De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

F(lorijn) te S(cherpenzeel) schrijft in De Wachter Sions (Geref. Gemeenten in Nederland) over 'opschriften':

'Door uithangborden, gevelstenen en opschriften uit het verleden kan het leven en werken van een bevolking zichtbaar gemaakt worden. De manier bijvoorbeeld waarop men toen de eigen koopwaren aanprees, zegt natuurlijk wel wat over hoe men zichzelf beschouwde. Opvallend daarbij is het grote aantal opschriften dat wij nu vrij onbenullig zouden noemen maar dat destijds blijkbaar toch een zekere wervende werking heeft gehad.

Ook opvallend is het dat men vroeger voor zo'n opschrift regelmatig teruggreep op de Bijbel en dat dan niet in bespottende zin, zoals hedendaagse reclamemakers menen te moeten doen, maar meer om een al dan niet bekende waarheid nog eens onder de aandacht te brengen. Dat gebeurde natuurlijk in de kerkgebouwen, waar ergens op een raam te lezen was:

Toen Jozua Gods volk in Kanaan had geleid
Trok hij zijn schoenen uit, gelijk hem werd gezeid.
Veel min voegt ons de schoen der zonden aan te houwen
Als wij Gods heerlijkheid wensen aan te schouwen.

Naast kerken werden ook opschriften aangebracht in de gevelstenen van gewone huizen. Een huis draagt nog het volgende rijmpje:

Naar gunst van mensen
Moet men mee wensen
Maar aan Gods zegen
Is het al gelegen.

De opschriften hadden vaak met het werk te maken en soms koppelde men een bijbelse lering vast aan het beroep. Dat deed ook een zekere Sikke Joestens een paar honderd jaar geleden. Joestens was koetsier op een postwagen in Groningen en hij had het volgende gedichtje op zijn wagen laten aanbrengen:

Die wel de weg bespoort
En rijdt des Heeren wegen
Die rijdt blijmoedig voort;
God laat hem nooit verlegen.

Ook vissers, die het brood uit het water haalden, brachten op hun boten leringen aan. Op een kotter van een Marker visser, de MK 84 stond:

De zee geeft uit haar diepte
Ons broze lichaam spijs.
Gods Woord maakt uit haar schatten
De ziel voor eeuwig wijs.

Veel werd van opschriften voorzien, maar ze zijn vaak niet meer terug te vinden. In de handschriften van de dichter Jacobus Revius, een van de medewerkers aan de Statenvertaling, werden regels aangetroffen, die vervaardigd waren voor de schippers van Deventer. Het was de bedoeling dat ze in een gebrandschilderd glas in de Grote Kerk zouden worden aangebracht, maar het is niet bekend of dat ook werkelijk is gebeurd. En zo ja, of het nog bestaat. De bijschriften van Revius blijven de moeite wel waard, ze luiden als volgt:

Wij varen oost, wij varen west.
Die God betrouwen varen best.

Geen zee te hoog of klip te steil
Als God maar heeft een oog in 't zeil.'

                                                                                                                                              ...

In het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis troffen we een artikel van Jacob Sluis, getiteld 'De visie op het predikantschap van een achttiende-eeuwse predikant'. Het gaat over Frans Frederik Toickers (1697-1786) die een 'egodocument' schreef onder de titel 'Gedenkschrift van mijn geslagte van mijne geboorte en leeftijt'. Hieruit, naar zeggen van de auteur, de fraaiste passage, waarin de dominee eigen middelmatigheid komt te tekenen ('geen donderent talent'):

"k Ben wel niet ónder het getal van die Predikanten, die de grootste toevloet van Toehoorderen, of de grootste toejuichinge der menigte des volx hadden, maar ook ben ik niet veragt geweest in de Gemeente, maar doorgaans heb ik nog al tamelijk talrijke vergaderingen onder mijnen dienst en gehoor gehadt. 'k Dank er mijnen Godt voor, en ben wel te vrede met zijne wijze en goede bestellinge, dewijl ik daardoor bewaart ben gebleven, an de ene kante voor opgeblazentheid, waartoe mij de grote toejuichingen konden vervoert hebben; an de andere voor neerslagtigheid, waartoe mij de veragtinge des volx hadde kunnen nederwerpen. Hadde ik gene bequaamheid en door cierlijke welsprekendheid kittelagtige oren te strelen, of was mijne predikwijze niet talmagtig en geschikt na de smaak van die, welke zig den name van vrome of fijne noemen, en zig alleen voor Godts volk in de Gemeente houden. Ik ben my evenwel bewust, dat ik den weg Godts in de waarheit geleert, en my an Godts zuiver woort en an de formulieren van enigheit des geloofs in Nederlants Kerke gehouden hebbe. 'k Hadde wel geen donderent talent om verstokte zondaren te verschrikken, als wel andere van mijne mededienstknegten; maar veel meer geschikt om op ene bedaarde en redelijke wijze zondaars van de schandelijkheden en schadelijkheden van haar bestaan en gedrag te overreden; en bekommerde te bemoedigen en te troosten. Evenwel heb ik nooit dien toeleg gehadt om den arm des godtlozen te sterken, of te bedroeven dien Godt niet bedroeft wilde hebben. Mijn natuurlijk bestaan en temperament was wat al te beschroomt en vreesagtig, en daarom derfde ik in alle gevallen zo vrymoedig niet spreken, als wel andere; maar ben daarom ook dikwijls met een kloppent herte, en met vele beschuldiginge van sommige plaatsen en gemeenschappen terugge gekeert, als die mijn pligt niet wel betragt hadde: Niet dat ik my daarmede wil verschonen, neen, ik zegge dit tot mijne schaamte; en de Heere die goet is, doe verzoeninge over mijne zonde! Nogtans heb ik in eenvoudigheid mijns herten voor Godt opregt zoeken te wandelen, zo in het werk mijner bedieninge, als in mijne verkeringe onder de menschen. (...) 'k Was nederig en kleingevoelende van my zelven, en daarom mijn Amptgenoten uitnemender achtende als my zelven, de talenten die Godt in haar gelegt hadde waarderende, ofschoon ze ook van gevoelens die het fondament niet raakten van my verschilden.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1998

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1998

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's