Uit de pers
Verzoening! Hoe zo?
Hoe komt het dat er over een zo centraal bijbels gegeven als 'verzoening' een bijna onverzoenlijke tegenstelling bestaat? Wat zijn de achtergronden dat juist bij mensen van deze tijd aarzelingen opkomen als ze het klassieke belijden over de verzoening horen uitleggen? Ik bedoel dan orthodoxe mensen uiteraard, omdat anderen al veel langer hun bedenkingen en méér dan dat hebben geuit. Waarom krijgt prof. Den Heyer méér support dan openlijk wordt geuit en in enkele ingezonden stukken in de pers aan het licht komt? De redactie van het Centraal Weekblad is een serie artikelen begonnen waarin verschillende scribenten gevraagd wordt de achterkant van de verzoening te belichten. Met de 'achterkant' wordt bedoeld dat er meer aan de hand is dan alleen maar verschil van inzicht over wat 'verzoening' is. Er spelen in de huidige verschillen van inzicht veel vragen op de achtergrond: omgang met de Bijbel, de methode van exegese, de (on)mogelijkheid van leerstelligheid en de wettigheid van de huidige ervaringswerkelijkheid. Omdat, aldus de redactie in een toelichting bij de introductie van de reeks artikelen, er verschillende en ten dele onuitgesproken vooronderstellingen leven, kunnen de discussianten elkaar soms nauwelijks bereiken. In het Centraal Weekblad van 1 mei 1998 verzorgde prof. dr. H. W. de Knijff een bijdrage onder de titel Moderne obstakels bij de verzoeningsleer. Hij stelt o.a. de vraag: Is het voor ons vandaag moeilijker geworden dan vroeger om in de verzoening te geloven? Het lijkt dat het protest eigenlijk niets nieuws is. Toch spelen een aantal specifiek moderne ideeën een rol. Prof. De Knijff zet er dan een zestal op een rij.
Als eerste factor beschrijft hij de nadruk op deze wereld hier en nu. Je zou onze Europese geloofsgeschiedenis van de Middeleeuwen tot op heden wel kunnen schilderen als een omkering van accent. Dit aardse leven is zozeer het allesbeheersende aandachtsveld geworden dat wij ons een ingreep van 'elders' nauwelijks meer kunnen voorstellen. Hemel en hel zijn dan ook zo goed als verdwenen uit de geloofsbeleving, aldus prof. De Knijff.
Een tweede factor is een toenemend gebrek aan innerlijkheid. Ons hedendaags geloofsleven heeft een sterk uiterlijk karakter gekregen. Er is wel een sterke roep om spiritualiteit, maar die kan er kennelijk alleen maar zijn als ze eerst wordt georganiseerd. In de prediking hebben we nauwelijks nog taal voor wat zich in de hoogten en diepten van onze ziel afspeelt.
'Dit brengt ons op een zaak die hiermee nauw samenhangt: de verschuiving in het zondebesef (3e factor). Wij zijn tolerant geworden, vooral voor onszelf. Ook hier hebben wij getracht, de duistere kanten van ons wezen op het toneel van de algemeenheid te trekken: voor iedere wandaad is wel een verklaring: het is onze opvoeding, wij hebben pech gehad, wij zijn psychologisch of maatschappelijk geconditioneerd, enz. Er zal wel veel van waar zijn, maar hoe dit ook zij, voor ons gevoel zijn wij tragisch, maar niet schuldig.
Niet, dat wij niet zouden erkennen, dat er veel kwaad in de wereld is. Maar wij zien dat meer als iets structureels dan als iets individueels. Het kwaad van machtsmisbruik, van eenzijdige verrijking en economische onderdrukking, van oorlog en geweld zijn dusdanig verankerd in de structuren van deze wereld, dat wij best willen erkennen, dat de mens een zondig wezen is, maar daarop toch niet anders reageren dan met gevoelens van onmacht.
Straf
Uiteraard gaan deze veranderingen gelijk op met de opvatting van straf {4e factor). Het besef, dat boze daden straf verdienen, is grotendeels verdwenen, of in ieder geval veel minder sterk dan vroeger. Het valt uiteraard niet te ontkennen, dat de strafpraktijken van vroeger tijden barbaars en onmenselijk waren.
Toch kan men zich afvragen, of wij niet naar de andere kant zijn doorgeslagen. Het is niet eenvoudig, hier in zo'n kort bestek de juiste toon te treffen. Zoveel kan men wel zeggen, dat wij in een situatie terecht gekomen zijn, waarin straf als zodanig niet meer als zinvol kan worden ervaren. In de oudere maatschappij was het denkbaar en reëel mogelijk, dat men door straf schuld uitboette. De straf kon daardoor een reële humane betekenis hebben. Wij zijn in een situatie terechtgekomen, dat men voor de straf geen andere motivatie kan noemen dan wraak of pedagogiek. Dan blijft alleen het tweede als verdedigbaar over, maar dan is tevens de idee van straffen verdwenen.
Theologie
Er zijn nog twee redenen als obstakel voor de verzoeningsleer te noemen, die direct de theologie betreffen. De eerste is de toegenomen ajkeer van leerstelligheid (5e factor). In het bijzonder de verzoeningsleer heeft een sterk leerstellig en intellectualistisch aandoend karakter. Wij hebben het gevoel, dat wij met theologische begrippen als genoegdoening, stilling van de toorn Gods, voldoen aan Gods gerechtigheid en dergelijke, een rationele verklaring van het heilswerk geven, waardoor de gedachte van God als levende persoon schade lijdt. Zulk een theorie lijkt ons een menselijke constructie, die aan het geheimenis van God tekort doet. Uitlegkundige en bijbels-theologische ontdekkingen (bijv. ten aanzien van de veronderstelde voorrang van de prediking van het Koninkrijk Gods boven die van de verzoening) werken hier verder op in.
De tweede meer theologische oorzaak van veranderd besef is hiermee verwant en heeft eveneens te maken met een veranderde kijk op wie Christus eigenlijk is. Zij is een gevolg van het feit, dat in de moderne opvattingen de nadruk meer en meer is komen te vallen op het menszijn van Jezus Christus (6e factor). Men zou zeggen: dat is toch klassiek, Jezus is God en mens. Maar de mens-wording wordt niet zozeer opgevat als vlees-wording, d.w.z. als deelhebben aan onze verloren en ellendige staat, maar als een (eventueel zeer bijzonder) mens-zijn, dat in de lijn ligt van ons bekende aspiraties. Jezus is zogezien wel een specifiek godsdienstig fenomeen, maar niet absoluut exclusief.
Maar dan is het niet vreemd, dat de verzoeningsleer onvoorstelbaar wordt. Want wat gebeurt er, als men op deze lijdende mens dan toch de gedachten van de verzoeningsleer toepast? Dan wordt God de autoritaire opeiser van zijn gerechtigheid, die een onschuldig slachtoffer verlangt om aan zijn gerechtigheid, om niet te zeggen, wraak, te voldoen.
Het is begrijpelijk genoeg, dat er verzet rijst tegen zulk een onmenselijke God. Maar hier is het wezenlijke besef verdwenen, dat God zelf in Christus handelt, dat Hij in zijn Zoon niet alleen het offer, maar zelf degene is, die in zijn liefde het offer brengt. Zo geldt dus: wie eerst God weglaat uit de kruisdood, kan Hem er vervolgens niet meer in terugvinden. (Maar zo zit de kerkelijke leer dus niet in elkaar-.)'
In het slot van zijn artikel gaat prof. De Knijff dan in op deze zes factoren. Ik citeer hier de slotregels: 'Als wij niet vasthouden aan het feit, dat in Christus in de eerste plaats God handelt, dan vervalt de grondslag van het christelijk geloof. Men kan dan nog wel aardige dingen over de Bijbel zeggen en het kerkelijk leven wat draaiende houden, maar de kern is er uit'. Een regel waar alles mee gezegd lijkt in de discussie over het belang van de verzoening in Christus.
Verzoening! Hoe dan?
In Kontekstueel van december 1997 werd het thema van de verzoening ook breed aan de orde gesteld. Een bijdrage die me erg trof was die van ds. T. Poot over Verlegenheid en uitzicht rond de prediking van de verzoening. Ook hij geeft eerst breed weer wat de achtergronden zijn van het eigentijdse verzet tegen de klassieke belijdenis over de verzoening. Hij probeert vervolgens aan te geven hoe deze verlegenheid misschien te boven te komen zou zijn.
'Na deze poging om te ontdekken waar onze verlegenheid met de klassieke verzoeningsprediking vandaan zou kunnen komen, nu een poging (meer is het niet!) om de verlegenheid enigermate te boven te komen en nieuwe vreugde te vinden in prediking en geloof van Christus' kruis. Mogelijk dat iemand van mening is dat we daarmee snel klaar kunnen zijn en wel onder verwijzing naar 1 Kor. 1 : 18-25, met als kernwoord: wij prediken een gekruisigde Christus, voor joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid... (vs. 23).
Zeker kan in wat wij tot dusver verlegenheid genoemd hebben bittere vijandschap tegen het Evangelie des kruises schuilgaan; het Evangelie is immers niet naar de mens. We zullen dan ook niet moeten schromen om die vijandschap, waar die zich voordoet, ontdekkend aan te wijzen, ook als dat op hoongelach van de verlichte mens komt te staan.
Maar we zouden ons er toch al te gemakkelijk van afmaken als we het daarbij lieten. Er is alle reden om kritisch naar onszelf en naar de prediking (der verzoening) te kijken.
Reeds in 1971 klaagde ds. G. Boer bij een bespreking van Wiersinga's dissertatie in "De Waarheidsvriend" over de steriliteit en de verkilling van de prediking in zijn kring. Het is sindsdien - ik generaliseer - niet beter geworden. Wie met aandacht de preken en de meditaties in orthodoxe kring volgt, schrikt van het smalspoor dat daarin bereden wordt. Een dun bijbeltje; sjablones over de teksten gelegd; een zeer beperkte scopus; verstarde bevindelijkheid; levensvreemdheid; platte gemoedelijkheid; cultuurarmoede. Het leeft niet meer en het vlamt niet meer. Er wordt niet gedood, maar ook niet levendgemaakt. Nogmaals, de goede uitzonderingen niet te na gesproken.
Dat ziet men gebeuren als de prediking niet meer functioneert in de brede verbanden van de Schriften, maar product van gemeentetheologie wordt; als de ruimte van het Koninkrijk Gods verengd wordt tot de binnenkamer van de enkele ziel; als de prediking van het Kruis een geijkt loopje wordt in geijkte kaders; als we, in plaats van de Schriften te laten uitspreken, ze laten buikspreken; als elke tekst uit elk bijbelboek met een en dezelfde hermeneutische sleutel geopend wordt. Dan wordt wat eens hete lava was kil gesteente.
Ik schrijf deze zinnen neer op Hervormingsdag. Een van de adagia van de Reformatie is: sola scriptura. Ik voeg er aan toe: tota scriptura, de gehele Schrift. Zolang we ons met onze prediking (en geloof) angstvallig blijven bewegen binnen de grenzen van een uiterst beperkte "gemeentetheologie" is en wordt het de dood in de pot. Laten wij toch de christelijke moed hebben om - naar ons vermogen - de gehele Schrift te prediken. Het landschap van de Schrift heeft zoveel reliëf en is zo rijk gevarieerd. Uw gebod is onbegrensd, zingt Psalm 119. Laten wij toch dat onbegrensde landschap, gecentreerd rond kruis en open graf, vrijmoedig predikend verkennen. Dan ervaren we verrassing op verrassing, dan worden steriliteit en verkilling doorbroken; dan openen zich hoogten en diepten en verten; dan ontdekken we dat de offerrande van Christus, ons ten goede, zijn levendmakend licht werpt tot in de verste uithoeken van het bestaan van mens en wereld.
Plaatsbekleding
Hij voor ons dus! Maar daar hoort onlosmakelijk bij: Hij voor ons uit; wij met Hem. Dat ontbreekt m.i. al te zeer in de geijkte prediking en in het geloof van de gemeente: de existentiële betrokkenheid van de gemeente op de weg van de Christus. "En net als Jezus worden die 't ons heeft voorgedaan" kan eenzijdig imperatief, zelfs moralistisch worden verstaan (ik wens te zijn als Jezus, zo nederig en zo goed), maar ook in de zin van: k heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u heb gedaan (Joh. 15 : 15). Het is merkwaardig dat in de gereformeerde prediking die existentiële betrokkenheid zo teloorgegaan is, want bij Calvijn, met name in zijn commentaar op het lijdensevangelie, is die met handen te tasten.
Hij voor ons en zo wij met Hem. De borgtocht van de Christus is de kruisweg van de gemeente. Hij neemt ons mee in zijn spoor. Christenen zijn mensen van de weg. Van de Christusweg. In dit verband moet ook iets gezegd worden over het woord plaatsvervanging, een kernwoord in de klassieke verzoeningstheologie. Ik memoreerde al het protest van de mondige mens tegen dit woord. De zaak waarom het in dit woord gaat dient overeind te blijven, maar zouden we niet beter van plaatsbekleding kunnen spreken? Misschien vindt u dat spelen met woorden, maar dat is het niet. Plaatsvervanging schakelt mij uit; ik ben nergens meer. Plaatsbekleding heeft iets tijdelijks en is er op uit om mij opnieuw mijn plaats te doen innemen. De borg betaalt mijn schuld, maar met het doel om mijn faillissement op te heffen en mij weer op het spoor te zetten. Hij is er niet op uit om mij aan de kant te zetten, maar mij weer op te richten. Het Evangelie des kruises verootmoedigt ons wel, maar het kleineert en vernietigt ons niet. Integendeel! Het is er op gericht om mij echt en voluit mens te doen zijn voor God. Ik herinner mij dat prof. dr. J. Severijn in een college eens zei: de gereformeerde religie vernietigt de persoonlijkheid niet, maar scherpt haar juist. Het pleidooi van de Verlichting voor de mondigheid en de verantwoordelijkheid van de mens mag gehonoreerd worden, mits vaststaat dat die mondigheid niet een eigenmachtig-vleselijke is, maar een uit genade geschonkene! Als die imperatief, opgeroepen en gedreven door de indicatief van Christus' heilswerk, in de prediking der verzoening meeklinkt, wordt de gemeente niet ontmoedigd en lamgelegd, maar bemoedigd en geïnspireerd om op te staan tot verantwoordelijkheid!'
Ook ds. Poot gaat in op het zwakke zondebesef van de eigentijdse mens, althans in persoonlijk opzicht. Hij merkt dan het volgende op.
'En wat het persoonlijk schuldbesef betreft, wij hebben dringend behoefte aan een actuele hamartiologie (= zondeleer). Het valt mij op dat ook in die prediking waar de zonde (nog) ter sprake komt vaak alleen maar algemene termen vallen. Het gaat over dé zonde, niet over mijn en onze zonde in de concreetheid van ons bestaan. En voorzover er concreet gesproken wordt heeft het vaak niet meer om de hakken dan vergrijp tegen het fatsoen en de dorpsmoraal. Oppervlakkigheid en wettisch moralisme vieren juist op dit punt hoogtij.
Hoeveel bezwaar men ook moet hebben tegen de onbijbelse redeneertrant van zondag 5 en 6 van de Heid. Catechismus (naar het Evangelie en naar Christus toe, in plaats van daarvan uit), duidelijk is dat daar beleden wordt vanuit een diep besef van het gewicht van de zonde. Dat hebben wij opnieuw nodig, dat de concrete mens - in heel zijn condition humaine - gesteld wordt voor het aangezicht van de Eeuwige. Levende en reële kennis van zonde en schuld, opdat het kruis van Christus - om het eens ouderwets te zeggen - in zijn "noodzakelijkheid en dienstbaarheid" voor ons oplichte.
Dat licht valt echter niet alleen in de diepten van onze persoonlijke en collectieve schuld. Het kruis van Christus staat ook in het donker van ons menselijke lot. Het Evangelie van het Koninkrijk is het Evangelie van vergeving én genezing; het mikt op de zondaar én op de bedelaar.
Hebben wij ook een woord voor deze bedelaar van het jaar 2000? Voor de arme van nu? Wij worden geroepen hem te kennen, zoals Christus hem kende, in de jungle van dit bestaan, schapen zonder herder, en hen te prediken de ontferming van Christus, vertroostend, bemoedigend, een helende hand die hen vasthoudt boven de afgrond.
De Bron
Juist in orthodoxe kring slaan de laatste jaren innerlijkheid en activisme krachtig toe; evangelischer, opgewekter (!) van toon dan vroeger, maar toch. Het gevoelen, de ervaring van de gelovige, zijn inzet en zijn doen gooien hoge ogen. Verkwikkend vaak en zeker ook reactie op starheid, somberte en lijdelijkheid. Maar soms bekruipt mij de vrees dat ook hier de Bron van het leven uit het zicht verdwijnt, uit verrukking over het water dat uit de Bron vloeit. Jezus-in-mij en ik-voor-Jezus, heerlijk, maar het kan alleen maar levend zijn en levend blijven als het ontspringt aan: Jezus vóór mij!
De prediking zal de gemeente, ook de jonge, enthousiaste gemeente, telkens weer moeten brengen bij de Bron, om daar ootmoedig en vertrouwend te leren bédelen om water en zo bedeeld te worden met Kracht van omhoog in hart en hand. Als wij niet meer van bédelen weten, als de gevoelige christen en de actieve christen zich breed gaat maken, dan zijn we net zo ver van huis als waar de mondige mens op de troon zit.'
We moeten het aandurven vragen toe te laten, ook al ondermijnen ze soms grondig eens gestelde antwoorden. Om opnieuw, met een streep onder nieuw, uit te komen bij de verborgenheid der godzaligheid: God geopenbaard in het vlees.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's