Het Evangelie is Evangelie van de verzoening
H. Baarlink, Het evangelie van de verzoening uitg. Kok, Kampen 1998, 142 blz., ƒ 27, 50; J. Hoek, Verzoening, daar draait het om, uitg Boekencentrum, Zoetermeer, 115 blz., ƒ 21, 50.
Het opschrift boven dit artikel is ontleend aan één van de overwegingen waarmee dr. H. Baarlink zijn overzicht over de nieuwtestamentische gegevens inzake verzoening afsluit. Op blz. 137 lezen wij: 'Het Evangelie van Jezus Christus is Evangelie van de verzoening; dat geldt zowel voor de vertellende vorm van de Evangeliën als voor de meer argumenterende wijze in de apostolische brieven'. Wie de discussies van het laatste jaar gevolgd heeft rondom de publicatie van de Kamper hoogleraar Den Heyer zal niet veel moeite hebben te begrijpen waartegen zijn voorganger op de Kamper leerstoel zich richt. Baarlink verzet zich tegen de gedachte dat verzoening door het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus één van de aspecten is naast andere visies en dat de nieuwtestamentische gegevens een verwarrende en tegenstrijdige veelheid aan visies laten zien. Het veelvuldig getuigenis inzake de verzoening in de diverse delen in het Nieuwe Testament vormt geen tegenstelling tot het eenparig getuigenis aangaande de centrale plaats van Jezus' sterven voor ons. Dezelfde strekking ademt ook het boek van dr. J. Hoek dat hij eveneens in reactie op wat ik nu maar gemakshalve de kwestie-Den Heyer noem, schreef: Verzoening daar draait het om!
Diepgaand gesprek
Wat je ook van de discussie rondom Den Heyer kunt zeggen, positief is in ieder geval dat er in de kerk op allerlei wijze weer diepgaand gesproken wordt over een centraal thema van het christelijk geloof. De kerkelijke discussie wordt soms zozeer beheerst door de actualiteit van de dag, kerkpolitieke en strategische vragen, dat de bange vraag wel eens boven komt: Gaat het nog echt ergens over? Of bloedt het kerkelijk gesprek dood bij gebrek aan interesse om wat werkelijk tot de zaak van het Evangelie behoort?
Ik stem direct toe dat leven meer is dan gesprek en discussie. Leven uit de verzoening is oneindig belangrijker dan theologiseren over de verzoening. Maar de praktijk laat telkens weer zien dat beide dingen ook niet helemaal los van elkaar staan. Want de theologie en het leven hebben nu een keer veel met elkaar te maken en theologen verwoorden vaak wat onderhuids onder kerkmensen leeft. De respons die het boek van Den Heyer gekregen heeft, laat ook zien dat hij met zijn stellingname iets verwoordt wat kennelijk velen hoog zit. Men kan het daarmee eens zijn of niet, maar het feit blijft. En dat betekent dat we er pastoraal niet omheen kunnen er aandacht aan te geven. Want mensen stellen hun vragen niet zomaar. Het huidig moderne of postmoderne denkklimaat waar het boek van Den Heyer een exponent van is zit kennelijk in de lucht. En dat stelt elke prediker voor de opgave: hoe vertolk ik het bijbels getuigenis zo, dat het landt in de levenswerkelijkheid van mensen? Bovendien staan we juist als mensen die de gereformeerde belijdenis liefhebben voor de uitdaging om met dat belijden midden onder de mensen te gaan staan.
Zelfonderzoek
De vraag laat zich bovendien ook niet onderdrukken of daar waar de klassieke belijdenis hoog in het vaandel staat, er nu ook echt uit het belijden geleefd wordt. Om eerlijk te zijn, ik kan me niet altijd aan de indruk onttrekken dat centrale noties als verzoening en rechtvaardiging in theorie en binnen het geloofssysteem verdedigd worden, maar niet altijd een geloofswerkelijkheid vormen die onder ons helder en existentieel doorklinkt in de prediking. De Utrechtse kerkelijke hoogleraar F. G. Immink schreef onlangs in Theologia Reformata: 'Als ik op grond van het beluisteren van preken, een typering zou moeten geven van het "midden van de Bond" dan komen mij de volgende trefwoorden te binnen: gemoedelijk en vooral moraliserend'. Als deze typering juist is, is te vrezen dat we op den duur weinig verweer hébben tegen de geest die uit een boekje als van Den Heyer spreekt. Anders gezegd: de discussie rond zijn boek roept ook ons als gereformeerd-hervormden tot zelfonderzoek. We kunnen niet zeggen: het gaat over anderen. Nee, we zijn zelf in het geding.
Hulp
Daarom vraag ik graag uw aandacht voor de publicaties van Hoek en Baarlink die ons helpen bij de bezinning op de prediking van de verzoening. Naast de artikelen in Kontekstueel, Theologia Reformata en de krant die de Bond heeft uitgegeven naar aanleiding van de Kerkendag in Kampen kunnen deze beide boekjes goede diensten bewijzen voor gesprek en beraad rondom de prediking.
Beide auteurs hebben ieder hun eigen manier van aanpak. Hoek behandelt als theoloog en pastor naast de bijbelse gegevens ook enkele facetten van de theologiegeschiedenis en gaat verder uitvoerig in op de vragen die met name vanuit de oecumene (Graz, Kampen) op ons bord worden neergelegd aangaande het leven uit de verzoening in de verschillende verbanden waarin we staan, zoals de vragen rond straf en vergeving in het pastoraat en de ethiek.
Baarlink is in zijn boek typisch de vakexegeet die de lezer meeneemt op een verkenningstocht langs de verschillende nieuwtestamentische geschriften en voortdurend de vraag stelt: wat zeggen de teksten? Maar bij alle verschil in opzet en uitwerking is de toonzetting hetzelfde: de Bijbel is niet onduidelijk als het gaat om de bevrijdende betekenis van het sterven van Christus voor ons als de weg waarin God verzoening schenkt en bewerkt. En de Bijbel is evenmin onduidelijk daarin dat met God verzoende mensen streven naar verzoening, met andere woorden dat dit gesprek nooit kan en mag verleiden tot goedkope genade.
Uitlegmethoden
Wie zo schrijft, roept dan altijd weer de verdenking op te schrijven vanuit een uitlegkundige visie die sinds het opkomen van de moderne bijbelwetenschap niet meer houdbaar is en te werken met verouderde methoden van uitleg. Dat verwijt is op Baarlink evenwel niet van toepassing. Hij maakt gebruik van de methoden van het moderne bijbelonderzoek, maar is daarbij kritischer dan vele historisch-kritische exegeten, omdat hij de vooronderstellingen van dit onderzoek die vaak meer te maken hebben met het uitgangspunt van de exegeet dan met een eerlijk luisteren naar de Bijbel, kritisch onder de loep neemt.
Zo weet ook Baarlink van de rol die de eerste gemeente gespeeld heeft in de verzameling, rangschikking en doorvertelling van de overgeleverde berichten over Jezus, Zijn woorden en daden. Maar de theorie van de creatieve gemeente die haar eigen Jezusbeeld ontworpen zou hebben, berust zijns inziens op een fabel. De gemeente had iets bewarends, in de letterlijke en positieve zin van het woord iets conservatiefs. Zij heeft getrouw doorgegeven wat zij ontvangen had. En de theologische inbreng van de evangelisten moeten we zo verstaan dat zij het op Jezus teruggaande getuigenis doorgegeven hebben als mensen die met geheel hun hoofd en hart er zelf bij waren in voortdurende bezinning op deze boodschap, gelet op de situatie waarin zij schreven. Zij waren theologen omdat zij evangelisten waren.
Baarlink wijst er bovendien op dat we in de uitleg niet mogen vergeten dat evangeliën en brieven verschillende genres vertegenwoordigen. Evangelisten vertellen wat zij gezien en gehoord hebben. Hier en daar geven zij een duidende uitspraak. De brieven zijn vanuit de situatie van de gemeente geschreven en gaan troostend, vermanend, betogend en argumenterend daarop in. Voor de vraag naar wat het Nieuwe Testament over verzoening zegt is het zaak dit verschil in genre niet te verwaarlozen. Dan krijgen we er ook oog voor dat evangelisten en apostelen elk op hun eigen wijze getuigd hebben van het heil in Christus.
Christologie
Van belang is ook de wijze waarop we het nieuwtestamentisch getuigenis lezen aangaande de persoon van Jezus. Zowel Hoek als Baarlink besteden aandacht aan wat ze noemen de christologie, de leer over de Persoon van Christus, in het Nieuwe Testament. Het is in de moderne exegese een veel voorkomend gegeven de historische Jezus van de evangeliën te zetten tegenover de Christus zoals die in de kerkelijke prediking beleden wordt. Baarlink laat zien dat een zogenaamde 'christologie van beneden' geen antwoord geeft op de vragen waar het Nieuwe Testament ons zelf voor plaatst. Het optreden van Jezus stuitte immers van meet af aan op tweeërlei reactie: geloof enerzijds, afweer anderzijds. Het riep de vraag op: wie is toch Deze?
Hoe zijn de discipelen getuigen van Christus geworden? Vaak wijst men dan naar de paaservaring. Pasen wordt dan de bron van christologische kennis in die zin dat door die ervaring de mens Jezus voor het geloof tot de Christus, de Heiland en Verzoener geworden zou zijn. Anders gezegd: na Pasen zou de verkondiger (de historische Jezus) de verkondigde Christus geworden zijn. Maar deze redenering is misleidend. Verwaarloosd wordt dan dat het optreden van Jezus in de tijd voor Pasen een christologisch geheim bevatte, dat de mensen evenwel vanuit hun eigen visie op de Messias niet wilden accepteren. Het doorbrekend licht na Pasen betekent dat de leerlingen nu pas verstonden wat zij tevoren niet konden en wilden begrijpen. 'Pasen is veel meer in die zin het begin van een nieuw inzicht, als zij nu konden aanvaarden wat zij voordien alleen maar konden afwijzen: de Messias in zijn zelfovergave en kruisdood als de Verzoener', schrijft Baarlink. Het is niet zo dat aan het begin de historische Jezus zou staan als een inspirerend mens, een uitzonderlijk begaafd rabbi, een mens voor anderen. Nee, aan het begin staat Hij die als de door God gezondene een unieke opdracht had. Het zal duidelijk zijn dat de kijk op de persoon van Jezus volgens het Nieuwe Testament ook bepalend is voor de wijze waarop we over verzoening spreken.
Dogmatische bezinning
Hoe dit alles verwerkt is in de dogmatische bezinning is een ander verhaal. Beide auteurs gaan daar, zij het zeer beknopt op in. Beiden laten zien dat iemand als Anselmus geprobeerd heeft de noodzaak van de menswording en verzoening te vertolken in de taal en het begrippenkader van zijn tijd. Hier zou de lezer meer willen horen. In hoeverre is de door Anselmus gehanteerde methode legitiem? In hoeverre wordt bij Calvijn en in de catechismus toch een wijziging aangebracht? Hoe ligt het nu precies met de verhouding tussen exegese en dogmatiek? De nieuwtestamenticus Baarlink toont zich op dit punt terughoudend. Als bijbelwetenschapper laat hij die vraag aan de dogmaticus over. Bij Hoek krijg je de indruk dat met name in het slothoofdstuk de gegevens van de belijdenis van de kerk leesregel zijn voor de vertolking van het bijbels getuigenis inzake verzoening, met name de gereformeerde visie op de zonde.
Maar een echte dogmatische peiling geven zij niet. Dat was ook niet in eerste instantie hun bedoeling. Het is intussen wel de vraag die door Den Heyer e.a. op ons bord wordt gelegd.
Terug naar de Schrift
Niettemin zal een reformatorisch theoloog altijd weer willen terugvragen naar de Schrift. Want zij is als het erop aankomt de gezaghebbende en enige bron van ons geloof. Belijdenis en dogma zullen daaraan altijd weer getoetst moeten worden. Schriftuitleg vormt het hart van het werk van Luther en Calvijn, die beiden voor alles predikers en bijbeluitleggers wilden zijn. Zij hebben daarbij altijd weer de duidelijkheid van de Schrift verdedigd.
In een tijd als de onze waarin de hermeneutiek, de leer van het verstaan, grote aandacht krijgt, krijg je soms het gevoel dat de belijdenis van de duidelijkheid van de Schrift niet meer te handhaven is. Vormt de Bijbel niet een verzameling geschriften die elk vanuit eigen positie benadert? Heeft niet elke ketter zijn of haar letter? Niemand leest toch de Bijbel zonder vooronderstellingen. We nemen allen ons voorverstaan mee en we lezen, zegt men, vaak selectief.
Voor dat soort opmerkingen zijn we in onze plurale cultuur erg gevoelig. Niet ontkend kan worden dat dogmatische vooroordelen en het gevaar van selectief lezen je geweldig parten kunnen spelen. En toch mogen we daarvoor niet zwichten. Als dat immers de laatste wijsheid is wordt een beroep op de Bijbel erg moeilijk.
Het is de verdienste van de auteurs van de beide hier aangekondigde boeken dat zij zich wel degelijk wagen aan een beroep op de Schriften en zo onbevangen mogelijk hebben willen luisteren naar wat de Bijbel zelf zegt, zonder dat zij bij voorbaat de Bijbel op het Procrustusbed van de moderne bijbelkritiek leggen. Daarmee staan zij in de traditie van de reformatoren, die de kerk hebben teruggeroepen tot de gehoorzaamheid aan de Schrift als getuigenis van de Heilige Geest en die er zo diep van doordrongen waren dat de Heilige Geest geen scepticus is.
Natuurlijk blijven er dan nog vragen genoeg over als het gaat om de vertolking van de boodschap aan de mensen van van daag of de bezinning op de ethische vragen rondom verzoening tussen mensen. Maar tegelijk laten de auteurs zien dat het de moeite waard is de Schrift zelf aan het woord te laten als getuigenis van Gods openbaring en de teksten te laten uitspreken. Want zo alleen kan het komen tot een actuele en existentiële prediking van de verzoening waar onze tijd zo schreeuwend behoefte aan heeft en tot een opnieuw belijden van datgene waar het in de prediking van de kerk om moet gaan: Christus alleen, de genade alleen, het geloof alleen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1998
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's