Drie kleine vossen (4)
Tot nu toe verliep onze reis langs twee halten. Vooreerst het mysticisme, daarna het intellectualisme. Een derde halte is het moralisme. Legt het mysticisme eenzijdig alle nadruk op het gevoel, het intellectualisme op het verstand, het moralisme laat de klemtoon bovenal vallen op de wil. Met een weinig nadenken wordt het voor de lezer duidelijk, dat het moralisme eenzijdig de nadruk legt op het koninklijk ambt van de christen. Ons leerboek formuleert het zo: dat ik met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijd en hierna in eeuwigheid met Hem over alle schepselen zal heersen.
De christen is ook koning. Het koninklijke heeft betrekking op heden en toekomst. In het heden valt de nadruk op de strijd tegen de zonde en de duivel. Dat zijn twee grote vijanden, die niet onderschat moeten worden, maar serieus genomen. Welnu, de moralist is de mens, die strijden wil met de daad, want het zijn de mensen van de daad. Zij stellen het leven boven, zelfs los van de leer. De omschrijving van het moralisme komt daarmee precies overeen. Het moralisme leert, dat het zedelijk leven de uiting is van 's mensen natuurlijke vermogens, niet van een bovennatuurlijke gave Gods, het geloof.
Het zal ons duidelijk zijn, dat de moralisten zich zelf wijd en ver overschatten. Met natuurlijke krachten te strijden tegen de zonde en de duivel - wat een grootheidswaan! In plaats nu van het eigen onvermogen in te leven en tot de Heere de toevlucht te nemen, gaan de moralisten daar ver boven uit. Hier blijkt meer dan ergens anders hoe een verkeerd accent op een bepaalde waarheid alles in wanorde brengt. Het is zeer zeker waar, dat een christenmens strijden moet. En dat geschiedt ook door de wil. En als wij strijden, dan moeten wij niet alleen verdedigend te werk gaan. Neen, wij moeten ook aanvallend optreden. De wereld moet het zien, dat Gods volk er is. De wereld mag niet met rust gelaten worden. Daarom hebben wij, ook persoonlijk, een roeping tot zending en evangelisatie, om te getuigen van Christus. En dan hebben wij te strijden de strijd tegen onze eigen zonden. In die strijd mogen wij niet onderliggen, maar moeten wij sterke weerstand bieden.
Maar hier nu gaat de moralist over de schreef. De christen doet het in Christus' kracht. De moralist vertrouwt op eigen kracht. Daarom behoort hij al spoedig tot de volmaaktheidsdrijvers, de perfectionisten. Het loopt hier aldoor uit op een vrijere levensopvatting en op een eigen moraal, los van Gods Woord. Weet u, de heiligmaking kan nooit losgemaakt worden van de rechtvaardigmaking. Ook onze goede werken moeten geschieden uit het geloof, naar de wet des Heeren en tot Gods eer. Maar ach, dat vinden de moralisten toch wel een toon te zwaar en te naar. Zij zeggen: de mens moet toch ook wat doen!
En weet u, waarom het moralisme nu zulk een invloed heeft? Dat heeft een bijzondere oorzaak. Het koninklijk ambt is de spits en het doel van de andere ambten. In dat ambt bloeien de twee andere samen open. Het wilsleven van de mens openbaart de intentie van de mens. Een mens zonder wil is als het ware een weekdier. Maar gevoel en verstand treden samen in de wil naar voren. Juist het wilsleven van de mens stempelt hem als een persoonlijkheid. Een mens met een zwakke wil blijft een vaagheid, een nevelachtig wezen. Daarentegen mensen met een uitgesproken wil worden al dra heersers en bazen. Het zijn de wilstypen. U vindt ze in de wereldgeschiedenis bij Napoleon, Stalin en Hitler. Ze leggen een gehele wereld hun wil op, ten koste van alles en een ieder. Dat loopt immer uit op zweet, bloed en tranen. Zij schuwen geen enkel middel om hun wil te doen zegevieren. Zij gaan zelfs moorden plegen. Weliswaar onder een schone schijn van wereldvemieuwing en idealisme. Maar gevoel en verstand moeten onder hun harde hand wijken. Het zijn de torenbouwers van Babel. Ge kunt ze door heel de wereldhistorie vinden. Wij noemden reeds enkele grote mannen. Bij het uiterste moralisme treedt op het denkbeeld van een machtige staat, 't Is de kiem der grote wereldmacht, die later in het oppermachtige Babel haar adelaarswieken breed zal uitslaan. Niet wat God heeft geboden, maar wat de mensen denken en willen, zal geschieden.
Uiteraard gaat het moralisme op kerkelijk terrein niet zover. Het blijft daar op bescheidener wegen. Maar het dwangmatige is daar toch zeer zeker ook te vinden. Sommigen hebben een neiging om op een gevoelige en rusteloze wijze het wild of wat zij voor wild houden achter de hielen te zitten. Dit is niet goed en dat is niet goed. Dit moet veranderd en dat. Ze merken veel kwaad in de gemeente en zij horen veel. Ze weten van alles en staan als het ware klaar om met het geweer te schieten. Maar zij verzuimen te zeer aan hun eigen geestelijk leven te arbeiden en ze werken ook niet bijzonder om de tere planten op Gods akker te verzorgen en de geestelijke wasdom te bevorderen. Doorgaans hebben de moralisten een zifterige, droge, dorre, geestloze uitpluizerigheid van geest.
In de kerkgeschiedenis geldt een man als Erasmus als een moralist. Het Evangelie is voor hem de verheven zedeleer, die wij vooral in de Bergrede vinden. Jezus is onze hoogste Leraar en Voorbeeld. In Hem is de volheid en voltooiing van al het ware en goede, dat reeds bij de heidenen te vinden is. Deze opvatting van het Evangelie deed hem met bittere spot over allerlei kerkelijke voorstellingen en inrichtingen spreken. Wie het boekje van hem over 'De lof der zotheid' kent, weet wat wij bedoelen. Na Erasmus zijn er velen geweest die op moralistische manier de gebreken der kerk aan de orde stelden. Zij zijn er gebleven tot op de huidige dag. Wij vrezen ook wel eens dat het moderne vak gemeenteopbouw wanhopige pogingen doet een vervallen gemeente op te krikken. Wat zijn er een beleidsplannen ontwikkeld zonder einde, en controlepogingen gedaan, dromen gedroomd... Het heeft tot nu toe weinig op niets geholpen.
Daarmee oordelen wij niet Gods water over Gods akker te moeten laten lopen. Er is ons een geweldige roeping voorgehouden. Een vos, die ontzaglijk veel schade aanricht en veel stichting beneemt, die er anders kan zijn is: onordelijkheid in de geestelijke dingen. In zoverre bestaat er dus een goed recht van moralisme. Maar het moralisme zoekt alle kracht uitsluitend in de eigen wil. En die wil is dood in zichzelf. Hoe heeft Bunyan het ook weer geschreven? Op een gegeven moment treedt daar de heer Wettisch op. Hij woont in het dorp Zedigheid. Hij heeft een zoon met de naam Beschaving. Christen dreigt door deze keurige heer op de verkeerde weg te worden geleid. Wereldwijsheid beveelt die heer Wettisch zeer aan en het dorp Zedigheid is een kostelijke woonplaats.
Niemand anders en niemand beter dan Luther heeft met al die dwalingen volledig gebroken. Hij heeft ze onderkend en aan de kaak gesteld. Tegenover het mysticisme, tegenover het intellectualisme en het moralisme heeft hij het ware medicijn geboden. Niet in de groezelige diepten van innerlijke ervaringen en visioenen ligt het heil. Evenmin in de kille klaarheid van het verstandelijk denken. Nog minder in de strakke banen van het zedelijke leven - Luther stelde tegenover alle wettische heiligheidsstreven de rechtvaardiging door het geloof alleen. Tegenover alle priesterheerschappij het enige en genoegzame gezag van de Heilige Schrift. Door hem mocht de kerk met een vernieuwd inzicht in de waarheid van nu af een nieuwe weg gaan. De drie kleine vossen heeft ook Luther al ontdekt. Zij zijn sedertdien nog niet uitgestorven. Het is een taai ras. De strijd tegen deze vossen gaat onverminderd door. Het is een strijd die zich in de enkeling en in de gemeente telkens zal moeten herhalen door de kracht van de Heilige Geest. Genade is het, wanneer wij mensen voor uitersten bewaard blijven. Wanneer wij het evenwicht en de harmonie bewaren. Het wordt voor ons hoe langer hoe meer een toetssteen. De Heilige Schrift met haar gehele boodschap wordt in de Heidelbergse Catechismus in drie stukken samengevat. Drie stukken - en wanneer u nu met één stuk op de loop gaat en daarmee gaat dwepen, terstond gaat er iets fout.
Kortom, er zijn gevaren die groot en dringend op de kerk en de gemeenten afkomen. Ze maken groot geschal en gedruis. Iedereen is er bevreesd voor. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat de stille gevaren minstens even groot zijn. Zij werken in de nacht. Deze vossen sluipen niet in roedels naar de wijngaard, maar alléén. Merkwaardigerwijs dat ook het mysticisme, het intellectualisme en het moralisme door eenzame denkers en geleerden werd gepropageerd. Weest derhalve op uw hoede, waakt om de druifjes te bewaren. Tenslotte is de Heere de Wachter over de wijngaard. Zo staat er immers geschreven: Ik, de Heere, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's