De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het kennen van God (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het kennen van God (4)

5 minuten leestijd

De kennis van God

In zijn onvolprezen boek 'De Institutie' begint Calvijn in het allereerste hoofdstuk op te merken: 'Nagenoeg de gehele hoofdinhoud van onze wijsheid... bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf'. Daarbij merkt hij op dat het niet gemakkelijk is te onderscheiden welke van beide aan de andere voorafgaat, zo nauw zijn ze aan elkaar verbonden. Maar hij geeft aan de eerste, de ware Godskennis, de voorrang. Want toch staat het vast dat een mens nooit tot een zuivere kennis van zichzelf geraakt, tenzij dat hij eerst het aangezicht van God heeft aanschouwd! Onze diepgevallen jammerlijke staat noodzaakt ons ertoe onze ogen opwaarts te heffen om ware ootmoed te leren.

Het is ook opmerkelijk dat Gods tegenwoordigheid op veel plaatsen in de Schrift de heiligen met huivering en ontzetting vervult. De majesteit Gods verwekt altijd diepe eerbied. Een van de eerste dingen die in het kennen van God geleerd wordt, is dat Hij de Heilige God is. Abram, de eerste aartsvader belijdt dat hij stof en as is. Hij heeft zich onderwonden, hij durfde het aan om tot God te naderen (Gen. 18 ; 27). Elia kon niet met onomwonden aangezicht de nadering van God afwachten, zoals blijkt uit 1 Kon. 19 : 13. En als de heilige engelen al hun aangezicht bedekken, zie Jes. 6 : 2, zouden wij dan onvervaard Hem kunnen ontmoeten?

De inhoud van de Godskennis

Het zal duidelijk zijn dat wij bij het kennen van God niet er aan moeten denken Hem te kunnen begrijpen. Hem 'in kaart te kunnen brengen'. Al zouden we alle eigenschappen van de Heere, die ons in de Schrift worden weergegeven, netjes op een rij zetten, dan zouden we daarmee God nog niet kennen. Bij de Godskennis gaat het om het weten met hoofd en hart van wat we moeten weten omtrent Hem om Hem te kunnen eren en te dienen. Calvijn beklemtoont dat het bij de ware kennis van God gaat om een tweevoudige kennis van Hem, en wel van Hem als de Schepper van alle dingen, Die ook de rechtvaardige Rechter is en als de Verlosser in het aanschijn van Zijn Zoon, Jezus Christus. Vervult de eerste met diep ontzag en heilige vrees, de tweede geeft blijdschap en vertrouwen in het hart. Voortdurend hebben we er moeite mee te bedenken, dat het niet gaat om intellectuele, begripsmatige kennis maar om een hartelijke, bevindelijke kennis van de Heere en Zijn werken.

Weliswaar werkt God door Zijn Woord en Geest niet buiten het verstand om, maar het wordt verlicht, maar het is het hart, waarin die kennis ontvangen wordt door Goddelijke openbaring. Wij zijn van nature vervreemd van God en van Goddelijke zaken. Werd dat ook nood bij ons? Want de Heere heeft betuigd dat 'de oprechten het licht opgaat in de duisternis'. Zo vaak werd dat vervuld in de worstelingen van een gemeentelid, een ambtsdrager, een predikant, om tot kennis der waarheid te mogen komen.

Ingeschapen Godskennis

Er komt geen mens ter wereld, of er is iets van besef van de Godheid in hem. Daar heeft de grote Schepper Zelf voor gezorgd. Reeds de bekende Romeinse geschiedschrijver Cicero zegt dat 'er geen natie zo barbaars of geen volksstam zo verwilderd is, of de overtuiging is er op de een of andere manier dat er een God is'. Vandaar ook allerlei vormen van Gods-of godenverering bij alle volken. De afgoderij is daarvan, volgens de Geneefse hervormer, een duidelijk bewijs. De godsdienst is niet door zekere lieden bedacht om het volk onder de duim en in de hand te houden, maar er is in elk mens een onuitroeibaar besef van God, dat nooit kan vernietigd worden. Een andere Romeinse auteur uit de oudheid, Plutarchus laat weten, dat als de mensen uit hun leven de godsdienst verwijderd zien niet alleen niet uitsteken boven het onnozele vee, maar in velerlei opzicht zelfs nog ongelukkiger zijn dan dat. De ingeschapen Godskennis is het die een mens van een beest onderscheidt.

Deze ingeschapen kennis van God ging echter teloor of liever gezegd is totaal bedorven geraakt door onwetendheid en zonde, vanwege de diepe val van de mens van God af. Velen verstikken de kiemen van de Godskennis door kortweg deze te ontkennen of deze te laten overwoekeren door een in-slecht leven. Anderen pogen deze te vertalen door zelf een godsdienst op te richten die klinkklare afgoderij is.

Daarom is er ook een Godswonder nodig wil de mens tot ware kennis van God komen. Deze wordt alleen verkregen uit en door de Schrift onder de leiding van de Heilige Geest. Wanneer een mens opnieuw geboren wordt, gaat de Schrift op bijzondere wijze spreken, ontdekken, onderwijzen, vermanen, de weg wijzen, vertroosten.

Het eenvoudige volk zei dan wel eens: 'Weet je wat er dan gebeuren gaat? Dan gaan wij niet het Woord lezen, maar het Woord gaat ons lezen. Wat uitgedrukt staat in de Schrift, wordt overgedrukt in je hart'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het kennen van God (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's