De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

H. J. Heering, Wat heeft de filosofïe met God te maken? , Uitg. Meinema, Zoetermeer 1998, 168 blz., ƒ 32, 50.

De schrijver van dit boek was hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Inmiddels is hij ver in de tachtig. Het is dan ook best bijzonder dat hij nog altijd in staat is een boek als het onderhavige te schrijven, waarbij hij niet slechts put uit oudere vakkennis, maar ook recente literatuur en ontwikkelingen verwerkt.

Het boek bestaat in feite uit twee delen. Eerst tekent Heering hink-stap-sprongsgewijs hoe God en geloof in de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte steeds verder uit het beeld verdwenen zijn. Met name de periodes van Renaissance en Verlichting spelen hierbij een beslissende rol. Aardig is dat de schrijver telkens op de linkerbladzijde belangrijke teksten van de besproken denkers af laat drukken, zodat de lezer de atmosfeer om hen heen kan proeven. In een tweede ronde probeert Heering vervolgens toe te werken naar een eigen antwoord op de vraag van de titel. Aan de hand van denkers als Pascal, Schleiermacher en Wittgenstein laat hij zien dat er méér tussen hemel en aarde is dan wat rationeelwetenschappelijk verklaarbaar is. Het gaat dan om wat het kostbaarste en belangrijkste is in ons leven: de gerechtigheid, de schoonheid, de liefde - maar ook het geloof! En een open, écht redelijke filosofie zal ook met al die dingen rekening willen houden (156). De wetenschappelijke rede, waar veel filosofie zo door geobsedeerd is, is nu eenmaal niet in staat om onze diepste levensvragen te beantwoorden.

Prof. Heering verzet zich dus enerzijds tegen hen die zeggen dat de filosofie niets met God te maken heeft. Anderzijds voelt hij zich ook niet thuis bij diegenen die van mening zijn dat God en de filosofie alles met elkaar te maken hebben. Weliswaar noemt hij de calvinistische wijsbegeerte, volgens welke Gods openbaring aan alle wijsgerig denken vooraf dient te gaan, een 'fascinerende visie' (144). Toch rekent hij haar eerder tot de theologie dan de filosofie - een zienswijze waar de voormannen van de reformatorische wijsbegeerte zich altijd krachtig tegen verzet hebben. Bij Heering hangt deze zienswijze samen met het feit dat hij van tijd tot tijd terugvalt op het oude plaatje van de Verlichting: de theologie vertrekt vanuit het (onbewijsbare) geloof, de filosofie vanuit de neutrale en objectieve rede. Merkwaardig is dan dat Heering op andere plaatsen weer laat zien te beseffen dat het zo simpel niet meer ligt, nu de rede in onze postmoderne tijd veel van haar gezag verloren heeft. We zien nu dat de rede bepaald niet zo neutraal en objectief is, maar dat zich 'achter elk wijsgerig systeem een grondvraag, een (verder niet redelijk bewezen) levensbeschouwing' bevindt, bijvoorbeeld 'een fundamenteel vertrouwen in waarneming en verstand' (163). Dat zijn interessante geluiden vanuit het Leidse, die intussen nog op gespannen voet staan met wat verder gezegd wordt. Want dat wekt toch weer de indruk dat de rede principieel van een andere (hogere) orde is dan het geloof

Jammer is ook dat Heering in zijn beantwoording van de titelvraag geheel voorbijgaat aan de opleving van de christelijke Wijsbegeerte in de Angelsaksische wereld, met name aan Amerikaanse universiteiten. Christen-filosofen als Alvin Plantinga en vele anderen komen de schaamte voorbij en tonen een nieuwe beslistheid in de doordenking van wijsgerige vraagstukken vanuit hun geloof in God. Bij hen vindt men ook een belangrijke herwaardering van het middeleeuwse denken. De gedachte dat Kant het laatste woord gesproken heeft over de middeleeuwse 'Godsbewijzen' (41) is inmiddels wel achterhaald.

Heering zelf gaat tastend en zoekend zijn weg als het gaat om de plaats die vanuit de filosofie mogelijk nog aan God gegeven kan worden. In de lijn van C. A. van Peursen, aan wie hij dit boek opdraagt, spreekt hij over God als de 'verborgen Aanwezige'. In dat kader maakt hij intussen rake en boeiende opmerkingen, die de moeite van het overdenken volop waard zijn. Ik sluit af met één ervan te citeren: 'Eerlijk gezegd "ervaar" ik van God niet zoveel. Geloof is méér dan ervaring. Het is trouw en dienstbaar en vol vertrouwen zijn ten opzichte van Hem die ik heb mogen ontdekken. Verstand en wil komen bij dit geloof evenzeer te pas als het hart. Samen vormen zij op de lange duur de ervaring, die niet momenteel en incidenteel, maar existentieel is, van wat de Bijbel noemt het 'wandelen met God' (151v.). Dat kunnen we in onze tijd, met z'n grote hang naar geestelijke ervaringen, alleen maar beamen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's