Gerechtvaardigd door het geloof (7)
Het zal ons allen bekend zijn dat het in de Heidelbergse Catechismus van zondag 7 tot zondag 23 gaat over het geloof. Van de zondagen 7 en 23 kan men zeggen dat wij daarin het begin en het sluitstuk van de behandeling van het geloof lezen.
Ik stel niet teveel als ik zeg dat men juist in deze zondagen de kerk van de Reformatie recht in het hart kijkt.
Het is de grote betekenis van de Reformatie uit de zestiende eeuw geweest dat door de arbeid van Luther de rechtvaardiging van de goddeloze ontdekt werd als de centrale boodschap van het Evangelie.
Luther zegt hiervan: 'Toen ik ontdekte dat het Evangelie haaks stond op mijn verdienste, ging het zonlicht voor mij op'.
Met andere woorden: Luther kwam er achter dat genade, genade alleen hem kon behouden. Geen enkel werk van hem, ook geen enkel goed werk, legde enig gewicht in de weegschaal van God. Alleen het lijden en sterven van Jezus Christus was aan het gewicht! Daarmee kon hij voor God bestaan.
Het geloof
Het komt wel voor dat men zondag 23 als de laatste trede van de trap van het geloof ziet. Er zou aan het rechtvaardig zijn voor God reeds heel veel zijn voorafgegaan. Ik zal niet ontkennen dat het nodig is dat wij leren geloven alles wat er in het Apostolicum (de twaalf artikelen) staat geschreven. Toch moet niemand van ons denken dat dit het een na het ander wordt geleerd.
De rechtvaardigmaking is een gave van God aan alle gelovigen. En zowel een beginnend geloof als een geloof dat verder op de weg is, kent de rechtvaardigmaking. De kennis daarvan zal echter groter zijn naarmate men groeit in het geloof. Al naar gelang de zekerheid van het geloof toeneemt, naar die mate zal men verstaan dat men rechtvaardig voor God is.
Een vraag: Waaruit bestaat het geloof? Het is een zich toe-eigenen van alles wat God in Zijn Woord beloofd heeft. Het geloof is werkzaam. Het wordt door de Heilige Geest in ons hart ontstoken. Maar let wel: het wordt ook door de Heilige Geest onderhouden. Nooit of te nimmer kan de Persoon van God de Heilige Geest gemist worden.
Steeds opnieuw laat de Heilige Geest ons in het geloof zeggen: 'Ik zal mijn hand op Jezus leggen. Amen op Zijn offer zeggen.' Wanneer dit in het geloof gezegd wordt, wordt tegelijkertijd toegeëigend wat van Jezus Christus is. Al de beloften Gods. En van al de beloften Gods lezen wij dat zij in Jezus Christus ja en amen zijn Gode tot heerlijkheid, door ons.
Bij dit alles moet ik nog een opmerking maken. In het pastoraat heb ik wel jongeren en ouderen ontmoet, die meenden dat de Heilige Geest voor hen geloofde. Niet zijzelf dus, maar God de Heilige Geest! Waar ik dit tegenkwam, heb ik meer dan eens gezegd, dat niet de Heilige Geest voor ons gelooft en wij in het geloven volstrekt passief (lijdelijk) zouden zijn. Neen, wij geloven zelf! Geloven is een actieve bezigheid van ons, maar die actieve bezigheid wordt gewerkt in ons leven door de Heilige Geest. Nogmaals wij geloven zelf, door de Heilige Geest. Ook in het geloven zijn wij geen stokken en blokken.
Het geloof geeft
Het bezit van het geloof is uitermate belangrijk. Men heeft daar wat aan. Het is niet voor het hart alleen, maar ook voor het hoofd.
Natuurlijk, het geloof is belangrijk voor de binnenkamer, maar het heeft niet minder consequenties voor het dagelijks leven.
Van het geloof is Christus het middelpunt. Terecht heeft ooit een A. Kuyper gezegd dat Christus als Koning het op alle terreinen van het leven voor het zeggen heeft. Hij is immers de Kurios, de Heere die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. Dat wil onder andere zeggen dat Hij het voor het zeggen heeft in het huwelijk, in het gezin, in de gemeente, in de politiek, maar ook op het terrein van de economie. Juist omdat Christus de inhoud van het geloof is, heeft Hij het overal voor het zeggen.
Als zodanig profileert het geloof zich. Het kruipt niet weg met een 'boekje in een hoekje', hoe nuttig en noodzakelijk dit op zijn tijd is, maar het is actief op die terreinen van het leven waar men als gelovige wordt geroepen.
Wellicht is het niet verkeerd om hierop enige nadruk te leggen. Met name in onze tijd, die zich kenmerkt door een grote afval van God en Zijn dienst, bestaat het gevaar dat men zich als gelovige terugtrekt uit deze boze wereld. Blijkbaar denkt men: er is aan deze wereld toch niets te doen.
Echter... nergens lezen wij in de Schrift dat gelovigen zich hebben teruggetrokken c.q. zich hebben verschanst achter hoog opgetrokken muren.
Ondanks alle bedreiging en alle gevaren, gaven de eerste christenen rekenschap van de hoop die in hen gevonden werd. Van 'gettoïsering' was er onder hen geen sprake. Maar - zo vraagt iemand - kan er dan geen tijd komen dat men zich moet terugtrekken? Die tijd kan er zijn, maar dat is dan wel een tijd die door God zelf bepaald wordt. Zolang dat tijdstip niet is aangebroken, moet een gelovige ijverig bezig zijn op de plaats die de Heere hem heeft gegeven.
Met dit alles ontken ik niet, dat de tijd waarin wij leven bepaald niet gemakkelijk is, maar als wij de Schrift nauwgezet lezen en de kerkgeschiedenis nagaan, zal het ons duidelijk zijn, dat de tijden van weleer soms ook heel erg zwaar waren. Wij moeten daarom niet al te zeer zien op de tijd noch op de omstandigheden, maar vooral moeten wij opzien tot Hem Die heeft gezegd: 'Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van deze wereld.' Is dat niet te optimistisch gesteld? Neen, dat niet. Het geloof mag optimistisch zijn. Het heeft een God die sterker is dan alle geweld!
Rechtvaardig voor God
Het geloof geeft veel, zo stelde ik hierboven. Nu schrijf ik: het geloof geeft alles. De bate van het geloof is dat ik rechtvaardig ben voor God.
Wij moeten niet gering denken over het rechtvaardig zijn. Ja, en hier heb ik het dan over het rechtvaardig zijn voor God.
Bedoeld is dus niet: het rechtvaardig zijn in eigen oog. Ook niet dat men recht denkt of recht handelt. Dat wordt wel eens gedacht. Maar... de Bijbel zegt iets anders over ons. Ik lees onder andere in Romeinen 3 dat er niemand rechtvaardig is. Zelfs niet tot één toe.
Rechtvaardig voor God wil ook niet zeggen dat iemand rechtvaardig is in de ogen van de mensen.
Het gebeurt wel dat wij van mensen zeggen dat zij volkomen integer zijn of rechtschapen. Soms komt het voor dat er wordt gezegd dat er op die of die niets aan te merken is. Hij of zij is rechtvaardig! Wie echter is een rechtvaardige? Wie is zonder enige zonde? Moet zelfs niet van de allerheiligste gezegd worden dat hij een zondaar, een nietig zondaar is. Blijft het gebed van een kind Gods niet gedurende zijn gehele leven: 'O God, wees mij, de zondaar, genadig.
Ik denk een ogenblik aan H. F. Kohlbrugge. Als er een heeft benadrukt dat wij maar nooit moeten vergeten dat wij zondaar zijn, dan is hij het wel geweest. Van hem zijn de gevleugelde woorden dat God bezig was hem te bekeren. En dat de Heere dit zou blijven doen tot aan het einde van zijn leven.
Rechtvaardig in eigen oog of in dat van een ander heeft weinig of geen waarde. Alle waarde heeft het daarentegen als wij door het geloof mogen weten dat wij rechtvaardig zijn voor God.
Het is het belangrijkste in ons leven dat wij belijden dat wij in Christus rechtvaardig zijn voor God.
Alleen in Christus! In niets van ons! Nogmaals: alleen in de Zoon des Vaders. Hij heeft alle gerechtigheid verworven. Hij heeft genoegdoening geschonken aan het recht van God. Hij is er zelf de krochten van de Godverlatenheid voor ingedaald. Om die reden mag door het geloof gezegd: 'Hij is de Heere, onze gerechtigheid'. Zijn gerechtigheid laat mij rechtaardig voor God zijn.
Helemaal niets van ons?
Het rechtvaardig zijn voor God, houdt dat dit in dat er helemaal niets van ons bijkomt?
Laten wij wel zijn: Wie wij ook zijn, maar wij willen er graag van onze kant iets aan toevoegen.
Met name in de confrontatie met Gods wet, zal men zich inspannen om het met God goed te maken.
Het werken zit in ons aller hart. Het was daarom Luther die zei dat er in het hart van ons allen een 'paap' woonde. Hij wilde daarmee zeggen dat ieder mens, ook al is hij gereformeerd of reformatorisch, graag iets doet voor het verwerven van het heil. Onze verdiensten moeten als het ware meetellen.
Ik schreef het al eerder: er komt niets van ons bij. Ook al gingen wij naar het land van de morgen, maar het oosten zou het ons niet geven. Zelfs al gingen wij naar het westen, maar het land van de avond zou het ons niet brengen.
Onze hand bewerkt het rechtvaardig zijn voor God niet, evenmin als de voet. Het is alleen Jezus Christus, het geloof in Hem, Die ons rechtvaardig voor God doet zijn. Zoals een lied zegt: 'Niets, O Jezus dan uw bloed, wast en reinigt mijn gemoed.' Jezus Christus heeft als de Onschuldige de schuld en de straf op de zonde gedragen. Dat heeft Hij gedaan uit liefde tot zondaren. Zijn hart is uitgegaan naar goddelozen. Niet naar hervormden, noch naar gereformeerden, ook niet naar reformatorischen. Neen, alleen naar goddelozen. Want de Heere rechtvaardigt goddelozen door het geloof om niet. Wie nu maar een goddeloze wil zijn, kan alles in het geloof geschonken krijgen. Want de Heere schenkt alles aan goddelozen. Soli Deo Gloria! (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1998
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's