alleen. Zalig worden is een eenzijdig werk van God! Vanzelfsprekend sluit dit onze verantwoordelijkheid niet uit.
Van een vooruitgezien geloof is echter geen sprake. Ook wordt er in ons geen goed gevonden waardoor wij voor God kunnen bestaan. Er bestaat in ons geen enkel vermogen om de zaligheid te bewerken. Zelfs de zogenaamde scintillae (vonkjes) zoals Calvijn deze noemt, zijn daartoe niet in staat.
De Heere trekt ons vanuit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Hij maakt ons van dood levend. Het lijden en sterven van Christus wordt ons verklaard en toegepast door de Heilige Geest, zodat wij verzoend met God ook als verzoende mensen met onze naasten leren leven.
Met God verzoend mogen wij er niet alleen verzoend uitzien, maar mogen wij ook als verzoende mensen spreken en handelen.
Om kort te gaan: Het geloof is een gave van God! Om die reden zullen wij altijd zeggen: Soli Deo Gloria (Gode alleen de eer).
Na deze korte samenvatting van wat ik eerder heb geschreven zal het in deze artikelen gaan om de rechtvaardiging door het geloof.
De vraag is, hoe wij worden gerechtvaardigd? Gebeurt dat als zondaar óf als gelovige?
De remonstranten zochten in het geloof de grond van de rechtvaardiging. De gereformeerden hebben zich altijd fel verzet tegen deze opvatting. Voor de Staten van Holland heeft Gomarus het volgende hierover gezegd: 'Hetgeen onvolmaakt is en met zonden besmet, is onze rechtvaardigheid niet, waardoor wij voor God gerechtvaardigd worden. Nu is het zeker dat het geloof der gerechtvaardigden in dit leven onvolmaakt is en met zonden besmet; waaruit volgt dat het geloof onze rechtvaardigheid niet is, waarmee wij gerechtvaardigd worden'.
Een interessante vraag is als wij dit lezen, hoe het geloof zich dan verhoudt tot de rechtvaardiging en omgekeerd. Terecht is namelijk door Gomarus opgemerkt dat men het geloof niet kan vereenzelvigen met de rechtvaardiging.
Welk geloof?
Het gaat er wel om dat wij goed weten over welk geloof wij spreken. In de Schrift wordt over vier verschillende soorten geloof gesproken. Van alle vier wil ik iets schrijven.
Als eerste wordt wel genoemd het historisch geloof. Daaronder wordt verstaan dat de Bijbel van kaft tot kaft wordt geloofd. Alles wat in de Bijbel staat wordt voor waar gehouden. Het zal juist zijn als iemand mij voorhoudt dat dit geloof niet het geloof is waarvan in Efeze 2 staat geschreven dat het een gave Gods is. Toch moeten wij ook weer niet doen alsof het niets is. Het historisch geloof kan een algemeen beslag onder de mensen te zien geven. Soms laat men daardoor bepaalde zonden na uit vrees voor God. En onder vrees versta ik angst voor God. Bepaalde dingen worden gedaan óf nagelaten omdat men bang is dat God anders zal straffen. De vreze Gods wordt gemist waarvan het belangrijkste element de liefde is.
Er zit in het historisch geloof wel dit waardevolle element dat het alles gelooft wat in de Bijbel staat. Van kritiek op de Schrift wil men niet weten. Men komt zelfs in geweer als een ander durft te zeggen dat er in de Schrift iets tijdgebondens schuilt. De gehele Schrift is Gods Woord! Men mag niet zeggen dat Gods Woord in de Schrift staat. Want dat zou kunnen inhouden dat het één wel waar is en het ander niet.
Ik moet zeggen: Er zit iets moois in het historisch geloof. Wij moeten daarom niet doen alsof het geen waarde heeft. De Heere kan dit gebruiken om ons het geloof te geven waarom het ten diepste in ons leven gaat. Om kort te gaan: Hij kan het historisch geloof gebruiken.
Maar nogmaals: dit geloof alleen zal ons niet behouden, hoe mooi het ook is.
Een uitstapje
Het is naar mijn bescheiden mening ook tekort, wanneer men openbare geloofsbelijdenis aflegt met alleen maar een historisch geloof.
Men zal zich afvragen, hoe ik daarop kom. Ik zal het u uit de doeken doen. Het is mij meer dan eens overkomen in de afgelopen jaren dat er belijdeniscatechisanten waren die in een persoonlijk gesprek vertelden dat zij belijdenis van de waarheid aflegden. Zij bedoelden daarmee te zeggen dat zij belijdenis deden van een historisch geloof. Zij namen alles voor waar aan wat in de Schrift stond. Zij deden dat echter meer met hun hoofd, verstand dan met hun hart.
Nu is het mij bekend dat er kerken zijn die stellen dat de nieuwe lidmaten belijdenis van de waarheid doen. Waarschijnlijk wordt ervan uitgegaan dat niet allen die openbare belijdenis van het geloof afleggen dit met hun hart doen. Wat dit laatste betreft zou ik zeer voorzichtig zijn met dit te zeggen. Wie ons oordeelt is de Heere! Niet een dominee of kerkenraad zijn hartenkenners, doch de Heere is de hartenkenner bij uitstek. Met andere woorden: Het oordeel komt ons niet toe.
Wie als ambtsdrager eerlijk is voor de Heere en voor de naaste, zal bovendien moeten bekennen dat men zich wel eens deerlijk vergist heeft. Het gebeurt wel dat men grote verwachtingen van de één óf ander heeft. Echter... wat wordt men te leurgesteld als men ziet dat het leven haaks staat op een leven met en vanuit het Woord. Maar ook het omgekeerde komt wel voor. Soms denkt men van de één óf ander dat hij of zij voor galg en rad opgroeit, terwijl later blijkt dat er in hem of haar een goed werk van de Heere wordt gevonden.
Wij moeten maar voorzichtig zijn met ons oordeel. Wat wij ook moeten doen is het volgende. Wij moeten onze belijdeniscatechisanten niet voorhouden dat zij belijdenis doen van de waarheid, doch zij doen belijdenis van het geloof in de Heere Jezus Christus. Nu zal het juist zijn als iemand mij voorhoudt dat eenieder niet altijd zeker weet dat men dat geloof bezit. De zekerheid kan ontbreken. Wie dit zo zegt, heeft geen ongelijk. Maar let wel: Trap en maat van het geloof wordt door mij niet aangegeven. Het is mij bekend dat er jongeren en ouderen zijn die met heel hun hart, uit volle overtuiging, mogen zeggen: 'U kiest mijn hart voor eeuwig tot zijn Koning'. Er zijn er daarentegen ook die dit met schroom doen. Sommigen geven met de zekerheid van het geloof hun jawoord, anderen daarentegen met niet zoveel zekerheid óf helderheid.
Maar hoe men ook belijdenis van het geloof aflegt, men doet het van het bijbelse geloof. Dat wil zeggen: het geloof waarin Jezus Christus alles is.
En als men dit nog niet met zoveel zekerheid weet, zal toch tenminste het verlangen en de begeerte er behoren te zijn om Jezus Christus als de enige troost in het leven en in het sterven te leren kennen. Wij moeten de belijdenis van het geloof niet overwaarderen, maar zeker óók niet onderwaarderen.
Belijdenis van de waarheid is naar mijn mening tekort. Niet alleen tekort voor de eeuwigheid, maar ook voor het heden.
Wij moeten daarom niet stellen dat er belijdenis van de waarheid wordt gedaan. Daarin schuilt namelijk het gevaar dat men gaat denken dat dit voldoende is om rechtvaardig voor God te verschijnen. Echter... niets o Jezus dan Uw bloed wast en reinigt mijn gemoed. Dat geloof rechtvaardigt ons.
Als men mij vraagt waarvan er openbare belijdenis des geloofs wordt afgelegd, geef ik als antwoord: 'Men legt belijdenis af van het geloof van zondag 1. Men doet dit bewust of onbewust, maar men doet dit wel.
In zondag 1 is de belijdenis van de waarheid vervat. Men kan echter niet zeggen dat in de belijdenis van de waarheid zondag 1 met het hart is vervat. Misschien moet ik het helderder onder woorden brengen door te stellen: met het verstand kan alles beaamd worden, maar ten diepste gaat het om de twee zaken zoals zij ons in zondag 7 worden voorgehouden, nl. de vaste kennis en het vaste vertrouwen.
Voorzover ik heb kunnen nagaan is er door onze kerk nooit gesteld dat men belijdenis van de waarheid doet maar wel dat er openbare belijdenis van het geloof wordt afgelegd. Dat wil zeggen: het geloof in de Drie-enige God.
Het lijkt mij goed als wij ons eraan houden. Zowel Calvijn als Luther zijn ons erin voorgegaan. En ook de Nadere Reformatie in zijn bloeitijd iieeft het niet anders gezien en de nieuwe leden voorgehouden.
Het tijd- en wondergeloof
Na dit uitstapje keren wij terug naar het tweede soort geloof nl. het tijdgeloof. Wat is dat voor een soort geloof? De naam zegt het eigenlijk al. In zijn catechisatieboekje brengt J. van Sliedregt het als volgt onder woorden: 'De Waarheid wordt met enthousiasme aangenomen, maar het heeft geen diepte. Het is maar voor een tijd' (Schrift en Belijdenis).
Ik geef een tweetal voorbeelden. Allereerst kan men denken aan Marcus 4, de gelijkenis van de zaaier. Er wordt goed zaad gezaaid. Het komt zelfs even op, maar tengevolge van allerlei omstandigheden verdwijnt het na een korte tijd. Als tweede voorbeeld noem ik Demas. Een bepaalde tijd is hij met Paulus op stap geweest. Ook hij heeft het Evangelie verkondigd. De apostel heeft veel gemak van hem gehad. Toch leest men na verloop van tijd dat hij de tegenwoordige wereld weer liefkrijgt. Daarmee wil niet gezegd zijn, dat hij een 'werelds' mens werd. Het is niet te denken dat hij zich aan allerlei uitspattingen te buiten gaf. Maar hij ging wel denken zoals de wereld deed. Hij leefde wellicht keurig netjes, maar dit leven was voor hem weer het een en al geworden. Dit kan zelfs het geval zijn onder een schijn van orthodoxie. (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's