Waar blijven we in de kerkelijke ontwikkelingen?
Lezing jaarvergadering Gereformeerde Bond d.d.28mei 1998 te NIjkerk
Lezing jaarvergadering Gereformeerde Bond d.d. 28 mei 1998 te NIjkerk
Als we het al niet wisten zijn we bij de laatst gehouden verkiezingen wel hard met de neus op de feiten gedrukt. We zijn als christenen in dit land echt van meerderheid minderheid geworden. Dat blijkt in de politiek. Dat blijkt maatschappelijk. Op de achtergrond staat de aangrijpende secularisatie, die op zich weer samenhangt met de ontkerkelijking. Kon aan het eind van de vorige eeuw over ons volk nog worden gesproken als 'een gedoopte natie', vandaag brengt nog slechts een minderheid van ons volk de kinderen in het doophuis.
Van jaar tot leveren de grote kerken op grote schaal in als het om het ledenbestand gaat. Elk jaar voor de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken samen ongeveer vijfenzeventigduizend leden, d.w.z. in de afgelopen tien jaar ongeveer drie kwart miljoen. We zijn er niet mee klaar wanneer we stellen dat het voor een belangrijk deel gaat om 'papieren leden', wat de Hervormde Kerk betreft de geboorteleden. Er vindt immers ook een geruisloze continue doorstroming plaats van belijdende leden en doopleden naar dit papieren bestand. De ontwikkelingen in de neergaande spiraal gaan voorlopig onverminderd door. De Nederlandse Hervormde Kerk verminderde zo van 2.727.048 hervormden in 1988 tot 2.194.473 hervormden in 1998, een verlies van meer dan een half miljoen.
In het gezamenlijk kerkblad van de Hervormde Gemeente en de Gereformeerde Kerk van Roelofarendsveen e.o. wijdde de gereformeerde predikant ds. Arjen Beukelaar enkele artikelen aan de Gereformeerde Bond in verband met 'SoW-drempels op de weg'. De leegloop in de kerken is massaal geweest, zegt hij. Maar omdat de bonders 'hecht georganiseerd' zijn heeft 'de ontzuiling en de ontkerkelijking in hun gelederen tot nog toe nauwelijks plaats gevonden'. Is dat zo? Keert een hechte organisatie de neergang? En heeft de ontkerkelijking bij ons nog niet toegeslagen? Er is reden om deze constatering kritisch, zelfkritisch tegen het licht te houden.
Ik spreek dan maar niet over de gemeenten, ook van hervormd gereformeerde signatuur, in de grote en in bepaalde middelgrote steden, die restgemeenten zijn geworden. U permittere mij enkele cijfers van enkele van onze gróte gemeenten.
De gemeente Huizen maakte tien jaar geleden een prognose, die uitkwam op ongeveer 12.000 Hervormden in 1998. Vandaag is de realiteit 8.600 hervormden. Het aantal hervormden nam van 1989 tot 1998 met 1700 af van 10.313 tot 8.612. De zesde predikantsplaats wordt op den duur ingeleverd.
Huizen is burgerlijk gezien een groeigemeente onder de rook van Amsterdam, kan worden tegengeworpen. Het gaat echter niet om een percentage maar om een absoluut aantal hervormde leden. Ik vroeg de gegevens op van Ede en Veenendaal, eveneens groeigemeenten. In dezelfde periode nam het aantal hervormden in Ede met ongeveer vijftienhonderd af (van 13.421 tot 12.099). Eveneens in Veenendaal (van 17.075 tot 15.771).
En Putten dan, hartje Veluwe, nog een beetje in de luwte? De heer K. A. Gort gunde ons een blik in de ontwikkelingen in deze gemeente in het blad De Kerkvoogdij. In vijf jaar tijd, in de jaren 1991 tot 1995, trad hier een daling op van een kleine vijfhonderd leden (van 11.363 tot 10.930). Gort maakt met dankbaarheid melding van het goede in zijn gemeente. Datzelfde geldt voor de andere gemeenten, die ik noemde. Ds. W. L. Tukker placht nogal eens te herinneren aan 'de goede dingen in Juda' (2 Kron. 12 : 12). Maar we moeten eerlijk zeggen, dat we ook in onze hervormd gereformeerde gemeenten mede betrokken zijn in de algehele kerkelijke afkalving. En ook wij kunnen ons niet geruststellen als we de daling van de cijfers toeschrijven aan papieren leden, omdat het bestand aan belijdende leden nog redelijk constant blijft. Al 'onze' gemeenten zijn volkskerkgemeenten. Gort zegt, dat gemeenten van 'het platteland' (nog) niet zoveel zorg hebben over afnemend kerkbezoek in de middag-/avonddienst, al zegt hij wel dat de opkomsten ook in Putten 's middags minder zijn dan 's morgens, hoewel 'nog alleszins de moeite waard'. Dat hij het woordje 'nog' tussen haakjes zet is veelzeggend. Onze verliezen zijn op verschillende plaatsen 'nog' relatief klein.
We betalen mee de tol van de secularisatie. Een ieder bezie de cijfers in eigen gemeente, ook als het gaat om verschillen in opkomst 's middags en 's morgens. Het aantal kleinere gemeenten, dat niet meer een full-time predikant kan beroepen, neemt bovendien ook onder ons toe.
Met betrekking tot de hervormd gereformeerde gemeenten mogen we ons ook in alle ernst afvragen: waar blijven we? We stellen deze vraag gewoonlijk bij 'het hellend vlak'. Dat hellend vlak dient zich ook aan in een geruisloze afkalving. Daarover mag zorg zijn, diepe zorg. Die afkalving is - de situatie in de grote steden leert het ons - ook niet louter op de debetzijde van de prediking te schuiven. Dat dachten we in het verleden wel eens. Onder de beste, gereformeerde prediking heeft zich in de steden de kaalslag tot restgemeenten voltrokken. Daarin kan geen organisatie als de Gereformeerde Bond, ook geen organisatorische actie of organisatorische vernieuwing, soulaas bieden. Dat vraagt om een opwekking, een nieuw reveil. Dat moet zeker worden gezegd wanneer we daarbij bedenken, dat sommige gemeenten, grote zowel als kleinere, worden verteerd door spanningen tussen de stromingen, zo zelfs dat scheuringen te vrezen zijn. Dat we dit alles hier nochtans aan de orde stellen op een vergadering van de Gereformeerde Bond komt omdat het de Gereformeerde Bond begonnen is om verdediging en verbreiding van de Waarheid in de gemeenten. Wat is de Gereformeerde Bond zonder gereformeerde gemeenten?
Dieper
Als zodanig raakt ons ook het belijdend gereformeerde karakter van de gemeenten, in de diepte en in de breedte. We moeten in deze dunkt me de spade ook dieper steken dan alleen het getalsmatige. We spreken over hervormd-gereformeerde gemeenten. Hoe gereformeerd zijn we nog en hoe hervormd? Gereformeerd moet men telkens worden, hervormd niet minder.
Het kan niet mijn bedoeling zijn hier nog eens expliciet te verwoorden wat gereformeerd zijn is. Laat ik beginnen met de caricatuur. In het eerder genoemd kerkblad van Roelofsarendsveen permitteert zich de gereformeerde pastor de volgende uitspraak:
'Het is te hopen dat ook de bonders eindelijk gecorrigeerd worden naar het Woord des Heren en teruggebracht op de rechte weg der waarheid: dat zij zich inspannen om de God van Israel beter te leren kennen dan de middeleeuwse god van Dordt, en dat zij in plaats van belijdenisgeschriften te aanbidden in het spoor gaan van de Levende, die zich "in Christus verzoenende was met de wereld"'.
Ik zeg: de caricatuur. Dit werd (N.B.) overigens geschreven binnen een kerk, waar juist ten aanzien van de Verzoening dezer dagen de ketterij hoog oplaaide en het bloed der Verzoening met voeten is getreden.
Ik volsta met te zeggen, dat het gereformeerde kerkelijke leven zich voltrekt rondom de Schrift en, hangend daaraan, aan de gereformeerde belijdenis; een belijdenis, die gereformeerden niet aanbidden maar wel lief hebben, omdat daarin ons geloof is vertolkt. Het catechismusgeloof: wat is uw enige troost...? Mij dunkt, dat we elkaar in de breedte van het hervormd gereformeerde leven daarop ook mogen en ook kunnen aanspreken. Overal wordt toch de catechismus nog gepreekt? Al weet ik zeer wel, dat ook onder ons de discussie rondom Dordt van tijd tot tijd oplaait, vaak vanwege vergroeiingen en verkeerde gevolgtrekkingen, die in de loop van de tijd uit Dordt getrokken zijn, met alle pastorale schade vandien. Juist omdat de belijdenis hangt aan de Schrift, mag deze toch ook telkens tegen het Licht van de Schrift worden gehouden? ! Elke nieuwe generatie vraagt ook om zulk een doorlichting. Gereformeerd zijn is niet klakkeloos herhalen van wat in het verleden is gezegd maar telkens weer toetsen aan de Schriften, om telkens weer, in elke tijd weer, gereformeerd te worden, tot op het enige fundament dat gelegd is: Jezus Christus en Dien gekruisigd. En niet in het minst ook om dit gereformeerd belijden een plek te doen krijgen in het hart. Dat heet bevinding. Als zodanig kennen we tot vandaag geen betere belijdenis dan die van de formulieren.
In de overdracht van het gereformeerde belijden naar onze tijd komt echter in onze kring ook in toenememde mate spanning openbaar. Het EO-congres over 'de boodschap en de kloof was geen slag in de lucht. Ook onder ons komt in toenemende mate die kloof aan het licht. Predikanten ervaren, in de catechese en in de prediking, dat ze in toenemende mate staan voor de vraag hoe de kloof tussen het gereformeerd belijden en het hart van leerling en hoorder wordt overbrugd. In hervormd gereformeerde kring openbaart zich hier dunkt me, zwart wit gezegd, in toenemende mate in de praktijk ook een spanning tussen gereformeerd worden (contextueel) en gereformeerd zijn (herhaling van de belijdenis). Bovendien zijn de plekken, waar het gereformeerde belijden tot uitdrukking wordt gebracht, in toenemende mate bepaald door een verschil in context en leefcultuur. Werk onder jongeren of onder ouderen, in de steden of in plattelandsgemeenten, op het missionaire vlak of in het werk onder vrouwen, in het onderwijs of in de bejaardenzorg, het maakt nogal verschil uit.
Intussen dreigt echter het gevaar, dat de wederzijdse herkenbaarheid in eigen kring onder spanning komt te staan. Ik zeg dit nog afgezien van het eigentijdse individualisme, dat zich in telkens kleiner kringetjes manifesteert en onderlinge vervreemding oproept.
De vraag is of door alles heen, in de worsteling om met het Evangelie in deze tijd te staan, de rode draad van het gereformeerd belijden voldoende zichtbaar blijft. Een preek mag geen dogmatiek zijn maar moet wel dogmatisch verantwoord zijn. Is het zo ook niet met het gereformeerd belijden? Het behoeft er niet steeds bovenop te liggen. Dan kan het nog een vlag zijn op een leeg schip. Als het maar als een zuurdeeg door al onze arbeid ligt; kenbaar en herkenbaar ook aan de reuk van een bevindelijk leven met God en eèn godvruchtig bezig zijn in kerk en samenleving. Is de gereformeerde belijdenis integraal levend en werkzaam onder ons?
Manco's
Ik stel hier een drietal zelfkritische vragen.
1. Het gereformeerde leven is in toenemende mate omrankt geraakt door andere eigentijdse stromingen, die het gereformeerde leven beïnvloeden. Ik richt me daartoe niet op de 'boze wereld', al hebben we ook zelf met de diep insnijdende secularisatie te maken. Ik blijf liever dicht bij huis. Ik denk aan de invloed van de evangelische en de reformatorische levenssferen, noem het de EO-isering en de re-foisering.
Prof. dr. W. van 't Spijker betoogt in een geschrift 'Horen, zien en schrijven' - een boekje, dat verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Peter Bergwerff als journalist bij het Nederlands Dagblad - dat 'gereformeerd' een verbizondering is van 'reformatorisch' (niet omgekeerd) en zegt verder, dat gereformeerden oorspronkelijk 'werden aangeduid als evangelischen. Letterlijk zegt hij: 'men beschouwde de opkomst van de nieuwe leer in de Reformatie als uiting van een nieuwe evangelische gezindheid'. Vandaag liggen die woorden door elkaar, maar ze hebben zich wel in organisatorische zuilen doorvertaald, waarbij het reformatorische nu juist een verbijzondering is van het gereformeerde. Dat mist ook onder ons zijn uitwerking niet. Het gevaar van verschuivingen ten opzichte van de gereformeerde belijdenis - niet altijd expliciet, vaker geruisloos - is niet denkbeeldig.
Ik noem hier één voorbeeld. Het zou wel eens kunnen zijn, dat we het rechte zicht op het verbond en het leven uit de rijkdommen van het verbond, zoals dat altijd in hervormd gereformeerde kring bijbelsevenwichtige heeft gefunctioneerd, langzaam maar zeker aan het kwijtraken zijn in een samentreffen van de evangelische en de reformatorische stroming in onze gelederen. Ietwat zwart wit gezegd: Evangelischen weten niet van het verbond, binnen de reformatorische kring wordt het verbond vaak in discrediet gesteld. We gaan er daarom, bijvoorbeeld in de prediking, over zwijgen of er ons voor excuseren. Dat wreekt zich altijd weer met betrekking tot het zicht op de rijkdom, die gelegen is in de kinderdoop.
2. Met het voorgaande hangt samen het zicht op de kerk. Wanneer we het zicht op het verbond, met de tweeërlei soorten kinderen daarin, kwijt raken, komen we of terecht - ik schets enkele uitersten - bij het labadistisch ideaal van een kerk van louter wedergeborenen of bij een zuivere (belijdenis-)kerk of bij de afscheidingsgedachte of bij een al of niet binnenkerkelijke doleantie of bij oecumene van het hart. Het geloof in Gods trouw de geslachten door - ondanks onze ontrouw en daarom: met vrees en beven uitgesproken - gaat dan schuil achter wat wij voor ogen zien.
We mogen hier met name onze zorg hebben naar de jonge generatie. Zicht op kerk en verbond wordt onder de jongeren spaarzamelijker. Ze zijn vaak daar, waar ze kunnen consumeren of shoppen en ondergaan daar heel gemakkelijk nieuwe geloofssferen, die ook mede bepaald worden door een bepaalde opwekkingscultuur. Daarom is er onder jongeren ook nauwelijks belangstelling voor Samen op Weg. Recent las ik in De Civitate, het orgaan van de reformatorische studentenvereniging CSFR, dat onderzoek onder de bij deze vereniging aangesloten studenten heeft uitgewezen, dat onder hen, zélfs dus onder de aankomende generatie 'intellectuelen', belangstelling voor het SoW-proces miniem is.
3. Ik noem verder de spiritualiteit, om dit moderne woord nu maar te gebruiken. Zien we niet in de breedte van de Gereformeerde Gezindte en daarin ook in de breedte van de hervormd gereformeerde beweging verschuivingen inzake de spiritualiteit optreden, naar verschillende kanten, met alle polariserende gevolgen vandien?
Het bijbels evenwicht, kenmerkend voor de gereformeerde belijdenis, tussen rechtvaardiging en heiliging wordt dan of naar de ene kant of naar de andere kant scheef getrokken. Hetzelfde geldt voor wet en Evangelie. En bijbelse bevinding, die ten principale ook gelegen is in de religie van de belijdenis, is toch ook iets anders dan enthousiasme of een 'opgewekt' gevoel? Komt nog wel altijd aan de orde het zondaar-zijn en blijven en het, onder de ontdekkende werking van de Heilige Geest, zondaar-worden voor God, niet als een stand van zaken maar in de worsteling van de Geest om een mensenhart, maar dan ook de ervaring van de liefde Gods, die in onze harten wordt uitgestort door de Heilige Geest, die ons is gegeven? Komt de geloofsworsteling nog wel altijd aan de orde, maar ook: is geloof nog geloof?
Mede onder invloed van de evangelische beweging spreken we over 'groeien in het geloof. Dat is bijbels-legitiem, noodzakelijk zelfs, maar dan niet los van het komen tot geloof. 'Is er nog groei? ', vroeg wijlen ds. G. Boer steevast in de preken, die ik in Huizen van hem hoorde? Hij bleef nooit in het voorwerk steken. Die vraag stond echter altijd in een bijbels-bevindelijke context, tegen de achtergrond van de radicaliteit van zonde en genade.
En anderzijds, 'Het is ingewikkeld geworden', schreef prof. dr. J. Blauwendraad. Zijn boekje heeft bredere betekenis dan alleen voor zijn eigen kring. Het raakt ook ons wannéér en waar het Evangelie wordt afgesnoerd in een voorwaardelijke prediking.
Waar blijven we in de huidige ontwikkelingen als het gaat om het geestelijke element? Blijven we in het gereformeerde spoor?
Recent verscheen een nummer van Hervormd Nederland, dat voor een belangrijk deel was gewijd aan de Gereformeerde Bond. De invloedssferen, waarin de hervormd gereformeerden zich vandaag bevinden, komen daarin eerlijk aan de orde. Ons wordt daarin ook eerlijk een spiegel voorgehouden, ook inzake de spanning tussen de generaties, maar ook inzake verschillen in de context, waarin we vandaag gereformeerd zijn. In dat nummer treffen we een naar mijn mening uitstekend analyserend artikel van prof. dr. F. G. Immink over de stromingen in de Gereformeerde Bond. Het element van bevinding of spiritualiteit bindt de stromingen, zegt hij, maar ze verstaan er niet hetzelfde onder. Anderzijds zegt hij, dwars tegen andere richtingen en stromingen in de kerk in: 'ze raken er de kern'. Letterlijk zegt hij: 'Het eigene waarmee ik ben opgegroeid en het mooie dat je ziet als mensen God ontmoeten en daarmee leven, ruil ik niet in voor het gedachtegoed van andere stromingen. Het raakt aan de worsteling waarin ik als mens sta'.
Dat geloof, die geloofsworsteling bindt ons samen!? Bindt het écht samen? Waarom trekken vandaag zovelen naar evangelische samenkomsten? Is er een manco, een spiritueel manco? Is er in hervormd gereformeerde kring zelf sprake van 'oecumene van het hart'? Dan zal er sprake zijn van het accepteren van verscheidenheid binnen de grenzen van het belijden; al permitteer ik me te zeggen: óók over de grenzen van eigen kring heen, waar men hetzelfde geloof deelachtig is, ook al is het niet ingebed in de voor ons dierbare traditie van het gereformeerd belijden. Gods kerk en werk zijn breder dan onze gezindte.
Nu kan ik hier de hele geschiedenis van de Gereformeerde Bond als getuige oproepen om aan te geven, dat er altijd stromingen onder ons zijn geweest. Die kwamen tot uitdrukking in de verhouding van het voorwerpelijke tot het onderwerpelijke, in de wijze, waarop binding aan de belijdenis werd voorgestaan, in het zicht op de kerk als geheel en ook in politieke keuzen. Toch was de onderlinge acceptatie dunkt mij breder dan vandaag het geval is. Zat daarachter de bevindelijke spiritualiteit, die ons bond?
Waar blijven we, als het vandaag om geestelijke gemeenschap in verscheidenheid gaat?
Breed
Dit brengt me ook op het moment van de breedte van de hervormd gereformeerde beweging. Men kan hier en daar horen: De Gereformeerde Bond is te breed geworden, het moet dieper.
Nu valt diepte nooit te organiseren. Bovendien is wat voor de één diepgang is voor de ander niet zo diep. Hoe dieper men echter graven wil, hoe breder men ook spitten moet. Gereformeerd is zowel diep als breed. Het gaat en mag de hervormd gereformeerde beweging toch niet gaan om de groep, 'de club van gelijkgezinden', zoals Hoedemaker Kuyper verweet, maar om heel de kerk en heel het volk? De vraag is of we, gegeven de diep ingrijpende secularisatie, vandaag die breedte, om het Calvijns te zeggen: de katholieke allure, nog wel echt kennen; de gereforméérd-katholieke allure.
Het is opvallend hoe vaak, in de breedte van de hervormd gereformeerde beweging, predikanten aan het eind van hun dienst of bij een jubileum, komen op te merken, dat ze door wijlen ds. G. Boer of wijlen ds. W. L. Tukker geroepen, want getrokken of gestimuleerd werden tot het wondere ambt van dienaar des Woords. Dat zal, naar het mij voorkomt, géén predikant zo nog meemaken. Maar in al die roepingen vertoonde zich intussen ook de breedte, waarin zij, elk met hun eigen en onderscheiden charisma stonden.
Ds. W. L. Tukker zat 's zondags, zeker de laatste jaren van zijn leven, zelf vaak onder de prediking van anderen. Opvallend was zijn milde oordeel over de prediking van aantredende, jonge dienaren van het Woord. Met hoop en verwachting voor de kerk verkeerde hij onder de prediking. 'Zo heb ik het zelf nooit gekund' placht hij nogal eens te zeggen.
Waar blijven we, ook in dit opzicht, gezien de polarisatie die zich voordoet? Er kan sprake zijn van een breedte, die tekort doet aan het gereformeerde. Maar dat kan ook het geval zijn bij versmalling.
De kerk
Tot hier heb ik me voornamelijk bezig gehouden met eigen, hervormd gereformeerde kring. Ik heb daarbij gepoogd eerlijk te zijn. We hebben alle reden ons te verootmoedigen. En dat zeg ik nog los van de verschillen en spanningen, die onder ons aan de dag treden met betrekking tot Samen op Weg.
We mogen en kunnen intussen ook niet heen om de kerkelijke ontwikkelingen. Die hebben immers ook alles te maken met de gemeenten. De kerk is daar waar de gemeente is.
Ik noem nog eens een keer de gereformeerde dominee van Roelofarendsveen. 'Voor de meerderheid van de Hervormden, Gereformeerden en Lutheranen samen is de Bond een plaag', zegt hij. Scherper heb ik het niet eerder gelezen. Zonder nu alle uitingen van belijdenistrouw in hervormd gereformeerde kring te willen verdedigen, uit alles blijkt hoe 'de inzichten van de vrije bijbelwetenschap', waarover deze moderne gereformeerde dominee spreekt, hem liever zijn dan de gereformeerde belijdenis. Daarin staat hij niet alleen. Dat bepaalt ook onze worsteling inzake de weg, die onze kerk gaat op de weg van de vereniging. Dit soort geluiden hoorden we nauwelijks zó in eigen kerk. Misschien lagen we er dan minder wakker van dan nu deze geluiden uit de Gereformeerde Kerken komen. Dit gereformeerd-zijn smaakt ons niet. Recent vroeg dr. B. Plaisier, secretaris generaal van de Hervormde Kerk, in Woord en Dienst waarom toch de Hervormde Kerk maar niet warm te krijgen was en is voor het Samen op Weg-proces. De vraag stellen is haar beantwoorden. Hierom! Kortweg: hierom! Omdat Samen op Weg - ik zeg het scherp - vooralsnog niet meer is dan het bijeenbrengen van een nog steeds verder slinkende kerkelijke rest in Nederland, terwijl desalniettemin niet onvoorwaardelijk wordt gebogen onder het Woord Gods en de hals niet wordt gebogen onder het gezegende juk van Jezus Christus. De geestelijke, belijdende passie ontbreekt. We zijn er enerzijds diep van overtuigd, dat we het proces van neergang, in de huidige secularisatie, die aan de gang is, niet zullen kunnen keren door eigenmachtig ingrijpen, door de ark aan te grijpen, die dreigt om te vallen. Dat houden we onszelf voor. Maar wordt zo anderzijds juist ook Samen op Weg niet door velen beleefd?
En als ik dan in het eerste deel van deze bijdrage uitdrukkelijk ben ingegaan op de gemeente, dan mag diezelfde gemeente ook worden geplaatst in de bredere samenhang van de kerk. Is Samen op Weg heilzaam voor de gemeenten?
Ik zou vele voorbeelden kunnen noemen van schade, die SoW nu reeds aanbrengt aan gemeenten. Ik beperk met tot twee voorbeelden.
Ik noem Gorinchem, waar een bloeiende wijkgemeente onder druk is komen te staan van twee Samen op Weg-wijken, die nauwelijks mensen bijeen brengen. Ik noem Dordrecht, waar de spanning in de gemeente zich recent nu eens niet ontlaadde in de richting van de hervormd gereformeerden, maar in andere wijken escaleerde, waar ingrijpende verschillen in kerkcultuur tussen hervormden en gereformeerden aan de dag traden. Elke dwang, waaronder het samen gaan van (wijk)gemeenten tot stand komt, blijkt vroeg of later tot spanningen te leiden. Dat mag ook wel uiterst voorzichtig maken als het gaat om beleid ten aanzien van het tusseniveau in de kerk, met name de classis.
Ten aanzien van de vraag van Plaisier valt uiteindelijk op te merken, dat een kerk, die men nooit echt heeft begeerd en ook nu niet begeert, ook niet rekenen kan op liefde-bij-voorbaat. Ik herhaal mezelf als ik nog eens wijs op de liefde, een liefde 'nochtans', die hervormd gereformeerden altijd hadden voor de kerk der vaderen. Dat liefdevuur dreigt te worden gedoofd.
Ruimte
Waar blijven we in de huidige kerkelijke ontwikkelingen? 'Op onze post' hebben we gezegd, met als onopgeefbare positiebepaling de Schrift en de belijdenis. In hervormd gereformeerde kring zijn daarover evenwel ingrijpende verschillen aan de dag getreden, die ons doen vrezen, dat er kloven kunnen ontstaan, die tot scheuringen kunnen leiden in toch al slinkende gemeenten.
In vele toonaarden is ons de afgelopen tijd gevraagd elkaar als hervormd gereformeerden vooral vast te houden. Met alle nadruk willen we ook hier zeggen, dat het ons diepste verlangen is, dat we elkaar, staande op de bodem van de Schrift en van de belijdenis, inderdaad vast mogen houden. Gezien alles wat ik tot nu toe heb gezegd voeg ik toe: met het oog op de heelheid van de gemeente, met het oog op de voortgang van de verkondiging van het Evangelie der Verzoening, met het oog op heel de kerk en heel het volk, met het oog op de jongeren. De moeilijke vraag is: waar zullen we elkaar vast houden, binnen of buiten. We hebben als hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond gezegd, dat we de kerk niet kunnen prijs geven aan diegenen, die er qua belijdenis geen recht op hebben. Hoedemaker sprak in de vorige eeuw heel scherp over gemis aan gemeenschap met hen, 'wien men het recht van bestaan in de kerk zou moeten betwisten', zonder dat hij de kerkelijke gemeenschap kon en wilde verbreken.
We zullen staan voor het recht van de hervormde gezindheid, dat is de gereformeerde belijdenis. Dat behoeft hier verder geen herhaling. Hier verschillen echter visies onder ons als het gaat om de plaats, waar we dat beogen. Daarover zijn we nog niet uitgesproken. Daarover moet het gesprek verder gaan.
Ons is nu op de laatstgehouden vergadering van de hervormde synode ruimte gegeven om tot een nadere invulling te komen van de door ons voorgestane positie. Na deze beslissing zijn hoge woorden gesproken. 'Rehoboth' hebben we zelf gezegd: 'De Heere heeft ruimte gemaakt.' Dat hebben we gezegd, ook al wisten we, dat het synodebesluit werd genomen binnen het kader van de voortgaande weg naar een verenigde kerk. Eén van de indieners van de motie, ds. J. de Visser, ondertekende enkele dagen later zelfs een smeekschrift van 111 jonge predikanten, waarin werd aangedrongen op snellere voortgang op de weg naar eenheid.
Het synodebesluit was daarom zoveel als een appèl op de hervormd gereformeerden, op allen, die bezwaard zijn aangaande de weg, die de kerk gaat, om de gelederen te sluiten en samen te zoeken naar een begaanbare weg. Persoonlijk heb ik het synodebesluit ervaren als ontdekkend en appellerend op onze beweging; nopend tot verootmoediging, na alles wat zich in eigen kring heeft voorgedaan, na alle schuld, die we daarin ook op ons hebben geladen.
Gereformeerd
Waar blijven we in deze ontwikkelingen? In het blad Ecclesia van de 'Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge' betuigden ds. L. J. Geluk en dr. H. Klink in een gezamenlijke verklaring hun diepe dankbaarheid voor het besluit van de synode, niet alleen omdat de naam 'hervormd' weer tevoorschijn was gekomen - ook ik zeg hier dat dit ons verwonderen mag - maar ook vanwege het respijt, dat is gegeven. Intussen zeggen zij te hopen en te bidden, dat God het ons geve in deze tijd, waarin zoveel verandert, de mogelijkheid te vinden ons voort te bewegen 'in de weg van het belijden zoals dat al in 1951 onder woorden is gebracht.' Deze opmerking vraagt om verdere bezinning. 'In de weg van het belijden' staat hier voor 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen'. Eén en ander maal hebben we deze aanduiding onder kritiek gesteld, omdat gemeenschap toch niet betekende 'in overeenstemming met' of gebonden aan de belijdenis. Evenwel hebben we ook als hervormd gereformeerden onze eigen, aan de gereformeerde belijdenis gebonden weg kunnen gaan, omdat we deze formulering verstonden in de samenhang met Handelingen 2. We hebben daarbij echter ervaren, dat we de kerk als geheel niet echt, althans niet met effect op deze gereformeerde belijdenis konden aanspreken.
Toch ligt hier dunkt ons een uitweg, een weg die begaanbaar is. Mits goed verstaan willen ook wij gaan in de weg van het belijden, in de weg van de 'koinonia' van Handelingen 2. Wij willen ons daarbij, in het gereformeerde spoor van de Reformatie, echter slechts op de gereformeerde belijdenis aangesproken weten. Mag ik het heel pregnant als volgt formuleren? !
Wij zouden als gereformeerden, die in de traditie van de Reformatie willen staan, voor Gods Aangezicht - in vrezen en beven; dat wel - moeten beloven, en de kerk moeten zeggen niet méér maar ook niet minder te kunnen beloven, dat we de Schrift alleen begeren te gehoorzamen, in gebondenheid aan de gereformeerde belijdenis, en dat we dienovereenkomstig in de gemeenten ook zullen preken, spreken en handelen. Want waar het Woord is, is de kerk. Dat zeggen we niet als bonders of als belijdenisgetrouwen. We zeggen het als Christusbelijders, als Evangeliebelijders. Wij wensen niemand anders te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd en Zijn verzoenend lijden en sterven voor onze zonden te betuigen. We wensen niets anders te weten dan Zijn bloed, dat reinigt van alle zonden. Wij wensen dan ook alleen te buigen onder het juk van onze gezegende Heiland.
Daarom zullen we het Heilig Avondmaal uitsluitend bedienen naar Zijn instelling.
Daarom zullen we kinderen dopen op grond van en als teken van Gods genadeverbond en daarvoor geen andere gronden aanvaarden.
Daarom zullen we alleen huwelijken als levensverbintenissen bevestigen.
Wat de kerk ook moge formuleren, in geweten weten we ons slechts aan het Woord en aan de belijdenis gebonden. Dat vraagt - verlangen wij - verankering in de grondregels van de kerk. Daarbij blijven we zeggen, dat dit niet alleen heilzaam en nodig is voor een aantal gemeenten, die zich op deze belijdenis aangesproken weten, maar voor de hele kerk en voor het hele volk. Wij begeren immers geen kerkje in de kerk noch een geisoleerde positie!
Zouden we - God geve het - de geestelijke spankracht hebben om samen deze weg van het belijden te gaan en de gemeenten daarin samen te binden en zulke beloften gestand te doen?
Vervuld
Zijn we gereformeerd genoeg en hebben we geestelijke spankracht genoeg om deze weg te kunnen gaan? Dat vraagt het prijs geven van alle machtspretenties. Macht is hooi, zei Luther. We kunnen deze weg slechts gaan in de kracht van de Geest.
Dat vraagt geloof en hoop, gefundeerd in de Middelaar van het Verbond, die Zijn kerk draagt de geschiedenis door; in de gemeente, waar Woord en Geest samengaan. Hij heeft ons nog niet verlaten.
We hebben er geen recht op, dat God Zijn kerk hier in dit land laat voortbestaan. We hebben het er als hervormde gererormeerden ook niet naar gemaakt, dat Hij Zijn hand tot ons blijft wenden. Ik herinner aan het woord, dat Hosea sprak namens Zijn zender: Ik zal heengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf zullen schuldig kennen en Mijn Aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken'. Dat roept Hosea het volk toe (Hosea 5 : 15), nadat hij de vorsten en de priesters heeft bestraft in bewoordingen, die nauwelijks nog een weg open laten voor Gods terugkeer. Het werd gezegd toen Israel èn Juda samen in ballingschap verkeerden. God kan Zich verborgen houden. Echter: totdat! 'Ik zal belijdenis van Mijn overtredingen doen voor de Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde' (Psalm 32 : 5). Zo handelt God met Zijn verbondsvolk.
Hoedemaker zegt in zijn indrukwekkende boek 'Zonde en genade', een boek over de tijd van de Richteren:
'Om allerlei redenen houdt de Heere Zich soms op een afstand, of antwoordt Hij met een weigering, wanneer men tot Hem roept. Maar vooral geschiedt dit opdat het geloof gelegenheid hebbe zich te openbaren en bevestigd te worden. Het geloof vertrouwt op God, ook als Hij zwijgt en weigert, en houdt aan, ook als het roepen ten enenmale ijdel schijnt te zijn. Het spreekt: "al slaat Hij mij, nochtans zal ik op Hem hopen". Het geloof is gelijk de vlam, die de brandstof aanvat, waardoor het scheen te worden uitgeblust, en daarin nieuw voedsel vindt.'
Prachtig gezegd! De brandstof zelf blust het vuur soms uit maar wordt nieuw voedsel. Ook al 'onze' beginselen kunnen het vuur blussen. Hebben we ook in onze hervormd gereformeerde beweging, in de volle breedte, niet een hartgrondige vernieuwing nodig, in de weg van verootmoediging? Een spirituele revival, gevoed door de oude brandstof.
Pinksteren
We leven toe naar Pinksteren. Wat hebben we nodig, dat onze huizen en harten vervuld worden met de Geest, dat onze gemeenten en kerken vervuld worden met de Geest, dat onze liefde tot de kerk vervuld worde met de Heilige Geest, dat onze vormen vervuld worden met de Heilige Geest. Zo niet, dan resten hout, hooi en stoppelen.
In de weg van de vervulling met de Heilige Geest bloeit ook de gemeenschap op, wijken wantrouwen en vreesachtigheid naar elkaar toe. De apostelen waren allen eendrachtig bijeen, in de gemeenschap, in de breking van het brood en van de gebeden.
Rehoboth, de Heere heeft ruimte gemaakt. Wanneer de Geest die ruimte niet vult, zullen andere geesten die opvullen.
Waar blijven we? Waar komen we uit? Bij God. Ik sluit af met het gebed van Calvijn bij Hosea 6:
'Geef, almachtig God, daar wij niet ophouden door ontelbare zonden herhaaldelijk Uw toorn over ons op te wekken; geef dan dat wij althans handelbaar mogen zijn, wanneer Gij ons vermaant en op de goede weg terugbrengt, en dat wij bij de voortduur nauwkeurig acht slaan op de tuchtiging van Uw hand en niet de uiterste strengheid afwachten, maar tijdig tot bezinning komen; en voorts dat wij U waarlijk en van harte zoeken, geen vals berouw voorwenden, maar ons beijveren om ons geheel aan U toe te wijden, en dit door Jezus Christus, onze Heere. Amen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1998
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's