Uit de pers
De financiën van de NHK
De Vereniging van kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk stelde onlangs een enquête in naar de financiële resultaten van de afgelopen jaren (1991-1995). Al eerder (in 1991) hadden klachten van kerkvoogdijen het hoofdbestuur tot een onderzoek gebracht. Met name Friese kerkvoogden lieten signalen horen dat inkomsten achter bleven bij steeds stijgende uitgaven. Veel gemeenten moesten hun beleid aanpassen onder druk van verminderde inkomsten. In 1991 bleek dat kerkvoogdijen de financiën ter plaatse goed wisten te beheersen overigens soms door drastische bezuinigingsmaatregelen en beleidsombuigingen vaak ten koste van nuttig en noodzakelijk plaatselijk kerkenwerk. Het hoofdbestuur van de Vereniging van kerkvoogdijen wilde mede aan de hand van deze gegevens de leiding van de landelijke kerk zo objectief en concreet mogelijk overtuigen van de toenemende zorgen in de plaatselijke hervormde gemeenten. De generale synode nam in 1992 dan ook het beleids-en bezuinigingsplan 'Kiezen en Delen' voor de periode 1993-1997 aan.
Maar opnieuw heeft nu het hoofdbestuur een onderzoek ingesteld. Ze wil mede door de uitslag er bij de synodale organen van de kerk op aandringen de beleidsbepalingen op landelijk niveau nog meer op de feitelijke financiële situatie af te stemmen. In het maandblad van de Vereniging De Kerkvoogdij van mei 1998 staan de resultaten te lezen. We ontleenden bovenstaande gegevens aan het artikel van dhr. Belder, chef de bureau van het Centraal Bureau van de Vereniging van Kerkvoogdijen. Hij geeft een diepgaande analyse van de resultaten van het onderzoek en komt dan tot een aantal conclusies. De exploitatie in de plaatselijke gemeenten heeft in de periode 1991-1995 onder druk gestaan. De ontwikkeling van de totale inkomsten blijft achter bij de gestegen prijzen. De gemeenten hebben de inflatie in hun inkomstenontwikkeling niet echt kunnen bijhouden. Bezuinigingen om dit op te vangen waren noodzakelijk. Er is bezuinigd op plaatselijke medewerkers, op kerkgebouwen en op pastoraat, in deze volgorde.
Interessant in dit nummer van De Kerkvoogdij zijn drie bijdragen die informatie verschaffen over plaatselijke situaties resp. Den Haag (drs. D. van Vliet), Jutrijp-Hommerts (A. Tiemersma) en Putten op de Veluwe (K. A. Gort). Het maakt indruk hoe gemeenten in geheel uiteenlopende situaties kans zien het kerkelijk leven op gang te houden. Door deze inzet blijft het Evangelie aan de orde in stad en dorp. En daar gaat het uiteindelijk om, juist in het werk van kerkvoogdijen.
Br is aan prof. dr. G. Dekker (emeritushoogleraar godsdienstsociologie van de VU) gevraagd te reageren op de uitslag van de enquête. Hij doet dat in een bijdrage die staat onder de titel De financiën gezien in het licht van de kerkelijke ontwikkelingen. Is er een relatie tussen de ontwikkeling van de kerkelijke financiën en van de 'kerkelijkheid' in Nederland? En kun je daar dan conclusies uit trekken inzake de ontwikkeling van de kerkelijk geefgedrag in de komende twee of drie decennia?
'Alle onderzoekingen wijzen erop dat het proces van kerkverlating in Nederland nog niet tot stilstand is gekomen. Indien en voorzover er van een blijvende of misschien zelfs wel zich herstellende godsdienstigheid gesproken kan worden, vindt dit toch grotendeels buiten het kerkelijk leven plaats; in ieder geval buiten de traditionele, gevestigde kerken. Deze kerken - ook de Nederlandse Hervormde Kerk - doen er dus wijs aan om in hun beleid met een voorlopig nog dalend ledental rekening te houden. De kans is echter ook groot dat de nabije toekomst hetzelfde beeld geeft te zien als dat van het recente verleden; dat het dus vooral de randleden - en voor ons onderwerp betekent dit vooral de niet of weinig betalende leden - zijn die de kerk zullen verlaten. Het is dus heel goed mogelijk dat een kleiner wordende kerk naar verhouding meer sterk betrokken leden zal hebben en dat deze leden naar verhouding ook in financieel opzicht meer aan de kerk zullen bijdragen. Of die bijdragen zo hoog zullen zijn dat de prijs- en dus kostenontwikkeling volledig gecompenseerd zal worden, is nog de vraag, maar het is niet uitgesloten dat de kerk voldoende geoutilleerd kan blijven om voor het geringer aantal leden adequaat te functioneren.
Zo gezien is er niet veel reden om zich, wat de materiële kant betreft, veel zorgen over de toekomst te maken. De kerk zal zich aan de getalsmatige verkleining moeten aanpassen, met name in de materiële en personele sfeer. En aanpassing - want dat betekent inkrimping - brengt genoeg pijn en spanningen met zich mee. Maar het is geen uitzichtloze situatie.'
Dit beeld vraagt enige nuancering, acht prof. Dekker, om een aantal redenen. Het doorzettend SoW-proces heeft in een aantal gemeenten een gunstig financieel effect, vermoedelijk echter van tijdelijke aard. Kleinere gemeenten weten zich, volgens de enquête, beter overeind te houden dan hele grote gemeenten. Als kleine gemeenten in het kader van SoW echter gaan fuseren en daardoor ook groter worden, kon dit weleens nadelig zijn voor de financiën, aldus prof. Dekker.
'Dan is er nog een derde factor en dat is de leeftijdsopbouw van de kerkelijke gemeenten. Twee gegevens zijn hier van belang. Enerzijds dat de hervormde gemeenten gemiddeld sterk vergrijsd zijn: blijkens het onderzoek God in Nederland 1966-1996 zijn er onder de hervormden achterhalf maal zoveel ouderen als onder de Nederlandse bevolking als geheel, onverschillig of men de grens bij 65 of bij 55 jaar trekt. Anderzijds blijkt uit de enquête dat verreweg het grootste deel van de kerkelijke bijdragen aflcomstig is van de oudere leden: de leden van 65 jaar en ouder leverden in 1995 43 pet. van de totale kerkelijke bijdragen!
Nu kan men zeggen dat het feit dat de Nederlandse Hervormde Kerk relatief veel ouderen heeft in financieel opzicht gunstig werkt. Zij zijn het immers die voor het grootste deel van de kerkelijke bijdragen zorgen. Als men tevreden is met een momentopname, dan hebben we hier met een in zekere zin gunstige situatie te maken. Maar naar de toekomst gezien brengt deze situatie een groot risico met zich mee. Het kwetsbare van deze situatie is namelijk dat de sterftekans van ouderen en dus de kans op het verlies van leden die veel bijdragen nu eenmaal veel groter is dan de sterftekans van jongeren. Weliswaar nemen jongeren demografisch gezien dan de plaats van de ouderen in, maar of zij, wanneer zij ouder zijn, net zoveel zullen bijdragen als de huidige ouderen, is nog maar zeer de vraag. Op grond van de te verwachten demografische ontwikkeling zou de kerk er verstandig aan doen ernstig met een toekomstige vermindering van de inkomsten rekening te houden.
De komende generatie
In directe samenhang hiermee komen we aan de belangrijkste, maar tevens meest onzekere factor, namelijk de houding van de huidige jongeren tegenover de kerk. Het feit dat jongeren naar verhouding minder financieel aan de kerk bijdragen is naar alle waarschijnlijkheid niet alleen maar een leeftijdsverschijnsel, maar een verschijnsel van de nieuwe generatie. Daarmee bedoelen we dat het niet (alleen maar) een kwestie van levenscyclus is: wanneer men jong is draagt men nu eenmaal niet zoveel bij, maar naarmate men ouder wordt, verhoogt men ook de kerkelijke bijdrage. Was dat wel zo, dan zou men zich niet zoveel zorgen over de "opschuivende leeftijden" behoeven te maken.
Fundamenteler
Maar er is hier waarschijnlijk iets veel fundamentelers aan de hand. De jongeren vertegenwoordigen een nieuwe en komende generade, die (in het algemeen gesproken) een andere houding tegenover de kerk heeft dan de oudere generatie. De kerk heeft voor hen een geringere betekenis. Ruw geformuleerd; de kerk is hun - ook in financieel opzicht - minder waard.
We zeggen dit mede op grond van het recente onderzoek God in Nederland 1966-1996. Daaruit bleek immers dat voor velen, ook voor kerkleden, de kerk een andere rol, een andere functie wordt toegekend: minder van belang voor het persoonlijk leven en zelfs voor het persoonlijk geloofsleven en meer van belang voor het publieke leven. Het rapport zegt dat de kerken hierdoor van karakter veranderen: "Zij worden door veel mensen niet langer beschouwd als instellingen waarbinnen het geloofsleven vorm krijgt en beleefd wordt, maar als ideële instellingen die een functie in het publieke leven, met name ten behoeve van de moraal en de waarden van de samenleving, hebben te vervullen. Zij worden, overdreven gesproken, door velen beschouwd . als instellingen zoals Amnesty International en Greenpeace: het zijn nuttige instellingen, zij moeten er ook zijn en ze moeten actief zijn; maar ze zijn niet noodzakelijk om ons persoonlijk leven vorm te geven...". Welnu, het laat zich raden welke consequenties een dergelijke veranderende houding tegenover de kerk heeft voor het geefgedrag van de leden. Deze verandering kan zeer nadelige gevolgen hebben voor de financiering van het kerkelijk leven.'
Tenslotte acht prof. Dekker het mogelijk dat een sterker wordend evangelisch element in de protestantse kerken het geefgedrag gunstig zal beïnvloeden, omdat er onder evangelischen over het algemeen een grotere bereidheid is aan kerkelijke instellingen financieel bij te dragen.
Tenslotte, de toekomst van de kerk is in financieel opzicht onzeker. Onderzoeken als deze laten zien dat bezinning nodig blijft. Wat is er aan de hand in gemeente en kerk? Welke ontwikkelingen zijn er ook in 'meelevende' gemeenten soms onderhuids bezig? Ik denk aan afnemend kerkbezoek in de tweede dienst en mede daardoor aan verminderde betrokkenheid van mensen bij hun kerk?
Beroepingswerk
Het voorgaande heeft ook alles te maken met het aantal predikantsplaatsen. In de analyse van de enquête laat dhr. Belder zien dat het aantal parttime vervulde pre-dikantsplaatsen in de periode van 1980-1990 fors is gestegen: van 59 naar 204. Over dezelfde periode is het aantal fulltime vervulde predikantsplaatsen gedaald met 63 ofwel met 4, 5%. In Theologia Reformata van maart 1998 schrijft dr. A. van Brummelen de Reflexen. Eén van zijn onderwerpen is het beroepingswerk.
'Van tijd tot tijd komen wij in aanraking met kandidaten, die beroepbaar zijn, maar tot nu toe geen beroep ontvingen. Zij staan, om het zo maar eens te zeggen, werkeloos aan de markt. Zij delen het werkeloos zijn met vele duizenden anderen, die in de maatschappij geen werk kunnen vinden. Principieel is hier geen onderscheid tussen de situatie van een wereldlijk beroep en een geestelijk ambt.
Er is een tijd geweest, dat bijvoorbeeld door wijlen ds. G. Boer aangedrongen werd om theologie te gaan studeren. Dat heeft toen veel effect gehad. Velen hebben sindsdien lege plaatsen bezet. Toch menen wij of het nu wel zin heeft nog langer aan te dringen op de theologische studie. Let wel, er is een normale aanwas op geheimzinnige wijze door de Heilige Geest geleid. Daarover schrijven wij niet, wij laten dat over aan onze God.
Maar door middel van andere wegen wordt de toelating tot de studie gemakkelijker. Wij denken aan de voorbereiding van een hogeschool, de zaterdagopleiding en vele mogelijkheden meer. Zijn wij welingelicht dan komen er de eerste jaren vele, vele kandidaten. Onder deze zijn er die niet denken aan een predikantsloopbaan. Zij gevoelen meer voor een onderwijsfunctie. Zij denken aan de zending, terwijl een klein aantal hoopt op een universitaire baan.
Toch blijft er een groot aantal over van hen die tevergeefs op een beroep moeten wachten. Er is nooit serieus onderzoek naar gedaan, maar de verhouding aanbod en vraag gaat meer en meer klemmen. In de meeste gemeenten komt vermeerdering van predikantsplaatsen maar heel langzaam tot stand. Het duurt soms tientallen jaren. Men werkt eerst met een pastorale hulp, vroeger was dat door middel van een godsdienstonderwijzer. Tegenwoordig gaat het dan om een kerkelijk medewerker. Als de taken op een evenwichtige wijze worden verdeeld kan dit het kerkelijk werk ten goede komen.
Maar een tweede, een derde predikant komt er niet gauw bij. Daar spelen financiële factoren een rol. Maar niet enkel financiële, ook modalitaire. Het verbaast soms hoe gauw een kleine deelgemeente een predikant heeft. Maar wij gaan nu uit van een gewone gemeente uit het gereformeerde segment. Het ware te wensen, dat hier steeds wijs beleid aan de dag komt. Een redelijkerwijs meelevende gemeente van vijftienhonderd zielen geeft al een dagtaak aan een predikant. Wat moet het dan, als wij weten dat er kandidaatsgemeenten zijn van tweeduizend en meer zielen?
Wij zijn van mening, dat het aanbeveling verdient over de volgende factoren te gaan nadenken in academische trant.
1. Wat is de grootte van een bewerkbare gemeente of wijk? Daar moet natuurlijk wel een communis-opinio over bestaan. Heel veel werk kan ook door anderen gedaan worden. Geschiedt er niet te veel aan bijeenkomsten, meditaties van allerlei aard? Wat wij aan werk in de breedte zouden kunnen afstoten, zou beter in de diepte kunnen worden geïnvesteerd.
2. De kerkenraden zouden meer gemotiveerd moeten worden tot stichting van predikantsplaatsen. Er zijn nog steeds gemeenten van onwerkbare grootte. Het kost veel moeite om hier verandering in te krijgen. Menselijke belemmeringen zijn er in overvloed. Een enkel wijs ambtsdrager weet soms verhinderingen te doorbreken.
3. Er bestaat een cursus beroepingswerk voor kerkenraadsleden en leden van hoorcommissies. Dat is een mooi initiatief, al lijkt ons de persoonlijke inzet onvervangbaar. Fijnzinnige benadering en begeleiding geschiedt niet immer. Meer dan ooit moet een kerkenraad hoge normen handhaven, maar evenzeer de beroepene.
4. Voorzover wij nu kunnen zien zal een aantal kandidaten niet voor een beroep in aanmerking komen. Het aantal plaatsen stijgt maar zeer miniem. Om reden van nuchtere wijsheid moeten wij aandringen tot beproeving van onze motieven. Onze kerkenraden hebben nooit te weinig kader nodig. Integendeel, een gedegen ouderling en diaken kan het niveau verhogen. Dat dient beide delen: predikant en gemeente.'
Het is dringen op de arbeidsmarkt voor dienaren van het Woord. Dat zet soms de roeping onder sterke druk. Vooral als men eerlijk wil blijven tegenover God en Zijn gemeente. In zijn brief aan de Thessalonicensen geeft Paulus aan hoe hij als apostel was: Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, alzo spreken wij, niet als mensen behagende, maar Gode, Die onze harten beproeft' (1 Thess. 2:4).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's