De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

8 minuten leestijd

BLAUWKAPEL-GROENEKAN (1)

De naam Maartensdijk, gevormd door dijk en (Sint) Maarten, hoort bij een gemeente gelegen tussen Utrecht en Hilversum. Het is een tamelijk uitgestrekte gemeente, bestaande uit vier kernen; het dorp Maartensdijk, Hollandse Rading, Westbroek-Achttienhoven en Groenekan.

De kern Groenekan heeft zich van een overwegend agrarisch dorp ontwikkeld tot een qua samenstelling heterogene gemeenschap, vooral door de vestiging van veel forensen.

Helaas is er weinig woningbouw geweest, zodat de gemeente vergrijst. Jonge gezinnen vestigen zich daarom vanwege de te hoge woningprijzen in Maartensdijk en niet in Groenekan.

De gemeente Maartensdijk heeft haar ontstaan te danken aan de ontginning van een groot veengebied ten noorden van de stad Utrecht. Deze ontginning moet zijn beslag hebben gekregen tussen de 13e en 16e eeuw. In het gebied rond Utrecht vestigden zich dan ook veenarbeiders en hierdoor zijn nederzettingen ontstaan, waaronder omstreeks 1400 Maartensdijk, toentertijd Oostveen geheten. Voordorp (Blauwkapel) moet de oudste nederzetting zijn geweest in dit gebied. Het bisdom Utrecht heeft in deze periode kerkjes en kapellen laten bouwen, al naar gelang de ontwikkeling van dit gebied.

Het is wel bijzonder dat het calvinistische Maartensdijk het voorvoegsel Sint is kwijtgeraakt, terwijl het zijn naam dankt aan de 'heilige' Sint Maarten en in Zeeland het dorpje Sint Maartensdijk bestaat waarvan de geschiedenis geen enkele verwantschap laat zien met voornoemde persoon. Sint Maarten, beschermheer van het Frankische Rijk en zo ook schutspatroon van Utrecht, stad en provincie. Hij stierf 1601 jaar geleden. Telkenmale rond 11 november de dag waaraan zijn naam verbonden is wordt dit feit feestelijk herdacht. Meest bekend is hij door het verhaal dat bij hij de poort van Amiens een naakte arme tegenkwam. Het was midden in de winter, die bijzonder streng was, zo streng dat velen van de bittere koude waren omgekomen. De bedelaar smeekte de voorbijgangers zich over hem te ontfermen, maar zij gingen allen de ongelukkige voorbij. Martinus begreep, dat, nu de anderen geen ontferming betoonden, deze arme voor hem was bedoeld. Maar wat kon hij doen? Hij had niets dan de mantel waarin hij gekleed was; de rest had hij al voor soortgelijk hulpbetoon verbruikt. Hij greep daarom het zwaard dat hij droeg, deelde zijn mantel doormidden en gaf het ene stuk aan de arme; wat overschoot trok hij weer aan. Later zag hij Christus in een gezicht bekleed met zijn halve mantel.

Kerkgebouw(en)

De kerkelijke gemeente Blauwkapel-Groenekan dankt haar naam aan het Blauwkapelse kerkje en het gehucht Groenekan. Waarschijnlijk komt de naam Groenekan van een herberg met een uithangbord dat gevormd werd door een groene kan. Inmiddels zijn er grenscorrecties geweest waardoor dit kerkje op Utrechts grondgebied staat. In het Jaarboekje van 'Oud-Utrecht' uit 1941 vinden we de volgende beschrijving van het kerkje naar de situatie van 1938.

Blauwkapel, een gehucht gelegen aan de noordkant van de stad Utrecht, daar waar de weg naar Hilversum zich met gevaarlijke bochten door het gelijknamige fort slingert. Weinigen weten dat dit plaatsje, bestaande uit enkele boerderijen en kleine woningen, zijn naam te danken heeft aan het door hoge bomen omringde kerkje, dat er nauwelijks in slaagt met zijn spitse toren de aandacht van de voorbijgangers op zijn bestaan te vestigen. Het fort Blauwkapel, dateert uit 1818 en 1869. Bij de aanleg van deze versterkingen heeft men indertijd de kapel gespaard, maar niet kunnen verhinderen, dat ze in een uithoek kwam te staan, verscholen achter de hoge wallen, terwijl ze voorheen haar plaats innam aan de weg van De Bilt naar het fort De Gagel. De dodenakker om het kerkje gelegen moest echter wel verdwijnen. Meer dan honderd jaar is het nu geleden, dat de inwoners van het dorp daar te ruste werden gelegd.

De kapel, hoe klein ook, is een volledige kruiskerk, maar het uitwendige toont aan ramen, deuren en profielen verminkingen en veranderingen. Binnen in de kapel kost het moeite de kruisvorm terug te vinden. Om het kerkje voor de protestantse eredienst bruikbaar te maken, was het noodzakelijk veel aan het interieur te veranderen. Het koor werd tot kleine vertrekken vertimmerd en door de orgelwand met de preekstoel van de kerk gescheiden. De dwarsbeuken zijn gevuld met vaste banken en tegen de torenwand is en soort van galerij aangebracht om het nodige aantal zitplaatsen te verkrijgen. Bij een nauwkeurige beschouwing echter komt men tot de conclusie dat haar aanbouw de uiterste zorg is besteed en dat het wellicht de moeite zou lonen haar oorsprong te ontdekken en haar geschiedenis na te vorsen.

Via een verwijzing naar het jaarboekje van 1891 geeft de heer C. A. de Kruyff blijk van de belangstelling en waardering voor Blauwkapel, dat voorheen de naam Voordorp droeg. Hij beschijft de geschiedenis van Voordorp en zijn omgeving, de bewoners en de 'Blauwe Kapel'. Het volgende blijkt: Door één van de bezitters werd in 1641 een geschrift aan de Gedeputeerde Staten van Utrecht gezonden, waaruit blijkt, dat de stichting van de kapel plaatsvond in het jaar 1451. Deze stichting geschiedde door de bezitter van het huis Veen, een ridderhofstad, wier bewoners dezelfde naam droegen. Het huis kwam in de 17e eeuw reeds in verval. De bouw van het fort deed de laatste resten verdwijnen. Veen is in 1429 een Hollandsch leen en als bewoner ten tijde van de stichting van de kapel wordt Gerijt Jansz. Veen genoemd. Uit de pachtbrief van 1408 in het archief van het Domkapittel blijkt, dat er toen reeds een kapel bestond, die in 1451 dus plaats heeft moeten maken voor de thans nog bestaande. De nieuwe kapel was groter en behalve als huiskapel deed zij ook dienst als kerk voor de bewoners van de omliggende boerderijen. De dienst werd gehouden door een geestelijke uit de Jacobikerk, daar de bevolking, die om en nabij het huis Veen woonde, onder de parochie van St. Jacob hoorde. In een beschrijving van de graven en wapenschilden in de Utrechtse kerken door van Buchel blijkt, dat verscheidene leden van de familie Veen in de bovengenoemde kerk begraven zijn. Toen in 1505 de bezitting overging op Dirck van Wijck, die door zijn moeder of grootmoeder aan de familie Veen geparenteerd was, kwam ook de kapel in handen van deze rijke en geziene Utrechtse familie. Omstreeks deze tijd bracht men veranderingen in de kapel aan, o.a. werd zijn voorzien van een houten tongewelf. Tot deze conclusie komt men, wanneer de fraai bewerkte houten kraagsteentjes in het koor aan een nader onderzoek worden onderworpen. Voorgesteld worden twee wapendragertjes, die de indruk geven de ribben van het gewelf te ondersteunen. Wapens van de Drakenborgchs en Van Wijck?

In de tweede helft van de 16e en eerste helft van de 17e eeuw heeft de kapel geen vaste bestemming gehad. De St. Jacob was aan de protestanten tot uitoefening van hun eredienst afgestaan. Zo nu en dan werd de kapel voor een godsdienstoefening van een of andere gezindte gebruikt, totdat in 1638, hoewel de kerk en de kerkelijke goederen nog particulier bezit waren, door de Gedeputeerde Staten het plan geopperd werd de kapel ten dienste van de protestanten te openen. De eigenaar, dr. Gilles van der Gal aan wie het goed Veen verkocht was door douarière Van Gent, vrouwe van Essensteyn, verzet zich hiertegen, maar is machteloos, zodat hij zich genoodzaakt ziet om het te laten voorkomen, alsof de afstand een gunst van hem geweest is. In 1640, dus pas twee jaar later, wordt overgegaan tot het benoemen van een vaste predikant. Zijn naam en die van zijn opvolgers vinden we op een houten bord, dat in de kerk in aangebracht. In 1641 weet de eigenaar in het bezit te komen van de sleutel van de kapel, door hem in letterlijke zin uit de handen van de kosteres te grissen, wanneer zij komt aansnellen als ze ziet, dat door een smid het slot van de deur met een breekijzer bewerkt wordt.

...'Ende hij van der Gal, voorleden dijnsdagh met een smith gecomen was; denwelcken de deure niet connende openen, met een voorhaemer en breeckijser hadden begonnen te breken: mitsgaders dat des voorlesers vrouwe hier overcomende presenteerde de deure te openen, hoewel het haer niet geoorlooft en was hem deselve te geven, als zij bevoorens hadde gepresenteert, welcke deure zij opende, hij van de Gal haer de sleutel met gewelt uyt de handt wrongh, segvende op haer roupen ende klaghen dat se hem toequam ende niemanden anders'... (Notulen van Gedeputeerde Staten van 11 juni 1641).

Van der Gal sluit de deur en de godsdienstige bijeenkomsten worden hierdoor belemmerd. Nadat deze zaak aan de Gedeputeerde Staten was voorgelegd, besluiten zij een nieuw slot te laten aanbrengen en ook de heer Van der Gal een sleutel ter hand te stellen. Als het op betalen aankomt, beschouwt men hem echter nog wel als eigenaar, want wanneer in 1674 door een geweldige orkaan ook de kapel beschadigd wordt, verzoeken ze hem ook om een toelage tot herstel. Door het overkappen van het kerkje met een tongewelf moest het dak verhoogd worden, hetgeen blijkt uit het feit, dat de nok van het dak uitkomt in een van de galmgaten van de toren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's