Openbaring en geschiedenis
Actualiteit
Het thema 'Openbaring en geschiedenis' blijft ons bezighouden. Hier ergens loopt in de praktijk van het kerkelijk werk en het wetenschappelijk onderzoek de grens tussen orthodox en vrijzinnig. In dit grensgebied kunnen we ook niet volstaan met uitspraken als de Bijbel is het onfeilbaar Woord van God. Want iedere orthodoxe theoloog weet dat die onfeilbaarheid niet betrekking kan hebben op de verschillen in de handschriften waarop de Overgeleverde Tekst (de Textus receptus) berust. Om verder maar te zwijgen over nieuwere tekstuitgaven die teruggaan op oudere handschriften. Maar ook vrijzinnige theologen zouden zelfs die term onfeilbaarheid nog kunnen gebruiken om aan te geven wat het mysterie is dat 'het Woord geschiedt'. Zij zien dat als een 'echt gebeuren' maar of dat teruggaat op wat 'echt gebeurd is', dat is de vraag. Die vraag kan zelfs onbeantwoord blijven want voor ons mensen vandaag is openbaring een gebeuren hier en nu.
Daarom is het voor de helderheid van de discussie belangrijk om precies vast te stellen waar de grenslijn loopt. Daaraan is een speciale aflevering gewijd van het tijdschrift Kerk en theologie. Daarin staan tegenover elkaar de opvattingen van professor N. T. Bakker en professor A. S. van der Woude. Het nummer wordt ingeleid door professor H. W. de Knijff. Vragenderwijs zoekt hij naar een tussenpositie.
Professor Bakker
Aanleiding voor deze discussie is het boeiend geschreven boek Geschiedenis in opspraak van professor Bakker (1996). Hij gaat verder in het voetspoor van Frans Breukelman en kan dus gerekend worden tot de Amsterdamse school. Voor ons is het aantrekkelijke dat men uitgaat van de bijbeltekst zoals deze ons in handen is gegeven. Om precies te zijn van de tekst van de Hebreeuwse Bijbel, Tenach, de moderne Hebreeuwse afkorting voor de Wet, de Profeten en de Geschriften. De tekst wordt niet uit elkaar gerafeld in allerlei bronnen waar je voor de prediking toch niets mee kunt. De tekst spreekt voor zich. Het klinkt reformatorisch. Het doet ons denken aan het Lutherlied: 'Het Woord dat zult gij laten staan en niets erbij verzinnen'. Maar toch is het jammer genoeg niet zo bedoeld. Het Daar staat geschreven wordt losgemaakt van het Daar is geschied. Professor Bakker formuleert het zo: 'Theologen moeten er tegen kunnen, dat de historiciteit van de daden des Heren praktisch nul is'. De enige band tussen het heden en verleden is de heilige NAAM. Die Naam - in het Hebreeuws gespeld met de vier letters YHWH - is het Gebeuren dat de Schriften God noemen. Aan het uitroepen van die Naam hangt het bestaan van Israël en het heil van de volkeren der aarde.
Professor Van der Woude
Hiertegenover staat de opvatting van professor Van der Woude, emeritus hoogleraar voor het Oude Testament in Groningen. Hij houdt vast aan de historiciteit van de daden des HEEREN. Ik citeer: 'Het bijzondere van Oude en Nieuwe Testament is dat zij niet maar een verhaal naast andere religieuze verhalen bieden buiten onze geschiedenis en natuur om, maar de betuiging dat God daadwerkelijk in onze geschiedenis heeft ingegrepen door de verkiezing van Israël als Zijn eigendomsvolk en de zending van Zijn Zoon, de in onze werkelijkheid gekruisigde en opgestane Heer'. De oerbelijdenis van Israël is dat de HEERE Zijn volk uit Egypte heeft uitgeleid. 'Historischer kan het niet.' Nog een citaat: 'Israël is een historisch traceerbare natie, niet enkel een notie, en Jezus een dateerbare gestalte in onze profane geschiedenis'. Daarmee ben ik het van harte eens. Maar wat is de draagwijdte van zijn opmerking dat deze stand van zaken nu ook een historische benadering van de bijbelse teksten rechtvaardigt? Daarover straks meer.
Professor De Knijff
Volgens professor De Knijff hebben de hierboven ingenomen posities toch wel raakvlakken. Want zijn Amsterdamse collega maakt de openbaring wel los van de geschiedenis maar wil hij de band met het verleden van Israël beslist niet doorsnijden, terwijl voor zijn Groningse collega de openbaring aan Israels geschiedenis juist haar meerwaarde geeft. De discussie moet dus worden voortgezet, niet door de algemene vooronderstellingen verder uit te diepen, maar in detail te treden. Wat betekenen beide stellingnames op concrete punten van bijbeluitleg?
Is openbaring wetenschappelijk vast te stellen?
God openbaart zich in de werkelijkheid van het wereldgebeuren. De Schriften getuigen van Gods woorden en daden. Het Woord is vléés geworden. Historische gegevens kunnen met alle middelen waarover de moderne geschiedeniswetenschap beschikt, worden onderzocht en op hun feitelijkheid getoetst. Maar kan met behulp van diezelfde middelen hun openbaringskarakter worden vastgesteld? Als ik professor Van der Woude goed begrijp ziet hij ook zelf dit probleem. Hij spreekt namelijk over een 'bezonnen historische bijbelkritiek'. Voor hem heeft de historische bijbelkritiek haar grenzen. Dat maak ik op uit het woord 'bezonnen'. Maar hier ligt nu juist het probleem. Ondanks het historisch karakter van Gods openbaring kan volgens de criteria van de moderne wetenschap niet het bewijs worden geleverd dat we hier inderdaad te maken hebben met openbaring van God. Dat kan ook niet. Redenerend vanuit een geseculariseerd wetenschapsbegrip is dat uitgesloten. Maar ook vanuit het christelijk geloof gezien is dat onmogelijk. Want de natuurlijke mens verstaat niet de dingen die van de Geest van God zijn.
Om een voorbeeld te noemen. Sinds de publicaties van joodse geleerden als David Flusser en Geza Vermes zal nu echt geen enkele wetenschapper meer de historiciteit van Jezus van Nazareth ontkennen. Maar is daarmee ook vastgesteld dat Hij de eeuwige Zoon van de Vader is? Nog een ander voorbeeld. Voor de kruisiging van Jezus is voldoende bewijsmateriaal. Maar is nu ook algemeen geaccepteerd dat Hij op de derde dag lichamelijk uit de dood is opgestaan?
De historische benadering van de bijbeltekst geeft geen toegang tot het mysterie van het Woord van God als 'geschiede openbaring' (de titel van het artikel van professor Van der Woude).
De canonieke benadering
Hoe nu verder? Ik zou willen pleiten voor een canonieke benadering van de bijbeltekst. Uitgangspunt voor het wetenschappelijk onderzoek is dan de aanvaarding van de Bijbel als het Woord van God. Niet omdat daarvoor een sluitend bewijs te leveren is, want dat is er niet, maar vanwege het feit dat de Bijbel ons in handen gegeven is als 'de ganse Heilige Schrift'. Op die wijze spreekt het Woord van God voor zichzelf. De canon is verankerd in de geschiedenis van de Godsopenbaring. Christus' belofte aan Zijn discipelen is in vervulling gegaan: de Heilige Geest zal u leiden in al de waarheid en u de toekomende dingen verkondigen. Dat is ook het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt met deze uitspraak de erkenning van de canon niet afhankelijk van onze subjectieve eraringen. Dat is bouwen op drijfzand. Integendeel, zij sluit zich daarmee aan bij de belijdenis van de kerk van alle eeuwen: de Heilige Geest heeft gesproken door de profeten. Dat zijn om te beginnen Mozes en Elia. Dan is er verder het profetisch getuigenis dat zeer vast is, schrijft Petrus. De getuigenis van Jezus is de Geest der profetie, lezen we in het laatste bijbelboek (Openbaring 19 : 10). Ook die belijdenis is voor de volle honderd procent een objectief gegeven. Waar het voor ieder van ons op aankomt is dat wij in dit geloof voor de volle honderd procent subjectief gaan delen.
De beoefening van de bijbelwetenschap vanuit de gereformeerde traditie
Daartoe wekken wij elkaar nu op!
Maar is dat verantwoord? Op tal van punten zeggen wij nee tegen de Schriftkritische bijbelwetenschap. Soms worden historische gegevens vervangen door hypothetische reconstructies. Eén zo'n hypothese is dat er nooit sprake is geweest van een uittocht uit Egypte en een intocht in Kanaan maar dat geleidelijk aan groepen of groepjes Hebreeën het land Israël zijn binnengetrokken en zich daar op de duur gevestigd hebben. Maar daarmee is niet de Oudtestamentische wetenschap als geheel getypeerd. Als we dat zeggen doen we tal van oudtestamentici groot onrecht aan. Ook onder hen zijn er die het wonder van Gods daden erkennen. Zie het protest van professor Van der Woude tegen de stelling dat theologen er maar aan moeten wennen dat de historiciteit van Gods daden praktisch nul is.
Maar we kunnen niet verdoezelen dat we bij het wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel op problemen stuiten waarvoor nog steeds geen oplossing is gevonden. Ze raken nooit de geschiedenis van de Godsopenbaring als het geheel van Gods woorden en daden vanaf de schepping tot de voleinding der wereld. Evenmin werken ze als stoorzenders die het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten onverstaanbaar maken. Maar ze zijn er wel. Het lijkt mij een goede zaak om een zekere openheid te betrachten naar die wetenschappers die zonder het christelijk geloof aan de kant te zetten, naar oplossingen hebben gezocht en daar nog steeds mee doorgaan. Deze trend tekent zich op het ogenblik wereldwijd af bij de 'evangelicals' (waarbij wij in het buitenland ook vaak worden ingedeeld). Het vorig jaar verschenen vijfdelige standaardwerk van W. A. VanGemeren is daarvan het bewijs. Dat lijkt mij een goede ontwikkeling. We kunnen ook niet anders. Want een nieuwe generatie theologen vraagt om concrete antwoorden op concrete vragen. Dat is mij wel duidelijk geworden op de voorjaarsconferentie van onze studentenvereniging 'Voetius' in Lunteren die aan dit thema was gewijd. Om met professor De Knijff te spreken: we moeten nu in detail treden.
Maar daar kan het niet bij blijven. We kunnen zo opgaan in details dat we de kernvraag niet meer horen. Die stelt de Heere Jezus Zelf: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben. Als de Christus Die wij prediken (de kerugmatische Christus) niet Dezelfde is als déze Jezus (de historische Jezus) hebben wij de band tussen openbaring en geschiedenis doorgesneden. Daar wordt duidelijk de grens zichtbaar tussen orthodoxie en vrijzinnigheid.
.....
Dit artikel knoopt aan bij een drietal bijdragen uit het tijdschrift Kerk en theologie van oktober 1997 (jrg. 48, no. 4), een uitgave van Boekencentrum in Zoetermeer. Centraal daarin staat het boek van Nico T. Bakker, Geschiedenis in opspraak. Een Theologische verhandeling, uitgeverij Kok, Kampen 1996. De titel van het genoemde vijfdelige standaardwerk dat is verschenen onder redactie van W. A. VanGemeren luidt New Testament Dictionary of Old Testament and Theology. In dit verband wil ik ook nog graag het tijdschrift Bijbel, Geschiedenis en Archeologie noemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's