De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Waarom ga je naar de kerk?

Dat was de vraag die de redactie van In de Waagschaal (18 juli 1998) aan enkelen voorlegde met het verzoek: reageer daar eens op. Wat beweegt u om dat te doen? Merkwaardig dat de één boven zijn bijdrage schrijft: Waarom ga jij nog naar de kerk? Met andere woorden: je lijkt op één van de laatsten der Mohikanen in deze tijd. Waarom doe je dat altijd nóg? En de ander schrijft boven zijn antwoord: Waarom ik blijf. Weer een ander vindt het een vraag 'op de man af', maar het antwoord is wel positief want het is er goed toeven.

Tenslotte is er iemand die schrijft boven zijn bijdrage 'Sinds de dagen van Enos'. Wie z'n Bijbel kent, weet wat de scribent bedoelt: al sinds oude tijden roept men de Naam des Heeren aan. Daarom is mijn gang naar de kerk. Ik zou niet weten waarom ik zo nodig van die oeroude traditie zou moeten afwijken.

Waarom ik blijf

Dat schrijft prof. dr. ir. A. van den Beukei boven zijn reactie. U zult zijn naam wellicht kennen via zijn beroemd geraakte boek over 'De dingen hebben hun geheim' (1990), gevolgd door 'Met andere ogen' (1994) en onlangs verscheen van zijn hand 'Geen beter leven dan een goed leven' (1998). De laatste publicatie gaat 'Over de kwaliteit van het bestaan'. Van den Beukei zegt de dingen soms heel kras en resoluut. Hij zou soms gillend uit de kerk weg willen lopen. Na de affaire van het huwelijk van M& M bijvoorbeeld. Hij kan er zich iets bij voorstellen als dan ds. Nico ter Linden opmerkt: In een volgend leven word ik buitenkerkelijk en daar verheug ik me al op. Toch kan hij ook weer niet weg.

'Dat mensen de kerk verlaten is niet zo'n wonder, dat ze er blijven wel. Waarom bent u eigenlijk gebleven? , vraagt de redactie. Tja, daar vraagt u me wat. In een van mijn boekjes lees ik de volgende passage:

"Zo ongeveer ziet de weg van een gelovige er uit. Aan het begin staan de getuigen uit de jeugd, de ouders en leermeesters. Zij hielden ons de grondslagen voor Zij leerden ons bidden, bijbellezen, zingen en namen ons mee naar de kerkdiensten die niet voor niets godsdienstoe/enmgen worden genoemd. Daar verveelden wij ons aanvankelijk eindeloos, maar geleidelijk begon tot ons door te dringen dat daar iets gebeurde. Dat daar een weg gewezen werd en uitzichten werden geopend. Dat daar woorden gesproken werden die het hart raakten. Woorden van de overkant. En het belangrijkste was dat wij in de dagelijkse omgang met de getuigen konden waarnemen dat die woorden ook werkten. Dat het niet bij woorden bleef, bij vrome uitspraken (daar waren zij trouwens spaarzaam mee), maar dat er uit geleefd werd. Zo werd het langzaam aan duidelijk dat wij dat ook wilden. Niet omdat het zo aangenaam was, of zo gemakkelijk, maar vanwege het licht dat daar scheen. De rust die er van uit ging, het vertrouwen.

Er komt dan een moment waarop je dat hardop uitspreekt. In de christelijke kerken heet dat '"belijdenis doen van je geloof". Het gebeuren vindt plaats in een kerkdienst, meestal op Paasmorgen. Daar zegt een groepje jonge mensen ja op de hun gestelde vragen, die er op neerkomen of zij bereid zijn de weg van God in te slaan. De enige zinvolle manier om dat te doen is in verbondenheid met de gelovigen uit heden en verleden. Daarom wordt dat ja uitgesproken in het midden van de gemeente. Het is een begin; de kiem is gelegd, de richting aangegeven. Van nu af mag je meedoen." (...)

Zo ben ik dus op die weg terecht gekomen. Via de kerk, in de kerk, dank zij de kerk. Kan dat dan verder niet op je eentje, dat "doen van de waarheid? " Heb je daar de kerk nog bij nodig? Mijn antwoord is: misschien niet iedereen, maar ik wel. Ik zou niet zónder kunnen. En ook: zelfs als ik zou menen de kerk niet nodig te hebben, dan zou het wel eens kunnen dat de kerk mij nodig heeft, en dat ik mij aan dat appèl niet mag onttrekken. Omdat, hoeveel men ook op haar aan te merken mag hebben, de kerk het voertuig is geweest waarmee het geloof door de geschiedenis heen is verder gedragen, tweeduizend jaar lang tot op vandaag.

Waarom kan ik dan niet zonder, of denk ik niet zonder te kunnen? Om dezelfde reden waarom ik meen niet zonder eten te kunnen of zonder liefde: omdat je het snel merkt wanneer je een maaltijd overslaat of een periode doormaakt waarin de liefde niet bloeit. (...)

Daarom ben ik er, als het even kan iedere zondag. Op alle hoogtijdagen van mijn leven was ik in de kerk. Ik ben er gedoopt en heb er belijdenis gedaan. We zijn er getrouwd en hebben er onze kinderen laten dopen. Al die keren scheen het licht overvloedig. De eerste keer heb ik het niet gemerkt, en de laatste keer zal ik er ook geen weet van hebben, als ik daar uitgedragen word. Maar een beetje feestelijk moet het ook dan zijn; daar is reden genoeg voor, omdat iemand "bevorderd is tot heerlijkheid", zoals ze dat bij het Leger des Heils zeggen. Ik hoop dat ik nog voldoende gelegenheid zal hebben om instructies na te laten voor de dienst. Daar moet op zijn minst gelezen en gezongen worden uit Psalm 103:

"Loof de HEER, mijn ziel, en vergeet niet één van zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw ziekten geneest; die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid."

Die ouderwetse woorden moeten evenzo blijven staan: goedertierenheid en barmhartigheid. Wat ze betekenen heb ik, in de loop van een lang leven, in de kerk leren vermoeden. Waar anders? '

Wie van huis uit opgevoed is bij zondagse kerkgang, zelfs tot tweemaal toe op één zondag, die herkent het lege gevoel als je een zondag door omstandigheden overslaat. Mensen zeggen dan: Het is net of het geen zondag is geweest. Je kunt zeggen: dan is het maar een gewoonte, een routine. Goed, maar niet alle gewoonten zijn verkeerd. Niet of weinig gaan is óók een gewoonte. Wel raakt de gewoonte uit de mode bij de huidige generatie, voor een deel ook in onze hervormd-gereformeerde gemeenten. Jongvolwassenen in grote bondsgemeenten waar de volkskerk nog intact is, vinden zichzelf meelevend als ze één keer in de veertien dagen een kerkdienst bijwonen. Het kan niet anders of dat luidt het verval in ook binnen onze gemeenten.

Sinds de dagen van Enos

Dat zet prof. dr. A. Th. van Deursen boven zijn antwoord op de vraag óók aan hem gesteld. Hij vindt de vraag typerend voor onze tijd. Mensen zijn vandaag minder geïnteresseerd in objectieve waarheden, dan wel in subjectieve beweegredenen. Je gaat niet uit van hoe God het wil, maar hoe de mens het vindt en voelt. Wie van God uit denkt, die acht het vanzelfsprekend dat je naar de kerk gaat. Wie van de mens uitgaat, die vindt het op z'n minst vreemd dat je dat nog altijd doet: naar de kerk gaan.

'Het is een, laat ik maar zeggen: enigszins paarse benadering van de gelovige medemens, om hardnekkig door te vragen naar persoonlijke motieven en zelf geformuleerde confessies. In de paarse levensfilosofie is geloof uitzondering en ongeloof regel. De geschiedschrijving begint daarvan al sporen te vertonen, alsof de normale mens natuurlijk altijd vrij is geweest van irrationele waanvoorstellingen. Aanwezigheid van geloof moet bewezen worden, en anders gaan we er van uit dat geloof in de grond van de zaak ook vroeger eigenlijk algemeen was, ook al nam men noodgedwongen de schijn van het tegendeel aan. Zelf zie ik het proces andersom, voor het verleden zeker, maar ook voor het heden. Mensen zijn altijd gelovig geweest, in alle tijden, in alle landen, in alle culturen. Ongeloof daarentegen is het uitzonderlijke fenomeen. Op grote schaal is het alleen waar te nemen in de westerse beschaving gedurende de laatste tweehonderd jaar van haar bestaan. Echt massaal is het ook daar pas in deze eeuw geworden, en eerst in diezelfde eeuw heeft het zich buiten de eigen kring verbreid, met name in het communistische China. Hoe het zich daar op langere termijn zal ontwikkelen valt moeilijk te voorspellen. De voormalige Sovjetunie heeft in elk geval haar materialistische beginselen prijs gegeven, en de Pravda van vandaag is beslist geen atheïstische krant meer Het lijkt daarom het veiligste, ongeloof te beschouwen als een afwijkend en specifiek kenmerk van de geseculariseerde westerse cultuur, dat hoofdzakelijk wordt aangetroffen in haar eigen stamgebied.

Vandaar, dat je bijvoorbeeld in Nederland eigenaardige verschijnselen ontmoet als D66, de Satanskerk, de NVSH en meer van zulke curiosa, die buiten onze eeuw en cultuurkring nergens ter wereld ooit vielen waar te nemen. Ze zijn karakteristiek voor Nederland in de late twintigste eeuw, maar dat mag natuurlijk geen reden zijn hun betekenis te overschatten. In het bredere perspectief van ruimte en tijd gaat het hier slechts om het buitenissige randgebeuren. Geloof daarentegen behoort tot het erfgoed. Dat een samenleving zonder geloof langdurig kan bestaan is nog nergens ter wereld ondubbelzinnig gebleken.

Dat is de objectieve kant van het verhaal. De vraag, "waarom blijf ik in de kerk", zet de zaken op hun kop. Het is een irrationele vraag, die alleen in een geseculariseerde context kan rijzen. Waarom zou ik de kerk verlaten? Beschaafde landen en beschaafde mensen hebben een kerk nodig. Dat je naar de kerk gaat spreekt eigenlijk vanzelf Dat houdt je geestelijke gezondheid in stand, zoals het lichaam elke dag weer verlangt dat we zullen eten, drinken en slapen. Maar in de vreemde tijd die wij beleven wordt deze vraag niet meer objectief verstaan. Voor de noodzaak van een kerk bestaat zo weinig begrip, dat ze wordt opgevat als onderzoek naar een subjectieve behoefte. Dat is ook waar, maar het is de kleine kant van de waarheid. Ze valt met de grote samen. De objectieve noodzaak van een kerk en mijn subjectief verlangen naar zondagse kerkgang rusten op dezelfde grondslag.'

De inzet van de catechismus, aldus dr. Van Deursen, is onthutsend voor moderne ogen: wat is uw enige troost in leven en in sterven? Deze gedachte komt in onze moderne hoofden nauwelijk nog op. Er valt in deze eeuw genoeg te troosten. Maar we zijn helemaal gewend geraakt het probleem van lijden in materiële hulp op te lossen in plaats van te denken aan geestelijke bijstand. De christelijke kerk heeft vanouds de geestelijke oorzaak aangewezen voor de nood der wereld. Ze heeft er een naam voor. Met de catechismus noemt ze dat zonde, aldus dr. Van Deursen.

'Zonde komt niet van buiten, ze zit in onszelf. Dan is het de troost, die van buiten moet komen. Wij weten met die schitterende techniek niet beter te doen dan elkaar naar het leven te staan. Het voortbrengsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan, zegt ons het boek Genesis. Het is een regel met één uitzondering: de mens Jezus Christus. Van Hem spreekt die eerste vraag van de Heidelberger catechismus over de enige troost, en ik weet nog altijd niet hoe ik het beter zou kunnen zeggen.

Het is een geloof, dat ons in een uitzonderingspositie plaatst. Het spreekt van de enige troost en de enige bevrijding. Dat geeft extra betekenis aan de gemeenschap van allen die deze troost met elkaar delen. Hoe schaarser de kerkgangers worden, hoe meer we hun gezelschap zullen zoeken. We zouden vast allemaal wel willen dat het nog vanzelf sprak. Ik zit liever met duizend geloofsgenoten in de kerk dan met vijftig, maar het laatste gebeurt mij veel vaker Laten we dus maar getuigen van de hoop die in ons leeft. Misschien worden die vijftig dan nog eens honderd. Maar al zouden het er vijfentwintig worden: ik ben dankbaar dat ik nog één van hen mag zijn.'

Een naar het lijkt tegendraads antwoord, maar wel een klassieke reactie die vandaag bij de meerderheid nog slechts een meewarige glimlach oproept.

Niet meer naar de kerk kunnen

We kennen ze in elke gemeente: zij die niet meer naar de kerk kunnen: de ouderen, zieken en gehandicapten. Kerktelefoon is een geweldige oplossing voor hen. Maar de verzakelijking van onze tijd dreigt de toekomst van de kerktelefoon in grote problemen te brengen. In het Centraal Weekblad van 31 juli 1998 schrijft Pauline van Kempen daar een artikeltje over onder het opschrift Kerktelefoon is een heet hangijzer. Bob Hogesteeger, bedrijfshistoricus van de KPN, is aangesteld om een onderzoek in te stellen naar het gebruik en het functioneren van de kerktelefoon.

'De bedrijfshistoricus gaat zich vanaf september verdiepen in de geschiedenis van deze "bijzondere tak van dienst". Want dat is voor KPN Telecom volgens Hogesteeger de aanleg van kerktelefoonverbindingen. Een dienst bovendien die KPN meer kost dan het oplevert. Waarom en voor wie doen we het eigenlijk, zo vroegen de KPN-bestuurders zich af. Om meer inzicht te krijgen in het verschijnsel kerktelefoon, gaven zij Hogesteeger de opdracht voor het onderzoek.

Gevoelig

Met het verschijnsel kerktelefoon zijn de meeste kerkgangers wel vertrouwd. "Welkom in deze dienst, ook zij die via de kerktelefoon met ons verbonden zijn", luidt de bekende formulering aan het begin van een kerkdienst. Maar zo vanzelfsprekend is het allemaal niet. Zeven dagen per week, 24 uur per dag neemt de abonnee een reservetelefoonkabel in beslag, om op zondag een uur naar een kerkdienst te luisteren. "Kan die kabel niet beter besteed? " zo vraagt men zich bij de KPN Telecom geregeld af. Dat de kerktelefoon in deze vorm nog steeds bestaat, is volgens Hogesteeger te danken aan "een stukje maatschappelijke verantwoordelijkheid" van zijn bedrijf. "Iets wat er nu eenmaal is - kerktelefoon bestaat sinds 1914 - breek je niet zomaar af, dat geeft alleen maar heisa. Het zou bovendien nogal negatieve reclame zijn voor KPN."

Dat het voortbestaan van kerktelefoon gevoelig ligt, heeft KPN eerder gemerkt. Vijftien jaar geleden speelde de kwestie zelfs in de Kamer. Men was aan het rekenen geslagen en ontdekte dat het abonnementsgeld vier a vijf maal omhoog moest om kostendekkend te zijn. Omdat het om een staatsbedrijf ging, moest de Kamer eerst met deze prijsverhoging instemmen.

Om de dreigende bui af te wenden, namen de hervormde en gereformeerde diaconieën het initiatief tot de oprichting van de Landelijke Organisatie Kerktelefoon (LOK). In samenwerking met het GPV en andere confessionele partijen werd protest aangetekend. Dat leidde er uiteindelijk toe dat het voorstel werd ingetrokken.

Vergrijzing

Sindsdien houdt de vereniging de technische ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Het systeem van de reservekabels zal op den duur niet meer te handhaven zijn, verwacht J. M. Voogt, vice-voorzitter van de vereniging. "Misschien wordt het een soort vergadertelefoon vanuit de kerk, zodat mensen via hun normale telefoonlijn kunnen meeluisteren."

Daarnaast is het de vergrijzing van de kerken die de vereniging verontrust. "Steeds meer mensen zullen gebruik willen maken van kerktelefoon. Maar wie gaat dat betalen? "

Het zijn uiteindelijk de plaatselijke kerken die hun beleid inzake kerktelefoon bepalen. Vandaar dat het aantal aansluitingen per gemeente nogal kan verschillen. "Sommige kerkenraden zijn bang dat kerktelefoon een excuus wordt om niet meer naar de kerk te komen. Wij vinden dat je alles moet doen om mensen bij de kerk betrokken te houden.

Volgens de gegevens van de LOK zijn er in Nederland zo'n 100.000 kerktelefoonabonnees. Die zijn vooral te vinden in "de protestantse baan", die loopt van Zeeland tot Groningen, weet Voogt.

Ook KPN-historicus Hogesteeger is het bekend dat de kerktelefoon vooral onder protestanten populair is. Zijn verklaring is simpel: "Hoe moet je de liturgie van de katholieke kerk overbrengen op een geluidskabel? " In zijn onderzoek wil hij meer te weten komen over de criteria die kerken hanteren. Dat is iets waarmee KPN Telecom zich nooit heeft bemoeid. "Sommige kerken zijn daarin veel strenger dan anderen", weet Hogesteeger Vooral in bepaalde orthodox-protestantse kerken moet je wel heel gammel zijn om voor kerktelefoon in aanmerking te komen. Eigenlijk "moetje gewoon komen", vinden ze.'

We zullen er nog wel van horen. Als het de KPN méér kost dan het oplevert, dan zal het de gebruiker wel méér moeten gaan kosten. Of er zal een andere oplossing uit de bus moeten komen. Hoe het ook zij, we weten in ieder geval dat kerktelefoon niet meer vanzelfsprekend zal blijven bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's