De ambten en de gaven
Kerken evangelische beweging in relatie tot het onderwijs - slot
Het ambt van alle gelovigen
De evangelischen kennen vooral het ambt der gelovigen. Artikel 1. van de beginselverklaring van de Evangelische Alliantie luidt: 'Het priesterschap van alle gelovigen, die tezamen de universele gemeente vormen, het lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is.' Op zichzelf is dat niet verkeerd. Zondag 12 van de Heidelbergsche Catechismus, waarin het gaat over de naam 'christen', wijst ook op het ambt aller gelovigen. Bij Reformatorischen is het vaak alleen de dominee of zijn het de ambtsdragers die het (moeten) doen: we zijn een domineeskerk of een ambtsdragerskerk. Terwijl de gehele gemeente in het ambt der gelovigen ingeschakeld behoort te zijn. Het gebeurt ook langzamerhand, in de leiding van de zondagsschool of in het jeugdwerk. Hier en daar zijn ook bezoekbroeders en bezoekzusters. Of er is een damescomité. Laten docenten de jongeren bewust maken, dat ze, nu of later, ook ingeschakeld kunnen en mogen worden. ,
De ambten
Ik wil daarnaast echter vasthouden dat de orde van de ambtelijke inzettingen een orde is van de Heilige Geest. Bij Evangelischen is het ambt dikwijls een verbijzondering van het ambt aller gelovigen: het ambt komt, bijna democratisch, vanuit de gemeente op; er moet nu eenmaal een goede verdeling van het werk en van de functies zijn. Van hieruit is mijns inziens ook te verstaan dat de meeste Evangelischen geen bezwaar hebben tegen een vrouwelijke voorganger. Dat heeft niet zozeer met het Schriftgezag te maken, maar met hoe men aankijkt tegen het ambt. Reformatorischen zeggen niet dat het ambt een verbijzondering van het ambt aller gelovigen is of dat het opkomt vanuit de gemeente, maar dat het er is namens Christus. Daarbij mogen we best denken aan de drieslag, zoals de Reformatie die gesteld heeft: profeet (verkondiging, de dominee), priester (dienst, de diaken) en koning (regering, de ouderling).
Laten docenten aan de jongeren die lijnen laten zien. Niet verabsoluterend. Maar ook niet alsof het van geen waarde is. Het is goed om te bedenken wat de Ned. Geloofsbelijdenis in artikel 30 zegt, dat door de ambten 'alle dingen in de kerk wel en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen gekozen worden, die getrouw zijn, naar de regel die de Heilige Paulus daarvan geeft in de brief aan Timotheüs'.
De geestesgaven
Nadruk op het ambt aller gelovigen brengt ook tot aandacht voor de gaven van de Geest. Ik denk dat het goed is te onderkennen dat die gaven er zijn en dat de Heilige Schrift daarvan spreekt. In 1 Kor. 12 worden negen gaven genoemd en later nog eens acht. Paulus zegt in 1 Kor. 14: IJvert naar de geestelijke gaven. In Rom. 12 noemt Paulus zeven charismata, in Efeze 4 noemt hij vijf gaven. We kunnen dus niet zeggen, dat ze alleen voor de eerste christentijd waren. Onder andere Calvijn zei dat. Maar ik denk dat we dat niet kunnen nazeggen. Dan zouden ook andere Schriftgegevens, bijvoorbeeld die op de vrouw in het ambt betrekking hebben, naar de eerste christentijd verwezen kunnen worden. Ik denk dat we de gaven zelfs mogen (moeten) onderstrepen.
Mijn bezwaar tegen veel Evangelischen is dat men bepaalde gaven meer naar voren haalt dan andere gaven, bijvoorbeeld de Pinksterbeweging, die vooral de gaven der gezondmaking en van de tongentaal onderstreept. Paulus noemt in 1 Kor. 12 echter de tongentaal, met de uitleg daarvan, pas als laatste. En hij spreekt er in zijn andere brieven niet over. Mijns inziens is de tongentaal een psychologisch verklaarbaar gebeuren, waarvan, dat zeg ik ook, de Heilige Geest gebruik kan maken. We wijzen tongentaal niet af. Maar we moeten bedenken dat ze ook in andere religies voorkomt. Tongentaal kan zéker van de Heilige Geest zijn; het kan ook niét!
Vele gaven
Heel belangrijk acht ik dat het woord Charisma in de Heilige Schrift een veel bredere betekenis heeft: de genadegave van de verlossing door Christus (Rom. 5 : 15; 6 : 33), de gave van het ongehuwd zijn (1 Kor. 7 : 7), Gods verbond met Israël (Rom. 11 : 29), de gave van het dienen (diaconie, 1 Petr. 4 : 10). De Heilige Geest kan vele gaven geven: van creativiteit, van evangeliseren (Ik moet onder andere aan Henk Binnendijk denken), van inzicht in de tijd waarin we leven (Ik denk aan iemand als dr. W. Aalders), van soberheid, van zorg voor terminale patiënten (Zou dat voor onze tijd, waarin euthanasie steeds meer voorkomt, niet een bijzondere gave zijn? !), van zorg voor verstandelijk of lichamelijk gehandicapten, van opvang van verslaafden (Stichting De Hoop), van onderwijzen (een leraar aan de Middelbare school). Ik denk aan Evangelischen uit de geschiedenis: Wilberforce (afschaffing van de slavernij), Wesley (verbetering van het gevangeniswezen en strijd tegen prostitutie en dronkenschap), het Leger des Heils (sociaal werk) e.a. Als Paulus zegt: 'IJvert naar de beste gaven en ik wijs u een weg die nog uitnemender is' en dan, tussen 1 Kor. 12 en 14 in, de liefde (1 Korinthe 13) noemt, bedoelt hij niet, dat de liefde zelf de beste of hoogste gave is. Maar dat alle gaven gedragen dienen te zijn door de liefde. Misschien is het een van de taken van het Reformatorische onderwijs om jongeren de ogen te openen voor de scala van gaven die de Heilige Geest wil geven, misschien ook met het oog op de beroepskeuze van jongeren of op een taak die ze kunnen verrichten in de kerk en/of de samenleving.
Missionair
Evangelischen zijn sterk missionair. Ik noemde al de open samenkomsten. Bij ons zijn deze meer 'gesloten'. Evangelischen kennen vriendschapsevangelisatie of oikos (= huis)evangelisatie, dat wil zeggen: maak vrienden of zet uw huis open, om mensen in aanraking te brengen met het Evangelie. Daar gaat een geweldige werfkracht van uit. Ook wat dat betreft kennen Reformatorischen meer het gesloten gezinstype of huistype.
Bij Reformatorischen is geloof iets wat meer binnen de eigen kring beleefd wordt, een 'prive-aangelegenheid'. Dat geeft bij Reformatorischen ook een zeker dualisme: je kunt in de wereld een flinke zakenman zijn, modern in optima forma, terwijl je zondags, in de kerk, zeer behoudend bent. Die twee zaken worden door Reformatorischen dikwijls gescheiden. We moeten bedenken dat jongeren daar gauw doorheen prikken.
We moeten zelfs zeggen dat het missionaire niet iets is, wat Reformatorischen op het lijf geschreven staat. 'De bevindelijk Gereformeerden kenmerken zich in ons land niet door een sterke missionaire drang.' (C. S. L. Janse in 'Bewaar het Pand'). 'Kan een van de oorzaken daarvan zijn, dat de verkiezing allesbeheersend is? ' (C. Graafland).
Zending dichtbij
De zending kwam bij veel Reformatorischen vrij laat in het vizier. Veel Reformatorischen zijn inmiddels wel zendingsvrienden geworden als het om zending ver weg gaat. Maar niet om zending-dichtbij. Dan moet men zich vaak kwetsbaar opstellen, omdat zending-dichtbij om vormen vraagt waar de gemeente soms moeilijk aan toe is, of waar men geen zicht op heeft, of die spanningen kunnen geven. Het ligt ons niet zo, om zoals Paulus zegt, 'de joden een jood te zijn, en de Grieken een Griek' (1 Kor. 9 : 20v). 'Allen ben ik alles geworden', zegt Paulus, 'opdat ik enigen zou behouden.' Niet: sommigen ben ik iets geworden, opdat ik velen zou behouden. Dat zou meer onze lijn zijn. Maar: allen alles. Om enigen!
Reformatorische jongeren kunnen daar soms zeer teleurgesteld door raken en dan afhaken. Ook daarin heeft het Reformatorisch onderwijs een taak: om jongeren te bemoedigen en eventueel geduld te leren, en voorzichtig te leiden in de lijnen van de Schrift.
Verklaring
Evangelische gemeenten komen tegemoet aan de behoefte aan warmte en gemeenschap bij jongeren. Laten we daarop inspelen. Het onderwijs kan daarin een helpende hand en een wegwijzer zijn.
Evangelischen nopen ons tot zelfkritiek. Ze dwingen ons ons grondig rekenschap te geven van zaken als verbond, toe-eigening van het heil, zekerheid van het geloof, kerk, eredienst, sacramenten. Ook daarin kan het Reformatorisch onderwijs toerustend zijn. Niet polariserend, maar uitdiepend, vanuit de Heilige Schrift. Ze nopen ons ook tot zelfonderzoek of er bij ons geen verstarring, traditionalisme of tekort aan spiritualiteit en bijbels leven is.
We nemen goede nota van de gezamenlijke verklaring van Evangelischen en Reformatorischen in 1986 in Dalfsen:
- dat we elkaar in het verre en recente verleden te vaak hebben genegeerd, bekritiseerd en veronachtzaamd; daarvoor verootmoedigen we ons en we belijden dat als schuld.
- dat we onvoldoende gebruik hebben gemaakt van eikaars gaven en inzichten, terwijl wij op fundamentele aspecten van het christelijke geloof en leven met elkaar overeenstemmen.
- dat we tot wederzijdse verrijking en in de gezindheid van Christus zoeken naar onderlinge contacten van allerlei aard, zowel plaatselijk, regionaal als landelijk.
Broeders en zusters
In veel opzichten acht ik Evangelischen te behoren tot onze broeders en zusters. Daarbij heb ik de vrijheid om in de gezindheid van Christus te zeggen dat ik het op bepaalde wezenlijke of minder wezenlijke punten hartelijk oneens ben met mijn broeder of zuster. Daarbij acht ik zeer waardevol de uitspraak van Paulus: Sommigen prediken Christus door nijd en twist, sommigen ook door goedwilligheid, niet zuiver (...). Nochtans wordt Christus, hetzij onder een deksel, hetzij in de waarheid, verkondigd. En daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden (Fil. 1 : 15-18). Dat is een goed uitgangspunt ook om de jongeren op de verschillende scholen toe te rusten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's